Globaal bekeken
In het Kerkblad voor Nederlands Gereformeerde Kerken in de provincies Flevoland, Gelderland en Overijssel schreef ds. O. Mooiweer, emeritus predikant te Enschede 'Rondom de begrafenis'.
'Ernst Wiechert vertelt in één van zijn romans over een oude graaf, die op een bepaalde dag sterft. Hij woonde met zijn vrouw jaren lang in een mooi kasteel omgeven met veel personeel om de huishouding te doen en de parken en tuinen in goede banen te houden. De rouwdienst zou in de grote ontvangsthal van het kasteel worden gehouden. Op de dag van de begrafenis geven heel veel mensen van hun belangstelling en meeleven blijk. Ze schuifelen eerbiedig langs de kist, drukken de oude gravin ontroerd de hand en nemen vervolgens hun plaats in. Het wachten is op de dominee, die de rouwdienst leiden zal. De predikant doet zijn uiterste best om de grote verdiensten van de graaf breed uit te meten. Terwijl hij bezig is met zijn boeiend betoog klinkt er opeens een driftig getik op de marmeren vloer; een stem klinkt, rustig, maar heel beslist: "NIET ZEUREN!" Het is de oude gravin, die vindt, dat nu de maat van de loftuitingen vol is, en wacht op de verkondiging van het evangelie. Met mooie verhalen kan en wil zij niet verder in haar leven. Ze wil een signaal van de overkant ontvangen via de boodschap van de Heiland der wereld, die dood en graf overwonnen heeft.
Ja, op een begrafenis kan je van alles en nog wat meemaken. Er zijn mensen, die staan te praten tegen de dode alsof hij nog leeft. Dat is natuurlijk pure onzin. Er zijn er ook, die menen, dat je niet alleen het goede van de overledene moet opsommen, maar ook de schaduwzijden moet belichten, hoe summier ook. Je kunt een dergelijke vorm van eerlijkheid prijzen maar je tevens afvragen of het niet beter is dergelijke opmerkingen te reserveren voor een besloten familiekring en die niet te lanceren ten aanhoren van een schare van een paar honderd mensen. Wel moet het duidelijk zijn, datje de overledene niet kunt negeren in je toespraak. Het is zijn/haar begrafenis en niet die van een ander. Het bewijzen van de laatste eer brengt met zich mee, dat men dankbaar memoreert wat de Here God in de ontslapen broeder of zuster heeft willen schenken. Maar het is zaak bovenal het evangelie van Christus te verkondigen en niet te vergeten, dat er soms heel wat mensen present zijn, die van de boodschap van verzoening en verlossing totaal vervreemd zijn. Je mag hun het geloof niet opdringen, maarmoet wel laten merken hoe rijk het Is te mogen delen in Gods genade in Christus, die door zijn vemjzenis uit het graf op de Paasmorgen uitzicht biedt op het eeuwige leven en troost geeft In donkere dagen. De verkondiging moet appellerend zijn! Je staat niet te praten tegen bomen, maar tegen levende mensen. Het valt mij de laatste tijd op, dat er op een begrafenis zo weinig gsproken wordt n.a.v. een tekst uit 1 Cor. 15. Terwijl dat toch In dit kader een beheersend hoofdstuk uit de Bijbel mag heten! Het leiden en bijwonen van een begrafenis blijft een moeilijke aangelegenheid, maar het is ook heerlijk elkaar te mogen bemoedigen in het zicht van de eeuwigheid en te mogen ervaren, dat onze hemelse Vader naar ons knipoogt om ons zo duidelijk te maken, dat de volmaakte vrede ons wacht!'
In De Horizon, uitgave van de afdeling van de Gereformeerde Bond in Sliedrecht, lazen we de volgende wetenswaardigheden uit de kerkgeschiedenis van Sliedrecht (en omgeving).
• Brief inzake kerkbrand in 1762
'Na de brand moet de kerk herbouwd worden. Schout en schepenen, als opperkerkmeesters, mèt de kerkmeesters van de ambachten Sliedrecht en Naaltwyk, wenden zich tot de Staten van Holland en Westvriesland om hulp. We zullen het verzoek aan de Staten niet in zijn geheel opnemen. Het is en blijft interessant van taal en stijl van onze voorvaderen kennis te nemen, maar het geheel maakt door zijn omslachtigheid een nogal vermoeiende indruk. Daarom slechts enkele gedeelten, veelzeggende gedeelten overigens!
"Aan hun Edele en Grootmogende Heeren.
Geven met de uijterste onderdanigheid te kennen. Dat op den tienden van voorleden maand Maart (1762) den supplianten het droevig ongeluk getroffen heeft dat op het alderonverwagst en zonder dat men de egte oorzaak kan ontdekken… de kerk door een feilen brand is aangetast, vernielt en tot een puijnhoop gesteld. Dat de woedende vlamme als voedzel voornamentlijk verkrijgende door het aantal Banken en gestoelten (die wegens dat de kerk de opkomende menigte nauwlijks konde omvangen menigvuldig waren) en tot de spanning van het dak toezig verheften, wel na geene uijtdemping te willen luisteren, de galmgaaten van den tooren verwoed indrongen. De naastliggende huijsen met ontzaggelijke vuurspranken besproeijde en deselve… zoo aanstonds bedreijgde te zullen verteeren, egter door de van de devoire ontroerde inwoonderen met behulp van de twee onlangs gemaakte, dog door de armoede van veele nog niet ten vollen betaalde Brandspuijten met gelukkig behoud van de gemelde tooren en huijsen is uitgedooft geworden.
Dat wel de supplianten hunner uijtwendigen Godtsdienst nu ontrooft, en bedagt op zoodanige middelen, waardoor deselve eenigsints en zoo goed mogelijk zijn voortgang mogte hebben, tot deselve een schuur of Loots hadden doen vervaardigen, dogh dat de kleinheid der plaatse en het aantal der ingeseetenen bestaande uit circa twee duijsent menschen alle gereformeert, de geene die er als met geweld binnen gedrongen mogten zijn, zeer benauwende is, veele doet buijten staan en de meeste geheel en al de bijwoning van den Godsdienst belet; waardoor de supplianten reets tot hunnen sensibelen smert ontwaar worden dat de gemoederen (door hunne verkleeftheid aan den van hun hoogstgeschatte Godsdienst beroemt) verwildert, de deur tot ongeregeldheden en uijtspattingen op kerk en feestdagen opengeset, den arme van hunne gewone bedeeling… smertelijk ontzet word…"
Zo gaat het nog even door, met daar tussenin nog een "…wenden zij zig tot UED. Groot Mog. met deese needrige en ootmoedige smeekbeden".
• De financiering van de herbouw
Maar eerst iets over de financiering. Uit de stukken blijkt dat de Staten een subsidie hebben verleend van ƒ 14.000,– of 50% van de aanneemsom ad ƒ 28.784,–. Voor het overige moest geleend worden. Enkele kerkelijke ontvangsten (rechten op wat in de dorpen werd ingevoerd) zouden ook omhoog gaan.
Enkele voorbeelden:
– voor elke schepel te malen rog of tarwe zou voortaan een stuiver ontvangen worden;
– voor elk vat bier twee stuivers;
– voor een stoop wijn, brandewijn of gedestileerd een stuiver;
– ook het slachtrecht (van 't beestiaal) gaat omhoog;
– elk "paar trouwende" moest twee gld. betalen (de burgerlijke stand is pas in 1811 ingevoerd, onder de Franse overheersing);
– het recht op een zitplaats (gestoeitens en banken) zou voortaan twee gulden en vijf stuivers bedragen (voorheen een daalder);
– het spreekt vanzelf dat het kerkbestuur vrijgesteld werd van betaling van het invoerrecht op het bouwmateriaal voor de kerk (hout, stenen, enz.). Dit invoerrecht heette de impost "op de Grove waaren en de Ronde maat".
• Van de uijtspattingen
Onze voorvaderen hebben ongetwijfeld in hun verzoek aan de Staten alle zeilen bijgezet Wellicht met een glimlach lezen we nu van de angst der kerkmeesters voor ongeregeldheden en uijtspattingen. Toch geloof Ik dat we daarmee voorzichtig moeten zijn, zij het dat uit ons archief geen ongeregeldheden bekend zijn.
Maar na de watersnood in 1741, toen heel de Alblasserwaard weer eens onder water kwam te staan, heeft ds. Jacobus van Oudenhoven in zijn gemeente, Nieuw-Lekkerland, een "strafpredicatie" gehouden. Zijn eerwaarde spreekt dan van de vreeselijke toestanden in zijn dorp op de zondagen en van goddeloos gedrag van veel ingezetenen. Ik laat hem even zelf aan het woord:
"Men gongh 's morgens in de Kercke / onder de namiddaghse predicatie begaven sij haer tot kaetsen, balslaen, klootwerpen, kaartspelen / ende tot diergelijcke ijdele en quade exercitie / ende 's avonts in de Herberghe / daer gongh het Veeltje / daer spronck men en Danste men als wilde ende woeste menschen, daer hoorde men Gesanghen uit Sodom / ende niet uit Zion…"
Nieuw-Lekkerland is bijna een buurgemeente van Sliedrecht.
Hierna nog enkele toelichtingen op enkele woorden en uitdrukkingen, meestal van Franse oorsprong:
– supplianten = verzoekers
– devoire inwoonderen = ik kan dit woord niet één, twee, drie verklaren. Zal wel van het Franse "devoir" komen, dat behalve "moeten" ook "verplicht zijn" kan betekenen. Hier dus wellicht: "van een heilige plicht vervuld".
– tweeduizend mensen = zal wel juist zijn. Bij de algemene volkstelling in 1811 telde Sliedrecht bijna 2800 inwoners.
- sensibele smert = voelbare smart.
Het boek van Van Oudenhoven bevindt zich niet in ons kerkelijk archief, maar in de bibliotheek van het Nationaal Baggermuseum, waar de schrijver van dit artikel bibliothecaris is.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1994
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1994
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's