De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Was Calvijn voorloper van de Franse revolutie?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Was Calvijn voorloper van de Franse revolutie?

10 minuten leestijd

Heeft Calvijn de 'tijger' van de revolutie zelf losgelaten? Dat is de vraag waar dr. J. W. Sap in zijn dissertatie met als titel Wegbereiders der revolutie. Calvinisme en de strijd om de democratische rechtsstaat antwoord op heeft proberen te geven. Op de omslag van zijri boek prijkt de voorstelling van een dreigende tijger. Deze is waarschijnlijk gekozen omdat het dier voor één van de hoofdpersonen van deze studie, de calvinistische rechtsgeleerde Hotman, model stond voor de tirannieke macht van de overheid, waartegen men in verzet moest komen. Hij schreef zijn pamflet 'tegen de tijger van Frankrijk', met wie hij de kardinaal De Guise, de felste vervolger van de gereformeerden in het Frankrijk van de zestiende eeuw, bedoelde. De verscheurende tijger kan echter ook symbool zijn van de revolutie, als een angstaanjagend schrikbeeld, zeker voor diegenen die in de traditie van Ongeloof en Revolutie anti-revolutionair willen zijn. In zekere zin past het plaatje dan niet zo goed bij de inhoud van het boek. Samenvattend zouden we kunnen zeggen dat Sap ons wil duidelijk maken dat het negatieve beeld dat er in calvinistische kringen is gegeven aan de denkbeelden van revolutie en volkssoevereiniteit niet terecht is. De tijger is een veel vriendelijker en ongevaarlijker beest dan wij wel denken. En hij is zelfs al door onze grote voorman Calvijn een beetje losgelaten. En zo komt de schrijver tot de opmerkelijke en uitdagende stelling dat Calvijn reeds de aanzetten heeft gegeven tot een democratisch denken, dat in de Franse Revolutie en de rechten van de mens zijn uitwerking heeft gekregen.
De aanleiding voor deze rechtsgeleerde studie lijkt mij te vinden in de discrepantie die Sap meent te constateren in de beoordeling van het beginsel van revolutie in anti-revolutionaire kring. Waarom werden de Opstand in de Nederlanden, de 'Glorious Revolution' in Engeland en de Amerikaanse Revolutie, met alle nuances in waardering, toch gezien als zegeningen en vruchten van het reformatorische denken, en de Franse Revolutie daarentegen zo scherp afgewezen als een voortbrengsel uit de geest der afgrond? Verdienen de principes van de Franse Revolutie geen eerlijker weging, en kunnen we zelfs niet zeggen dat zij voor een deel ook stammen van de grote voorman van de Reformatie? Kortom, is Calvijn ook een wegbereider van de Franse Revolutie? Direct maar een kritische notie: ik kan mij van het begin af aan niet aan de indruk onttrekken dat de schrijver zijn onderzoek is ingegaan met een grote sympathie voor deze mogelijke gedachte, en dat hij zijn best heeft gedaan om deze ook aan het licht te brengen. Dat heeft wat de beoordeling van Calvijn betreft geresulteerd in een maximalisering van diens spaarzamelijke en verspreide uitingen over de politiek, die geen recht doet aan een verstaan van de hele Calvijn.

Tendentieuze visie
In een interview dat de jonge doctor in 'Trouw' heeft gegeven naar aanleiding van zijn promotie staat het volgende te lezen: 'Nederlandse calvinisten vergeten nogal eens dat Calvijn na het schrijven van zijn Institutie nog vijf jaar heeft geleefd. In die jaren trad de Franse overheid hard op tegen hugenoten. Zijn beste vrienden werden vermoord. In die periode radicaliseerden Calvijns opvattingen aanzienlijk. Calvijn twijfelde geen seconde aan een fundamenteel recht van het volk om in verzet te komen tegen tirannieke bestuurders. Calvijn was een jurist, geen theoloog'. Als dit zeer stellige citaat inderdaad zo letterlijk van Sap is, dan doet het ons het ergste vrezen waar het gaat om de kennis en waardering van Calvijn. Wie zo uitgesproken is over één van de moeilijkste thema's bij Calvijn kan dat alleen maar zijn dankzij een oppervlakkige en tendentieuze kennismaking. Het opmerkelijke in de laatste jaren van Calvijn is niet dat hij in zijn preken en brieven soms in de buurt komt van revolutionaire uitingen vanuit een geprangd gemoed, maar juist dat hij bij alle aanleiding die daartoe aanwezig was, zich verre heeft gehouden van elke legitimering van georganiseerde opstand en verzet van het volk, hoe begrijpelijk die ook geweest zouden zijn. Men heeft hem daarom juist wel het verwijt gemaakt dat hij de revolutie in de weg heeft gestaan. De discussie en de standpunten over de relatie van calvinisme en democratie liggen wat Calvijn betreft heel wat gecompliceerder dan Sap laat blijken. Wie zich hierin verdiept zal merken dat er veel valt te zeggen voor het standpunt dat Calvijns gedachten over de staat en de aard van de regering sterk bepaald zijn door theologische argumenten en telkens in nauwe relaltie staan tot de beoordeling van de wijze waarop de overheden zich verhouden tot de religie. Als Calvijn soms weinig sympathie toont voor de koning, en via zijn bekende passage uit Boek 4 van de Institutie de artistocratie graag gepaard ziet gaan met de matiging der
magistraten, naar voorbeeld uit de oudheid, dan is het teveel gevraagd om daaruit een besliste en beslissende visie te construeren. Ook al zijn deze uitspraken in latere discussie over de waardering van de democratie vaak gretig aangegrepen, ze geven geen aanleiding om van Calvijn een democratisch denker te maken.
De schrijver geeft een tendentieuze visie op Calvijn als hij hem heel modern in verbinding brengt met de mensenrechten (pag. 371-374). Uit wat Sap te berde brengt over de voorzienigheid van God als 'uitdrukking van het rechtvaardigingsplan van God, zichtbaar in het beeld van Christus' en het heen en weer hinken tussen twee beelden van God, het accent op de almacht enerzijds en op de liefde anderzijds, komt een beeld van Calvijn en zijn theologie aan het licht waarin de reformator zichzelf nooit zou hebben herkend. Het is de modern-theologische, horizontale visie op de mens en zijn heil, waarvoor bij Calvijn geen enkele aanknopingspunt te vinden is.

Soevereiniteit van God of van het volk?
Tot zover over Calvijn. Hoewel het grootste deel van dit boek zich met de gedachten van anderen bezighoudt, ligt voor mij de aanvechtbaarheid van de conclusie, nl. dat in de lijn van Calvijn denkend de revolutie zo gevaarlijk niet is, in de verkeerde beoordeling van de motieven van de Reformatie al gegeven. Als in het vierde deel van het boek de gedachten van Groen van Prinsterer worden besproken, blijkt opnieuw de beperkte en optimistische visie op de motieven van de revolutie. Groen van Prinsterer zou ten onrechte de onverenigbaarheid van de soevereiniteit Gods met de volkssoevereiniteit hebben geleerd. Zijn nadruk op de godsdienstige motieven ter rechtvaardiging van het recht van verzet, deed hem kritisch staan ten opzichte van de zogenaamde 'monarchomachen', de rechtsgeleerden die in de traditie van Calvijn een aanval deden op de onbeperkte macht van de koning. Sap lijkt deze godsdienstige motieven van minder belang te achten. Hij mist daarmee in zijn positieve waardering van de revolutie de diepste motivatie van de afwijzing, nl. dat de beginselen van de (Franse) revolutie een breuk betekenden met het historische denken en belijden van de Reformatie, waarin de soevereiniteit Gods in Zijn leiding van de wereld en de machten onverenigbaar was met een humanistisch geïnspireerd verlichtingsdenken, waarin de mens de laatste grond der dingen is geworden. Vandaar dat Sap de gruwelen van de Franse revolutie, de terreur en het verzet tegen kerk en geloof beschouwt als diep te betreuren excessen van een op zich nobele onderneming. De gevolgen van deze in principe positieve waardering van de Revolutie werken tot in onze dagen door. Het positieve denken over de mogelijkheden van de mens, al of niet van God gegeven, om zelf zijn rechtvaardige samenleving gestalte te geven. Maar men kan alleen door welbewust blind te willen zijn voor de werkelijkheid in onze dagen volhouden dat deze democratie heilzaam is. Naar de mate dat de zelfbeschikking van de mens voortschrijdt in de politiek komt steeds meer het woord voor de geest: 'In die dagen was er geen koning in Israël; een iegelijk deed, wat recht was in zijn ogen'.

Anti-revolutionairen
Heel interessant is in het laatste deel van het boek de beschrijving van de worsteling binnen anti-revolutionaire kring met de democratie en het recht van verzet. Vooral de gedachten van Bruins Slot, en zijn 'doorbraak' na de oorlog hebben de sympathie van de schrijver. Mijn vraag is wel: wat gebeurt er als anti-revolutionairen het besef van de historie verliezen, en hun 'anti' kwijt raken? Het grote manco van deze studie m.i. is het gebrek aan werkelijk christelijk-historisch denken. Bij de gang door de historie wordt de diepste grond van de historie niet herkend, dat zij ten diepste Gods geschiedenis is, met Zijn kerk, met volken en staten en mensen persoonlijk.
Ik ben me ervan bewust dat ik in deze recensie geen recht kan doen aan het vele dat de auteur in zijn analyse van het rechtshistorische denken heeft geboden. De gedachten van Hotman, Locke en Paine, de hoofdpersonen van dit boek blijven buiten beschouwing. Zij waren rechtshistorici die elk in hun tijd hebben nagedacht over de verhouding van volk en overheid. Hotman was geestelijk nog dicht in de buurt van Calvijn, Locke en Paine staan heel wat verder weg van de reformator van Genève. Hun rechtsdenken heeft in onderscheiden perioden van de geschiedenis een beslissende rol gespeeld, die door Sap heel uitvoerig en deskundig duidelijk wordt gemaakt. Het komt mij echter wat vreemd voor al Locke en Paine als 'issue de Calvin' worden beschouwd. Ook hier lijkt mij de wens de vader der gedachte.
Tenslotte, als ik na lezing van dit boek opnieuw een blik sla op de voorkant, dan moet mijn conclusie zijn, dat ondanks de geruststellende argumentatie van Sap, de tijger van de revolutie nog niets van zijn dreiging heeft verloren. Er is geprobeerd om hem een vriendelijker gezicht te geven, dat is niet gelukt. Calvijn heeft in zijn tijd deze dreiging zozeer als gevaar geducht, dat hij er zeker niet van kan worden verdacht hem toch stilletjes te hebben losgelaten. Calvijn heeft niet tot democratisering of revolutie opgeroepen, om deze wereld om te vormen tot een heilsstaat van recht. Hij heeft een betere weg gewezen dan die van de mens die opkomt voor zijn rechten. De weg van de belijdenis van Gods gerechtigheid en de bevordering van Zijn eer. Wie Calvijn in zijn praktische politieke geloofsraad wil leren kennen leze zijn brieven uit de kritieke jaren. In mei 1558 schrijft hij het volgende aan de predikant Macard van de vervolgde gemeente van Parijs. Het gaat o.a. over de 'rode leeuw', zoals Calvijn dezelfde kardinaal noemt, die door Hotman als 'tijger van Frankrijk' was betiteld. Hij schrijft op waarlijk antirevolutionaire wijze het volgende: 'Het kan goed zijn, dat als u heel rustig blijft, de Waarheid zelf, die spoedig zal oplichten uit de duisternis, de smadingen der vijanden zal wederleggen. (…) Zeker, hoezeer de vader en aanstichter aller leugen, de duivel, met alle macht zich druk maakt, om u onder de last van haat en smaad te begraven, zo zal hij het toch niet zo ver brengen, dat niet God in deze alom zichtbare en opmerkelijke strijd Zijn Naam verheerlijken zal en uit de duisternis de volle glans van Zijn eer zal laten stralen. Geen vrijmoedige, openlijke belijdenis is tot nu toe tot het oor van de koning doorgedrongen. Als de afloop echter overeenkomstig de aanvang zal zijn, dan zal, geloof me maar, zelfs de rode leeuw verbleken. Als er in uw kudde grote vrees is, zo laat u niet aanvechten, maar gaat evenzo rustig en energiek voort om de voorstrooiing tegen te werken. Wellicht zal ons spoedig tegen alle verwachting in een zekere verlichting ten deel vallen. Geschiedt het echter, dat uw geduld nog meer op de proef gesteld wordt, omdat de Vader in de hemel het besloten heeft, zo blijft toch vast staan in het geloof, dat Hij trouw is en de Zijnen niet boven mate verzocht zal laten worden'.

M. A. van den Berg, Groot-Ammers

J. W. Sap, Wegbereiders der revolutie. Calvinisme en de strijd om de democratische rechtsstaat, Groningen, Wolters-Noordhoff, 1993, 440 pag., ƒ 93,–.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1994

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Was Calvijn voorloper van de Franse revolutie?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1994

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's