Uit de Pers
K. H. Miskotte 1894-1976
23 september zal het honderd jaar geleden zijn dat prof. dr. K. H. Miskotte werd geboren. Aanleiding tot wat heet een Miskotte-jaar. Zaterdag 24 september organiseert de Dr. K. H. Miskotte-Stichting een symposium ter gelegenheid van de 100e geboortedag. In de uitnodiging wordt aangegeven dat dr. Miskotte een brug sloeg tussen cultuur en theologie. De veelzijdigheid van Miskotte weerspiegelt zich inderdaad in de veelzijdigheid van het aanbod van werkgroepen en sprekers, zoals de prospectus voor deze dag vermeldt. Een woord dat ook veelvuldig aan Miskotte en zijn werk wordt verbonden, is het woord Tjevinding'. Eén van zijn laatste publicaties draagt de titel 'Kennis en bevinding' (1969). Hij bedoelt er veel méér mee dan in gereformeerdbevindelijke kringen. Als Miskotte zelfs heel sterk pleitte voor de bevinding, dan bedoelde hij niet slechts 'de bevinding in de catacomben van de gelovigheid, maar de bevinding op de markt des levens', zoals dr. Buskes het eens uitdrukte. Dr. T. Brienen typeerde Miskotte's denken en spreken hierover eens met de woorden 'bevinding als geloofsbeleving in de totaliteit van het christelijke leven'. Prof. dr. M. J. G. van der Velden, die in 1984 promoveerde op een studie over 'K. H. Miskotte als prediker', maakt daarin onderscheid tussen 'de bevinding van het bestaan' en de 'bevindingvan het Woord'. In Wapenveld van juni 1994 staat een uitvoerig en boeiend gesprek te lezen met prof. Van der Velden onder de titel 'Ik weet eerlijk niet wat er ongereformeerd aan Miskotte is'. En uiteraard komt in dat gesprek ook de bevinding bij Miskotte ter sprake. U leest eerst de vraag en daarna Van der Veldens antwoord.
Valt die bevinding – anderen hebben het liever over Miskotte's mystiek – te rijmen met de bevinding van de gereformeerde orthodoxie?
Omdat hij de bevinding vaak uitdrukte in een heel andere taal dan de vrij vaste formuleringen van de brede traditie van de Nadere Reformatie, was de kans op herkenning niet groot. Miskotte heeft een prachtig artikel geschreven over de bevinding. Daarin spreekt hij met grote waardering over de Nadere Reformatie. In dat artikel vertelt hij, dat hij in zijn eerste gemeente, als een soort tegenwicht tegen zijn voortdurende ontmoetingen met de moderne cultuur, de Oude Schrijvers las. Hij heeft echter bepaald ook kritiek,op de Nadere Reformatie. Wat is er, zegt hij, in de Nadere Reformatie gebeurd? Dat de bevinding een soort waarmerk is geworden van het geloof, een kenmerk, een voorwaarde. Dat betekent dogmatisch gesproken – zegt Miskotte dan – dat de rechtvaardiging en heiliging worden omgekeerd: dat de heiliging aan de rechtvaardiging voorafgaat.
In die kritiek kon hij wat de praktische beleving betreft wel eens gelijk hebben. Ik geloof dat daarin een deel van de oorzaak zit van die bijna fundamentele geloofsonzekerheid, die je in sommige bevindelijke kringen ziet. Maar anderzijds moet je natuurlijk ook weer zeggen dat de moderne mens Miskotte in echte bevinding iets authentieks èn iets modems ontdekte.
In mijn dissertatie heb ik een preek besproken, waarin Miskotte een Veluwse oefenaar citeeert, Dirk Rustige. Miskotte zegt dan: 'Ik wil u iets voorlezen uit een preek van een eenvoudige oefenaar op de Veluwe: "Wanneer God u komt te vereenzamen, wanneer Hij u alleen komt te zetten, wanneer Hij u met honger komt te voeden en met dorst komt te lessen, want de ellendigen zoeken water en de nooddruftigen en het is er niet. En daarom slingert het leven van Gods kind vaak tussen de Noordpool van de zelfmoord en de Zuidpool van het Maranatha: Jezus komt, en dat is dan de arrestatie en daar kunt ge niet onderuit." Zo die oefenaar. In deze ouderwetse taal – u hoort het toch wel! – klopt en hamert de levensvraag, waarop een groot deel van het werk van Albert Camus gefixeerd is.' Dus met andere woorden: wat Miskotte hier zegt, is dat in de èchte hedendaagse bevinding, ook in deze kring van mensen die vandaag nog uit de erfenis van de Nadere Reformatie willen leven – wat in de sociologie de bevindelijke gereformeerden zijn gaan heten – iets doorklinkt van beide vormen van bevinding.
Prof. Van der Velden doet de boeiende suggesstie of mensen die in onze tijd de stereotype tale Kanaäns authentiek gebruiken, waarbij de onzekerheid van het heil wordt verwoord zoals enkele eeuwen eerder gebeurde: is dat louter een herhalen van toen of zit daar soms onbewust toch ook een geweldig stuk eigentijds tobben in opgesloten, dat te maken heeft met de onzekerheid van het bestaan in 1994?
Reactie op Miskotte
We hebben jaren geleden in ons blad een ferme discussie gehad over de waarde van Miskotte's theologiseren voor een klassiek gereformeerde theologie. In het gesprek met prof. Van der Velden wordt ook de vraag aan de orde gesteld naar het gereformeerd gehalte van vooral Miskottte's spreken over de bevinding.
In het Reformatorisch Dagblad hebben onlangs uiteenlopende reacties op Miskotte gestaan. Sommigen uitten daarin de genoemde twijfel over Miskotte's bevinding. Herkent u meer in de stellingname van dr. Den Hertog, die ook aangehaald werd, en die denkt dat Miskotte zelfs de 'brug tussen de Reformatie en de moderne tijd' zou kunnen zijn?
Wat die discussie over de kwaliteit van Miskotte's bevinding betreft: wie ben ik dat ik oordelen mag over het geestelijk leven van iemand anders? Maar ik herken bij Miskotte wel iets van een hang naar mystiek. Op de achtergrond bij hem speelde de stilte en de natuur van het Overijsselse land, waar zijn wortels lagen. Zoals Van der Graft heel goed verwoord heeft in het gedicht Miskotte woont in Voorst Miskotte hield van de natuur, van bomen vooral en hij had een zekere hang naar het mystieke. Tegelijkertijd heeft hij altijd enorm tegen de mystiek in zichzelf gevochten: hij verzette zich tegen de dreiging van de religie, die uit de mens zelf opkomt.
Maar wat is gereformeerde bevinding en wat is niet-gereformeerde bevinding? Ik vind dat een volstrekt verkeerde vraagstelling. Ik proef bij Miskotte een uitgesproken reformatorische gedachtengang en beleving, waarin de rechtvaardiging een centrale plaats inneemt. Zoals hij in preken de psalmen citeert: 'O God, mijn ziel en lichaam hijgen en dorsten naar U in een land dat dor en mat van droogte brandt, waar niemand lafenis kan krijgen' als een omschrijving van de geestelijke verlatenheid, die een mens kan overkomen. Ik weet eerlijk niet wat daar ongereformeerd aan is.
Wat natuurlijk wel zo is, is dat bij Miskotte het onderscheid tussen geloof en ongeloof veel dialectischer is: het is echt niet zo dat hij zei dat het voor iedereen in orde is. Nee, het is in orde en het is niet in orde, het is ja en nee tegelijk, en dat ja en nee zit tegelijk in je. Dat is ook een stuk ervaring en bevinding. Als je die spanning niet wilt herkennen, dan herken je inderdaad deze vorm van bevinding minder. Ik denk dat de eerlijkheid die Miskotte zo in Nietzsche waardeerde, dat hij daar ook voor zichzelf naar zocht: 'Ik ben een modern mens, ik geloof het soms helemaal niet meer – en tegelijk word ik vastgehouden, geldt het ook mij, dat evanglie.' Zo praat hij er ook over in zijn preken. Ik vraag mij af of veel gereformeerde bevinding ook niet in deze zin vertaald zou kunnen worden. Als het authentiek is, dus met andere woorden van de Heilige Geest komt, is het van geen enkel belang meer of het gereformeerd of niet gereformeerd is.
Van der Velden acht Miskotte van groot belang voor de Gereformeerde Gezindte nu deze 'qua primaire levenservaring steeds dichter bij de moderne tijd komt'. Het zuigende moeras van een grenzeloos subjectivisme kent in hem een krachtige tegenpool, daar hij ondanks alle aandacht voor bevinding, ervaring, werkelijkheidsbeleving, toch een krachtig prediker is van het geschiede heil.
Miskotte: dichter en schriftgeleerde
Dr. G. Harinck schreef in het mei-nummer van het Documentatieblad voor de Nederlandse Kerkgeschiedenis na 1800 een interessant artikel over 'Van Duinkerken, Miskotte en Schilder, christelijke apologeten in een nieuwe eeuw'. Voor een belangrijk deel vormt dit artikel trouwens het slothoofdstuk van Harincks dissertatie over 'De Reformatie, weekblad tot ontwikkeling van het gereformeerde leven 1920-1940', verschenen eind 1993 (Ten Have, Baarn). Dr. Harinck wil in dit artikel in overweging geven dat er redenen zijn om voor wat betreft de Nederlandse kerk- en theologiegeschiedenis te spreken van een breuklijn omstreeks de Eerste Wereldoorlog. Aanwijzingen daartoe acht hij aanwijsbaar in het werk van de drie genoemden. Schrijvend over o.a. Miskotte, zegt dr. Harinck dan:
Bij Miskotte zijn, vergeleken bij Van Duinkerken en Schilder, de dichter en de schriftgeleerde zijn leven lang het meest evenredig aan bod gebleven: 'Ik ben getrouwd met de theologie, maar mijn maîtresse is de kunst', placht hij te zeggen. Hij heeft als muzisch theoloog het onoplosbaar conflict tussen de denker en de dichter niet gekend in de mate als Van Duinkerken en Schilder. Voor de ethische theologie was de verhouding tussen christendom en cultuur een centraal onderwerp van bezinning en de wederzijdse betrokkenheid gold er als vast gegeven. Voor Miskotte waren, evenals voor prof. dr. G. van der Leeuw, theologen, schilders, dichters en danseressen vertolkers van de schoonheid en het al dan niet behoren tot de christelijke cultuurkring deed daarbij nauwelijks ter zake.
Het taalgevoel van de drie generatiegenoten werd gecombineerd met een door theologische vorming geoefend inzicht in het geestelijk leven van het Interbellum. Schilder en Miskotte waren getroffen door de droom van het socialisme, en waren – juist zoals trouwens Van Duinkerken – onder de indruk van de getuigende poëzie van Henriëtte Roland Holst-van der Schalk. Zij werden geboeid door Adwaita, waren beiden in de ban van Nietzsche's grootheid geweest en leefden met de gedichten van Guido Gezelle.
De bezinning richtte zich aanvankelijk zowel bij Van Duinkerken, Miskotte als Schilder op de ten tijde van de Eerste Wereldoorlog toegenomen spanning tussen christendom en cultuur, zoals Miskotte op 4 mei 1927 in zijn dagboek schreef: 'Zolang 1914-1918 zich kunnen herhalen, schijnt mij alles zinloos.'
Hoe kon het christendom zich handhaven in de moderne wereld? Van hen drieën werd Miskotte door dit vraagstuk het sterkst gedrukt. Hij was doordrongen van de noodzaak, het christelijk geloof na de Eerste Wereldoorlog opnieuw op formule te brengen. 'Het bestaande heeft de diepste achterdocht verdiend', schreef hij op 9 november 1920 in zijn dagboek. 'Nu klassiek te willen zijn… is zich verslingeren aan de hofjesgeest. Láter, veel láter, als wij weer weten wat leven, wat hartstocht, wat zonde is, dan zullen wij weer naar vorm mogen zoeken.'
Hij ergerde zich aan het verburgerlijkt christendom, dat hem niet had geleerd 'in eenvoud en ernst, waarop het aankomt in tijd en eeuwigheid; maar ons is ook niet aangewezen met inzicht en gevoel voor nuance wat er in de laatste eeuw in de mensen is omgegaan'.
We hebben slechts beperkt ruimte en daarom sluiten we af met Harincks evaluerend slot van zijn boeiend artikel:
Gevormd door de spanningsvolle verhouding tussen christendom en cultuur hebben Van Duinkerken, Miskotte en Schilder in eigen kring leiding gegeven aan een naoorlogse generatie 'jongeren', die het christendom na de Umwertung aller Werte opnieuw vorm trachtten te geven. Daarbij valt op de kritische verwerking van de eigen traditie en de poging een nieuwe verbinding te leggen tussen christendom en cultuur. Velen werden door de enthousiaste, soms exuberante geloofsvertolking van deze persoonlijkheden bemoedigd in de beleving van hun overtuiging in de moderne cultuur. Het apologetisch christendom, dat zij elk in eigen kring voorstonden, heeft in het interbellum een eigen kleur gegeven aan het christelijke leven en als zodanig zijn zijn kenmerkende figuren voor die jaren van grote tegenstellingen, scherpe stellingname en geestkracht.
Zij hebben als stormlopers tegen een overerfd cultuurstandpunt ruimte gemaakt voor meer actuele visies op de verhouding tussen christendom en cultuur en zo de religieuze bezinning in de moderne samenleving een plaats trachten te geven. Zij braken met de theologie van de negentiende eeuw en waren pioniers, die als eersten de reeds eeuwen onder het Nederlandse volk levend bewaarde christelijke overtuiging met hernieuwde kracht vertolkten voor het forum van de moderne, twintigste-eeuwse cultuur. Voor hen drieën geldt elk woord van de uitspraak van Michel van der Plas over Van Duinkerken: 'Een Nederlandse vrome van zijn tijd'.
Hoe verschillend de drie hier genoemden ook waren in hun beoordeling van wat er in hun dagen gebeurde en werd gepubliceerd, in één ding kennen ze grote overeenkomsten: ze stonden in de worsteling om werkelijke getuigen te zijn van het heil des Heeren voor mensen van toen en hier en nu. In die intentie verdienen ze vandaag navolging.
J. Maasland
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's