Hoe gaan wij om met de gave van de profetie? (2)
De actualiteit van een profetisch getuigenis
Geestelijk leven – toen
Uit het preekvoorstel over Hebr. 12 : 1, 2a, door cand. H. O. Roscam Abbing op 31 januari 1907 te Utrecht gehouden (28-36), blijkt zijn kennis van en zijn belangstelling voor het geestelijke leven van de gemeente. In een Schriftoverdenking over dezelfde verzen uit het jaar 1915 spreekt hij zich daarover als volgt uit: 'Zolang als deze aarde er is, zal er ook een strijdende kerk in deze wereld zijn, wier leden wedergeboren zijn, genade hebben, geestelijk leven deelachtig zijn. Maar er is onderscheid tussen leven en leven. Ook het geestelijke leven kan ziekelijk, kwijnend wezen en het geloofsbewustzijn oppervlakkig, onklaar, verward. Het geloofsvermogen of het wezen van het geloof ontbreekt dan wel niet, doch het schort al te zeer aan het welwezen van het geloof, dat wil zeggen: aan het welbewuste, klaaronderscheidende en kennende geloofsleven. Daarmee gaat gepaard veel duisternis doch weinig licht, veel bekommering doch weinig zekerheid van vergeving van zonden, weinig innerlijke blijmoedigheid en aan vrede en troostvolle gemeenschap van de Heilige Geest blijft het hart vreemd. Hierbij komt nog, dat in de gemeente van Christus, althans in onze dagen, de opvatting heersende is alsof een dergelijke toestand nu het normale voor het geestelijke leven is… Schrijnende armoede dus aan de doorwerking van de Heilige Geest in onze dagen. En één van de oorzaken daarvan is ongetwijfeld, dat men zich voedt met een Evangelie dat praktikaal hierop neerkomt: 'Een arme Christus voor een rijk zondaar' (36). In De breuk tussen Christus en Zijn gemeente in onze dagen (1919) schrijft hij het uitvoerigst over het geestelijke leven van de gemeente. Hij wijst op het grote verval in vergelijking met de tijd van de Reformatie: '… die volle Christus ons geopenbaard, werd vroeger in het geloof omhelsd, maar is in het geloof niet vastgehouden; niet bewaard; werd sedert lang losgelaten, en eenmaal van dat fundament afgegleden, worden de jammerlijkste gevolgen daarvan sedert jaar en dag voor de gemeente van Jezus Christus op de schrikkelijkste wijze openbaar' (137). Even verder schrijft hij: Tot nog toe ging alles uit van de veronderstelling, dat er althans 'vrede door het bloed van het kruis' was; dat het zover kwam dat het heten mocht: 'Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus'. Maar die veronderstelling is niet overeenkomstig de werkelijkheid. Zover komt het in het algemeen niet. Dat is meer uitzondering. De zekerheid van het geloof, de blijmoedige belijdenis: 'Ik weet, dat mijn Verlosser leeft' is meer uitzondering dan regel. Het blijft meesttijds bij enige meer of minder gegronde hoop, bij de verwachting dat het tenslotte toch nog wel goed zal aflopen. Dus tot de rechtvaardiging uit het geloof komt het doorgaans niet, veel minder nog tot de ware heiligmaking' (140; cursivering M.D.G.). De gevolgen hiervan zijn: 'Innerlijke vrees voor de wet, die toch heilig is en goed. Een missen van volle, diepe troost; het manna dat verborgen is. In plaats van dor hout dat bloesemen gaat (de bloeiende staf van Aäron. M.D.G.), werken van de wet. Een bedroeven van de Heilige Geest, Die de volle Christus wil verheerlijken. Er is nog zaligmakend geloof, maar zwak en ziek, niet het geloof. En daarom, Christus gaat niet meer als de Doorbreker voor het aangezicht heen. Het zout is smakeloos geworden en boet zijn verderfwerende kracht in. Hoe is het fijne goud zo verdonkerd? Ikabod, waar is de eer?, want de ark van God is genomen' (139).
Getuigenis
In deze situatie verkondigde ds. Roscam Abbing krachtig de Heere Jezus tot rechtvaardiging en heiliging, tot vergeving van zonden en vernieuwing van het leven: 'Christus gegeven tot rechtvaardigmaking en heiligmaking, verwervend een borgtochtelijke gerechtigheid en heiligheid, en die Christus door het levend geloof omhelsd, zie, dat maakte de ziel van zoete troost als dronken en deed stromen van levend water uit het binnenste voortvloeien. Die weg van het geloof is door Gods genade tijdens de Reformatie weer ontdekt en ook bewandeld en is zo duidelijk voor het nageslacht aangewezen in de Heidelbergse Catechismus (zondag 23)' (137, 138). Over de heiliging schreef hij: 'Geen wonder, men laat de wet niet daar, waar deze is, namelijk in Christus, vervuld, opgericht als een boom des levens en tot een eeuwige geldigheid gebracht. Men doet Jezus Christus de Heere niet aan en wandelt alzo niet in Hem. De wet wordt weer uit Christus genomen in eigen hand, om dan met behulp van Christus die wet te gaan volbrengen. Het verzoenend lijden en sterven van Christus wordt in het geloof aangenomen, maar Zijn ganse leven in gehoorzaamheid aan de wil van Zijn hemelse Vader heeft voor het hart geen borgtochtelijke betekenis… Hem heeft hij aan te nemen, aan te doen en in Hem heeft hij te wandelen.
En in Christus zijnde en blijvende en wandelende, wandelt hij in gehoorzaamheid aan de wet, want deze is in Christus opgericht in al haar schoonheid. Maar dan gaat de gelovige er ook aan met al zijn willen en drijven. Dan heeft hij zijn eigen wandel met de wet in de hand er aan te geven' (139). Wat de leer van de rechtvaardiging en heiliging aangaat, was hij een geestverwant van dr. H. F. Kohlbrügge (174-176). Daarbij getuigde hij van de Heilige Geest in Zijn Pinkstervolheid (93-104) en van de spoedige wederkomst des Heeren (45-50); twee geloofsartikelen, die in het geestelijke leven van de gemeente in zijn dagen niet funktioneerden. In de toekomst verwachtte hij een heerlijke bloeitijd van het geestelijke leven: 'Is die tijd (dat de volheid van de heidenen zal ingaan, M.D.G.) daar, dan komt het Loofhuttenfeest, het grot oogstfeest, de doorbraak en verhoogde werking van de Heilige Geest; krachtiger en heerlijker dan toen Hij bjj de aanvang van de apostolische eeuw werd uitgestort' (191).
Geestelijk leven – nu
Vergelijken wij de situatie van het geestelijke leven van de gemeente, zoals ds. Roscam Abbing die beschrijft, met de onze, is er dan niet grote overeenkomst? Funktioneert de Heere Jezus in het geestelijke leven van de gemeente(n) tot rechtvaardiging en heiliging, tot vervulling met de Geest en tot verwachting van Christus' komst en Koninkrijk? Tot onze verwondering en vreugde vaak wel bij enkele gemeenteleden, maar helaas niet in het geheel van de gemeente(n). Wij kunnen toch moeilijk spreken van een bloeiend geestelijk leven in onze gemeenten en kerken? Dit betekent niet, dat wij geen oog hebben voor wat God ook in onze tijd geeft en werkt. We hebben vandaag een levende Christusprediking nodig in de betoning van de Heilige Geest en van kracht. Missen we niet teveel de ervaring van Gods tegenwoordigheid, de persoonlijke omgang met de levende God? Beven we voor Hem en Zijn Woord? Waar de ontmoeting met de levende God, de gemeenschap met de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, ontbreekt, daar is geen behoefte aan de Heere Jezus in Zijn volheid. Daar is geestelijke zelfgenoegzaamheid en geen verlangen naar meer, om vervuld te worden tot al de volheid van God (Ef. 3 : 19).
Het getuigenis van ds. Roscam Abbing aangaande de Heere Jezus Christus tot rechtvaardiging en heüiging, tot vervulling en verwachting is voluit Bijbels. Dit getuigenis in de kracht van de Heilige Geest en in onze eigen taal is ook vandaag nodig tot zegen van de gemeente en de wereld. Op grond van Gods rijke beloften mogen wij veel verwachten.
M. D. Geuze, Noorden (Z-H)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1994
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1994
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's