Uit de Pers
Uw vreemdeling in uw poorten
Enkele maanden geleden hielden christelijke gereformeerde ambtsdragers een conferentie over de ontmoeting met de vreemdeling binnen de gemeenten. Bij 'vreemdeling' wordt uiteraard niet gedacht aan toeristen, maar aan migranten uit andere landen en culturen die zich de laatste decennia onder ons hebben gevestigd. Ouderling D. Koole sprak het openingswoord. Samen met de andere lezingen te vinden in het juninummer van Ambtelijk Contact, maandblad ten dienste van ouderlingen en diakenen van de christelijke gereformeerde kerken in Nederland. Terecht stelt hij dat het ook opdracht is voor kerken en het christelijk onderwijs om zich diepergaand dan tot nu toe is gedaan, te beraden op de ontstane situatie.
Hoe dat in de praktijk moet, daarvan hebben veel orthodoxe christenen geen duidelijk beeld. De kerken – en dan bedoelen we de Gereformeerde en Hervormde kerken van orthodoxe signatuur – laten op dit punt ook nauwelijks een duidelijk geluid horen. Vanuit sommige gebieden, waar gereformeerden prominent aanwezig zijn, komen berichten dat pastores geschrokken zijn van wat er onder kerkmensen ten opzichte van buitenlanders aan gevoelens leeft. Dat was een signalering.
Onlangs schreef een gereformeerd predikant een zeer lezenswaardig artikel, waarin hij er – kort aangeduid – op wees dat we over ons christelijk geloof tegenover zich hier gevestigd hebbende islamieten geen onduidelijkheid moeten en mogen laten bestaan, maar dat ons wel vriendelijkheid, welwillendheid en verdraagzaamheid passen. Terecht! Maar voor veel christenen is wel onduidelijk hoe dat dan moet. Daarbij zit de moeilijkheid niet direct in de persoonlijke opstelling jegens hier wonende en werkende buitenlanders, ofschoon het gedrag van velen wel door een duidelijk waarneembare afstandelijkheid wordt gekenmerkt. Het zit vooral vast op de vraag hoever men mag en moet gaan in de erkenning en toekenning van het recht van de buitenlander om hier zijn geloof te praktizeren en te beleven op de wijze die aan dat geloof eigen is. En onmiddellijk daarmee hangt samen de vraag met welke gedrevenheid en onder welke overtuigende argumenten wij als christenen geroepen zijn of ons gedrongen zouden moeten voelen om de ander de uniciteit van het christelijk geloof voor te houden.
Pastoraat en prediking – uitzonderingen daargelaten – geven op dit punt aan de gemeente van Christus te weinig of geen leiding. De uitspraak van een predikant uit onze kerken dat binnen de gemeente waarvan hij voorganger is, geen plaats voor cd-stemmers is, is even duidelijk als formeel aanvechtbaar. Daarop nu dieper ingaan is niet mogelijk. Wellicht is deze opmerking gemaakt in de context van een bredere beschouwing. De vragen en problemen zitten hier veel dieper en vooral met het oog op onze kinderen zou het goed zijn als de kerk haar leden hier geestelijk duidelijk richting wijst.
De eerste bijdrage, die te lezen valt in genoemde aflevering van Ambtelijk Contact, is van de hand van ds. H. Fahner en hij sprak over Ontmoeting met buitenlanders.
De ontwikkelingen rond de buitenlanders in ons land noodzaken ons tot een fundamentele bezinning.
Ook hebben wij als christenen ons in te stellen op de veranderingen in de samenleving: die samenleving is bezig een multiraciale, een multiculturele en een multireligieuze samenleving te worden. Ondertussen zijn wij als christenen die bijbeltrouw verlangen te zijn, in ons land een minderheidsgroepering geworden. Dat is een situatie die, meer dan in het verleden het geval was, gelijkt op de situatie van de christenen ten tijde van het Nieuwe Testament. Daardoor baart de problemadek van de buitenlanders in ons land ons niet alleen zorgen, maar kan zij ook een uitdaging zijn tot een nieuwe oriëntering op de basis waarop wij, in ons geloof en leven, moeten en mogen staan: de Heilige Schrift. (…)
Nu komen de woorden 'gastarbeider' en 'asielzoeker' in de Bijbel niet voor, maar wel het woord 'vreemdeling'. We komen dat woord meer dan 100 keer tegen. Het gaat hier niet om een buitenlander in het algemeen, maar om een buitenlander die in Israël bescherming heeft gezocht vanwege problemen in zijn eigen land. Hij is een ellendige, letterlijk betekent dat 'uitlandige'. Hij is een mens in nood.
In grote lijnen komt dat overeen met wat wij onder een asielzoeker verstaan.
Over de vreemdeling vinden we in Lev. 19 : 33 en 34 de volgende aanwijzing: 'En wanneer een vreemdeling bij u in uw land vertoeft, zult gij hem niet onderdrukken. Als een onder u geboren Israëliet zal u de vreemdeling gelden, die bij u vertoeft; gij zult hem liefhebben als uzelf want gij zijt vreemdeling geweest in het land Egypte: Ik ben de HEERE uw God'. De HEERE behoedt de vreemdelingen, zo lezen we in Ps. 146 : 9a. In Deut. 10 : 19 lezen we tenslotte dat de Heere de vreemdeling liefde bewijst.
Zoals de HEERE Zich opstelt tegenover de vreemdeling, zo dient Gods volk óók met de vreemdeling om te gaan, dat wil zeggen: zich over hem te ontfermen.
Zelfs vinden we in Deut. 23 : 15v reeds een vorm van asielrecht. We treffen er de volgende bepaling aan: 'Gij zult een slaaf die van zijn meester naar u gevlucht is, niet aan zijn meester uitleveren; bij u, in uw midden, mag hij blijven waar hij verkiest, in een uwer steden, waar het hem goeddunkt; gij zult hem niet hard behandelen'.
De vreemdeling had dus duidelijk zijn plaats. Hij had bepaalde rechten, maar ook plichten. In de ons welbekende Tien Geboden wordt de vreemdeling net als de Israëliet geboden de sabbat te houden. Terzijde mag erop gewezen worden, dat er in de grondtekst en in de Statenvertaling niet, zoals in de Nieuwe Vertaling, staat: dè vreemdeling, maar: úw vreemdeling, die in uw steden woont. Het is de buitenlander die op onze weg is geplaatst en voor wie wij een verantwoordelijkheid hebben, evenals voor de anderen die genoemd worden: uw zoon, uw dochter, uw dienstknecht en uw dienstmaagd.
Fahner wijst erop, dat Israël in de Decaloog te horen krijgt ook zelf eens slaaf te zijn geweest en daarom bewogen moet blijven met allen die eenzelfde lot delen. Ook de uitdrukking 'vreemdeling' komt in de Schrift verschillend voor. Enerzijds aanduiding voor heidenchristenen in hun eertijds: vreemdelingen van de verbonden der belofte. Anderzijds typering van hun staan en zijn in deze wereld: een vreemdeling op aarde. Wel in de wereld, niet meer van de wereld.
Ondertussen is de massale komst van asielzoekers wel een gigandsch probleem. Het is de vraag of onze samenleving dat wel aan kan. Ik zou daarom ook willen aansporen tot gebed voor onze overheid om in deze zaak een goed beleid te voeren. Maar daarmee zijn we niet klaar.
Na wat gezegd is, zal het duidelijk zijn dat wij zelf als kerkmensen, als christenen niet om de vreemdeling heen kunnen en mogen. Wij hebben een taak, in de eerste plaats wel ten aanzien van de vreemdeling die als christen hier is gekomen vanwege vervolging om zijn geloof. Maar ook tegenover anderen hebben wij een verantwoordelijkheid: hen te laten merken wie God voor ons is, hen iets te laten gevoelen van de liefde van Christus en getuige te zijn van hetgeen Hij heeft gedaan tot behoud van verloren mensen. U als ambtsdragers herinnert zich misschien wel de diepe woorden die in het formulier voor de bevestiging van ambtsdragers staan: 'In de gebrokenheid van de menselijke verhoudingen staan zij in dienst van Christus, Die de arme zal redden die om hulp roept, de ellendige en wie geen helper heeft'.
Om de vreemdeling te ontmoeten, is het van belang ons open te stellen, ja contact met hem te zoeken. Dat kan gebeuren op straat. Het kan ook geprobeerd worden via een asielzoekerscentrum. Het kan door hem die bij u in de buurt is komen wonen, uit te nodigen voor een kop koffie of thee. Soms zijn er mogelijkheden om in het verenigingsgebouw van de kerk een middag voor buitenlanders te organiseren. U kunt ze uitnodigen voor een kerkdienst. U zult hen daarbij wel moeten begeleiden.
Van belang is daarbij ook dat er continuïteit is in de contacten. Dat is niet altijd eenvoudig. Het is daarom goed om niet alleen, maar samen deze taak op te nemen. Als je met meerderen bezig bent, kun je elkaar soms opvangen en bemoedigen in de problemen die je tegenkomt. Als je de buitenlander echt ontmoet, ga je namelijk ook iets voelen van zijn probleem. In verreweg de meeste gevallen kunnen wij zijn probleem niet oplossen, hoe graag we dat ook zouden willen.
Terecht stelt ds. Fahner, dat hier een taak ligt voor de christelijke gemeente. Het Koninkrijk Gods is multiraciaal. En de vrucht van de Heilige Geest uit zich onder andere in liefde en in zachtmoedigheid en vriendelijkheid.
Eén weg of meer wegen?
Uiteraard kwam ook de vraag aan de orde: is er één weg tot behoud of zijn er méér wegen? Er is één God, maar is het zo dat we langs verschillende wegen uiteindelijk toch bij die ene God terecht komen? Op deze vraag wordt in toenemende mate door velen bevestigend gereageerd. We kunnen er niet omheen ons op deze vraag te bezinnen.
Grofweg kun je zeggen dat met name vanaf de Veriichting het aantal vraagtekens achter de absoluutheid van het christelijk geloof drastisch is toegenomen. In dit verband moet de beroemde parabel van de filosoof G. E. Lessing (1729-1781) genoemd worden. Een vader heeft een kostbare ring en hij moet die bij zijn dood geven aan de meest geliefde van zijn drie zonen. Maar zijn zonen zijn hem allemaal even lief. Omdat hij daarom tegen het einde van zijn leven geen van zijn zonen wil teleurstellen, laat hij naar het model van de echte ring nog twee andere maken. Na zijn dood denkt iedere zoon de echte ring te bezitten. Maar wie hééft de echte ring? Als de wijze rechter Nathan gevraagd wordt uitspraak te doen, blijkt dat hij het ook niet weet. Daarom bepaalt hij dat wie het meest liefheeft de echte ring bezit. 'Laat ieder denken dat zijn eigen ring de ware is en intussen vriendelijkheid, oprechte tolerantie, goede werken en een diepe onderwerping aan Gods wil tonen.'
Met dit verhaal heeft Lessing duidelijk willen maken dat antwoord op de vraag welke godsdienst de ware is, in feite niet is te geven.
Zijn raadgeving heeft vooral weerklank gekregen in toenmalige vrijmetselaarsloges. waartoe hij behoorde, daarna heeft die weerklank zich eindeloos vermenigvuldigd in opvattingen die uitlopen op een vermenging, syncretisme, van de godsdiensten en een vervaging van de uitgangspunten van het christelijk geloof. Er is niet één weg – die van het christelijk geloof – maar er zijn er meer die leiden tot behoud.
Ds. Van Mulligen geeft dan in het kort de visie van de islam, het hindoeïsme en het boeddhisme weer en vervolgt dan zijn bijdrage als volgt:
Wisten we vroeger alleen uit de boeken iets van deze godsdiensten, nu kennen we ze doorgaans ook uit eigen ervaring en ontmoeting. Dat zal vooral voor de islam opgaan. Kennisname van deze religies en contact met aanhangers ervan mag nooit leiden tot spottende en denigrerende reacties. Velen van de aanhangers van deze godsdiensten zijn oprecht van mening dat ze het ware geloof bezitten.
Die oprechtheid zullen we moeten respecteren en hun aanwezigheid zonder meer tolereren. Gastvrijheid voor asielzoekers, die elders in hun bestaan bedreigd worden, vereist ook acceptatie van hun godsdienst en tolerantie in betrekking tot de uitoefening daarvan.
Het kan niet zo zijn dat we de vrijheid van godsdienst ten aanzien van hen die in ons midden onderkomen en een bestaan hebben gevonden, zouden inperken. Integendeel. We zullen hen als 'medelanders' de ruimte moeten gunnen die hun rechtens toekomt. Niet dat we daarmee een uitspraak doen over het waarheidsgehalte van hun godsdienst – dat is een ander verhaal – maar we kunnen wellicht hierin het voorbeeld volgen van Paulus die de Grieken in Athene opvallend positief tegemoet treedt (Hd. 17 : 22-34). Hij erkent in hun religie, die niet de ware is, toch een zoeken en tasten naar de ware God. En dan citeert hij daar de Griekse dichter Aratus, die zei: 'in Hem leven en bewegen wij'.
Daarmee levert Paulus zijn geloof in de enig ware God en in de enige Verlosser niet in, maar hij maakt wel duidelijk dat de mens op zoek is naar God, omdat God tot de mens spreekt en hem zoekt. Iemand heeft gezegd: de mens is 'ongeneeslijk religieus', de mens is alleen mens als mens vóór God.
Waar liggen de verschillen dan precies tussen het christelijk geloof en andere wereldgodsdiensten?
Er is dan ook een fundamenteel verschil tussen de wereldreligies en het christelijk geloof In het kort komt het hierop neer: waar in de wereldreligies sprake is van verlossing, is dat zelfverlossing en waar in Gods Woord sprake is van verlossing, is dat verlost worden. Men wil in feite een ladder oprichten en daarlangs naar de hemel opklimmen, maar het evangelie vertelt ons van Hem die uit de hemel neerdaalde, de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, het verzoeningswerk volbracht heeft en zo de weg tot God en de hemel ontsluit.
Verlossing, die zou bestaan in onthechting van de stof en de materie, gaat uit van een valse tegenstelling tussen stof en geest, die in ieder geval volkomen vreemd is aan de bijbel.
Nergens in de wereldreligies is sprake van verlossing van zonde en schuld en daarmee is het gebruik van de term verlossing een totaal andere dan die in de bijbel.
Tevens is duidelijk dat Gods Woord zelfde onmisbaarheid en uniciteit van Christus onderstreept. We denken dan ogenblikkelijk aan de bekende teksten uit Joh. 14 : 6: 'Ik ben de weg, de waarheid en het leven, niemand komt tot de Vader dan door Mij', en uit Hand. 4 : 12: '… want er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven waardoor wij behouden moeten worden'.
Er is wel gezegd dat we die woorden moeten verstaan vanuit de visie van hen die tot het geloof gekomen zijn maar dat ze geen algemeen geldende betekenis hebben, maar dat lijkt me niet veel meer dan een interpretatievorm die aan de tekst zelf onrecht doet. Trouwens heel het spreken van de Schrift getuigt van Christus die de enige Middelaar is tussen God en mensen.
Een bekende vraag van jongeren op catechisatie is dan: hoe zit het met al die mensen die het evangelie niet kennen of nooit hebben kunnen kennen? Een begrijpelijke vraag waaraan niet te ontkomen valt, maar die toch ook een moeilijke vraag is. Ds. Van Mulligen reageert als volgt:
De vraag hoe het zit met hen die het evangelie niet kennen of nooit hebben kunnen kennen, is bij mij op de catechisatie een telkens weerkerende en moeilijke vraag. Ook een logische, die niet ontlopen mag worden.
Ik voel wel iets voor de opvatting van Lesslie Newbigin, die evenals Bavinck bij die vraag stelde: het is ons niet geopenbaard, het is een vraag waar God alleen antwoord op kan geven, met de toevoeging dat de vraag zelf ook onjuist is. Voor ons geldt in ieder geval de verantwoordelijkheid om in te gaan in het Koninkrijk Gods en de oproep van het evangelie met geloof en bekering te beantwoorden. Uit de Schrift blijkt ook dat die verantwoordelijkheid toeneemt naarmate men meer weet. In de dag van het oordeel zal het Tyrus van Sidon en zelfs Sodom verdraaglijker zijn dan Chorazin en Bethsaïda, waar de verkondiging en tekenen van Jezus nadrukkelijk zijn geschied (Matth. 11 : 20-24). Daarom is de vraag naar het behoud van aanhangers van andere godsdiensten misschien wel interessant, maar niet relevant. Het antwoord daarop is voor ons in ieder geval niet zo maar toegankelijk.
Dit is wel duidelijk: in Christus is er behoud. Daarom verkondigen we Hem.
Dat moet met liefde, openheid en bewogenheid gebeuren.
Van Mulligen sluit af met een pleidooi voor wat hij noemt een 'dialogisch getuigenis'. Geen dialoog als vrijblijvend gesprek, waar het unieke en noodzakelijke van Christus zou worden verzwegen. Maar een getuigenis waarin respect is voor wat de ander beweegt en beleeft en waarin werkelijk geluisterd wordt. We hebben daarin de kracht van de Geest nodig Die ons tot getuigen maakt van de éne en énige Naam tot behoud onder de hemel gegeven voor alle volken.
J. Maasland
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1994
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1994
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's