De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

7 minuten leestijd

In De Saambinder troffen we het volgende gedicht van Revius over de Kamerling van Candace:

Wie is 't die zeggen dorf dat moeite zij verloren
Te wassen in het bad een naakten moriaan?
Hier ziedij enen moor diep in het water staan.
Hier ziedij hem vernieuwd als waar' hij nieuwgeboren.

De Heere, die hem had van aanbegin verkoren,
Heeft zo genadiglijk gezegend zijne paân,
Dat hij gekomen is op 's levens rechte baan,
De eerst-gemaaide vrucht van de bekeerde moren.

Hij las de oude schrift, dewelk hij niet verstond,
Hij hoorde Christi leer uit des Philippi mond,
En, latende in ijl stilhouden zijne wielen.

Ontvink van hem den doop met een gelovig hert:
Zijn uiterlijke huid bleef wel gelijke zwert,
Maar witter als de sneeuw wierd hij aan zijner zielen.


Een lezer stuurde ons de volgende passage uit 'Herinneringen uit mijn leven' van dr. J. H. Gunning J.Hz. (1858-1940), vroeger uitgegeven bij H. J. Spruijt, Amsterdam, met een voorwoord van prof. dr. M. J. A. de Vrijer. Over zijn proponentsexamen bij o.a. prof. dr. Petrus Hofstede de Groot zegt hij, met nog een kleine toevoeging, het volgende:

'Het was een echt gezellig examen, iets wat men niet altijd van deze gebeurtenissen zeggen kan.
Nog een kleine, amusante episode uit dezen voor mij zoo belangrijken dag herinner ik mij. Als het eerste deel van het onderzoek is afgeloopen en men tot het tweede deel wordt toegelaten, nemen en geven de heeren een pauze. Dan kan men een kop koffie en een broodje nuttigen en zich eens even vertreden, om zich te wapenen tegen de voortzetting van den strijd in het middaguur. Wij waren beiden tot de voortzetting van het examen toegelaten, doch waren reeds bijna drie kwartier over tijd. We hadden werkelijk heel aangenaam met de zeer goedgehumeurde heeren geredeneerd en vooral prof. Hofstede de Groot had mij lang aan de praat gehouden. Toen de president ons nu zei: "de heeren kunnen om half vier alhier terugkomen", begreep ik dat ik den laatsten trein naar Den Haag met de aansluiting naar Naaldwijk, waar mijn meisje woonde, niet meer halen kon, en met groote beschroomdheid vroeg ik: "mijnheer de president, zou het niet een half uur vroeger kunnen?" Algemeene verbazing. "Waarom, mijnheer Gunning?"
"Ach, weet u, ik zou zoo gaarne vanavond Naaldwijk kunnen bereiken, waar mijne aanstaande schoonmoeder woont." "U schijnt nogal goede verwachting van het restultaat te hebben?" vroeg de voorzitter plechtstatig. "Ach, mijnheer de president, als ik moest zakken, zou mijn verloofde mij kunnen troosten." Algemeen gelach en het examen werd 40 minuten vervroegd "om onzen jongen doctor niet zenuwachtig te maken". Goeie beste mannen, gij zijt al lang van dit tranendal verdwenen, maar ik heb uwe vriendelijkheid nooit vergeten.
Ik was toch zeer ontroerd toen ik de bevoegdheid tot de Evangeliebediening uit de handen van den voorzitter van dit Provinciaal Kerkbestuur – neen, dat voelde ik toen reeds met nadruk, van God zelven – ontvangen had. Mede uitnaam van mijn lotgenootexaminandus dankte ik, naar de bestaande gewoonte, de heeren voor hunne "humane behandeling op het examen" en sprak mijne blijdschap uit dat ik nu "eene heilige taak had ontvangen voor de geheele Kerk van Christus". Ik zou dat niet meer zoo precies weten, wanneer ik niet enkele dagen daarna een vriendelijken brief van een der examinatoren had ontvangen met de welgemeende en uit dien vrijzinnigen mond recht-karakteristieke vermaning: "laat die geheele Kerk van Christus uwe verbeelding niet te zeer ontvlammen, wordt maar een degelijk en verdraagzaam predikant van onze vaderlandsche Kerk". De goede man had zich blijkbaar ongerust over mij gemaakt, die in een "al te orthodoxen uitval tegen prof. Hofstede de Groot" en in mijn woord tot de examinatoren van zekere neiging tot "een fantastisch kerkbegrip" blijk had gegeven.
Niet zonder innerlijke blijdschap vond ik dien brief nog onder enkele oude paperassen.


Ik had bij de nadering van beroepen geen gewichtige veranderingen aan wang of stem te bewerkstelligen, gelijk in dien tijd bij theologische candidaten nogal eens voorkwam. Een snor of baard, die bij vele Kerkeraden als een bewijs van onbetrouwbaarheid in de leer golden, bezat ik niet en behoefde ik dus niet te verwijderen, en van een gemoduleerde preekstem moest ik niets hebben. Het is inderdaad merkwaardig als psychlogisch verschijnsel welk een verbazende verandering eene stem in korten tijd kan ondergaan.  Jongelui, die tot vlak bij hun kerkelijk examen gillen en jodelen kunnen als de beste, schaffen zich tegen hun voorstel, en voorts permanent, bij elke volgende Evangelieprediking, een geluid aan, dat minstens even sterk vibreert als dat van sommige radiosopranen, alleen dan een paar octaven lager! Ik heb nooit begrepen, dat men op den preekstoel een totaal ander spraak- en stemgeluid moet hebben dan in het dagelijksche leven. Maar ach, wij hebben God uit het dagelijksche leven verbannen en daardoor is de gewone werkdag grijs en grauw geworden. En dan is God ons op den Zondag zóó verbazend ver-af geworden.'


Wijlen dr. J. J. Buskes had een versneden pen. Van tijd tot tijd gaf hij (in het blad De Waagschaal) in dichtvorm weer wat hij aan curieuze of althans opmerkelijke zaken aantrof in kerkbladen, daarbij de tekst van het geschrevene op de voet volgend. Een aantal van die stukjes zijn later gebundeld en uitgegeven bij Callenbach in Nijkerk. Hier volgt een stukje over het 'afscheid van een vicaris'. Het zou aardig zijn vandaag, ongeveer 40 jaar na datum, te weten welke naam achter de toenmalige Ermelose vicaris schuil ging. Hier volgt het stukje met een aantal van de strofen van het gedicht.

'In de Hervormde Kerkbode van Ermelo neemt een vicaris afscheid van de gemeente Ermelo, waar hij vier maanden als vicaris onder leiding van de pastor loci, ds. Spilt, gewerkt heeft.
Aldus: 'Als deze kerkbode verschijnt, sta ik op het punt om te vertrekken. De vier maanden zijn voorbij.
Het was voor mij zeer leerzaam. Als de Heere mij het leven geeft, zal ik dat later waarschijnlijk nog beter kunnen beoordelen. Allen, met wie ik in aanraking kwam, dank ik zeer voor de vele hartelijkheid, die ik heb ondervonden. Ermelo is zeer gastvrij. In het bijzonder dank ik mijn mentor ds. Spilt. Laat ik alleen dit van hem zeggen: Ik heb ondervonden dat het waar is wat iemand tegen mij zei voordat ik hierheen kwam: "Hij is een nobele kerel!" Met hem en zijn vrouw dank ik in het bijzonder de families H. de Graaf, C. Vlijm, E. Plette, H. Hop en J. van Gens. Gij hebt mijn verblijf zo prettig gemaakt Het was bij u zeer goed in allerlei opzichten. Ter illustratie mag ik u vertellen, dat ik hier negen pond ben gegroeid. Wat zal ik nog meer zeggen? Nogmaals mijn heel hartelijke dank! De Heere vergelde u allen wat gij aan mij hebt gedaan en Hij zegene u.'

Ik ben nu welhaast dominee.
Tot nog toe was ik slechts vicaris.
De Veluwe viel mij wel mee,
hoewel de streek een beetje zwaar is.

Ik sta gereed om te vertrekken.
Het viertal maanden is voorbij.
Hoe graag had ik ze willen rekken.
Hoe langzaam waren ze voor mij.

Wanneer de Heere mij wil sparen,
zal ik dat straks in Lutjebroek
verstaan – bij 't klimmen van de jaren –
op kerkeraad en huisbezoek.

Ik dank een ieder, die 'k ontmoette:
wat is uw Ermelo gastvrij!
Ik dank een ieder, die mij groette:
wat maakten zij mij allen blij!

Ik dank vooral U, mentor Spilt,
die preken kunt gelijk een merel,
gij hebt mij pastoraal gedrild
en zijt een heel geschikte kerel.

Uw vrouw was ook bijzonder aardig,
zij deed voor U volstrekt niet onder,
zij is alleen iets minder waardig,
in Ermelo is dat geen wonder.

Ik wil niet alle namen noemen
van wie mij hebben welgedaan.
Slechts vijf families wil ik roemen,
nu ik op 't punt sta, heen te gaan:

Hop, Vlijm, De Graaf, Van Gens en Plette,
zij hebben gastvrij mij onthaald.
Zij wilden koffie voor mij zetten
en 'k heb bij hen gemiddagmaald.

Het werk is mij heel goed bevallen,
al was ik somtijds zeer vermoeid,
maar door de zorgen van u allen
ben ik hier negen pond gegroeid.

Wat zal ik verder nog vermelden?
Mijn hart is vol van dankbaarheid.
De Heere moge 't u vergelden,
ik raak die ponden nooit meer kwijt.

Laat midden-orthodoxen smalen,
dat Ermelo een beetje zwaar is,
ik zal van negen pond verhalen
en blijf uw dankbare vicaris.

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1994

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1994

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's