De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een vergeten hoofdstuk uit het geloofsleven? (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een vergeten hoofdstuk uit het geloofsleven? (1)

Over het maken van een verbond met God

10 minuten leestijd

Inleiding
Gravend in de schat van de kerk der eeuwen komt men soms dingen op het spoor die in het kerkelijk en geestelijk leven van onze dagen, als ze nog niet helemaal verdwenen zijn, toch grotendeels in onbruik zijn geraakt. We hebben het oog op wat in de Bijbel wordt genoemd het doen of betalen van geloften aan de Heere (bijv. Ps. 66 : 13; 116 : 14; verg. Ps. 119 : 106). In het verleden is dit ook omschreven als 'met een plechtige verklaring de Heere beloven' of 'een persoonlijke verbondssluiting met God in Christus'. De zaak die hiermee tot uitdrukking wordt gebracht, wil voluit recht doen aan de belijdenis dat 'in alle verbonden twee delen begrepen zijn' (Formulier H. Doop). Naast en na de verbondssluiting van Gods kant dient het van de kant van de mens te komen tot een hartelijke en persoonlijke inwilliging van het verbond der genade voor Gods aangezicht. Deze persoonlijke inwilliging van het verbond der genade en alle daaraan verbonden voorwaarden vindt plaats bij ieder aan wie Jezus Christus door een waar geloof als Borg en Zaligmaker wordt geschonken èn omhelsd. Maar komt het er ook van dat we vervolgens met een vast en oprecht besluit, niet maar in het voorbijgaan, maar weloverwogen en zo nodig schriftelijk vastgelegd, plechtig voor Gods aangezicht verklaren van alle zonden een vijand te zijn en ons leven in dienst van God te stellen? Het antwoord op die vraag hangt samen met het antwoord op een volgende vraag. Namelijk of we hier van doen hebben met een onderdeel van het geloofsleven dat aan de persoonlijke smaak mag worden overgelaten òf dat er misschien argumenten zijn die pleiten voor een heroverwegen van dit grotendeels in onbruik geraakte, maar in vroeger tijden wel degelijk voorkomend en niet ongezegend gebleven gebruik. Als we luisteren naar bijv. William Guthrie horen we hem over het maken van een verbond met God weliswaar spreken als over een zaak die 'niet absoluut nodig is voor de zaligheid van een mens' (W. Guthrie, Des Christens groot interest, Barneveld 1981, p. 151). Maar even later merkt hij al op '…dit uitdrukkelijke mondelinge verbondmaken met God is zeer nuttig voor het welzijn van de staat van een mens en voor een troostvolle bevestiging van zijn deel aan Christus Jezus'. Terwijl verderop het belang ervan nog sterker nadruk ontvangt als hij schrijft 'Wij brengen deze zaak ook hier met klem als een plicht naar voren' (a.w. p. 153). Daarmee is het kader aangegeven waarin de zaak van de persoonlijke verbondssluiting met God staat. Waarmee tegelijk is benadrukt dat het maar niet gaat om iets van persoonlijke smaak òf een kwestie die zijn tijd heeft gehad. Integendeel. We mogen onszelf wel in alle ernst afvragen of we het geestelijk leven en daarmee de bloei van de kerk in onze dagen niet zeer belemmeren door de zaak waar we nu nader op in willen gaan als een vergeten hoofdstuk of op z'n best als een historische curiositeit te blijven beschouwen.

Bijbelse gegevens: Oude Testament
Met name het Oude Testament geeft informatie over het afleggen van geloften en het sluiten van een verbond. Beide zaken hangen nauw samen. Toch blijkt uit de manier waarop ze in Israël gefunctioneerd hebben dat er enig verschil tussen beide heeft bestaan. Ten aanzien van de geloften lezen we allerlei nauwkeurig omschreven voorschriften. Daarbij wordt de vrijwilligheid niet uit het oog verloren. Niemand is verplicht om een gelofte te doen. Meer dan eens worden de geloften dan ook in één adem genoemd met de vrijwillige offers (verg. Num. 29 : 39 en Deut. 12 : 6). Wie zich echter door middel van een gelofte aan de Heere en Zijn dienst wil verplichten, moet zijn woord houden en zijn gelofte de Heere betalen (Num. 30 : 2; Deut. 23 : 23, Ps. 50 : 14 staat hiermee in verband). Ook wordt het niet aan eigen willekeur overgelaten om de belofte ten uitvoer te brengen. Via nauwkeurige voorschriften wordt de weg gewezen. Dat geldt allereerst de gelofte van het Nazireërschap waarmee iemand zich voor langere tijd aan de Heere wijdt. Kenmerkend daarvoor zijn zaken als haargroei, geheelonthouding van de vrucht des wijnstoks en het schuwen van elk contact met doden, zelfs als dat bloedverwanten zijn (Num. 6 : 1 vv). Minder concreet wordt ingegaan op geloften die gedaan zijn in persoonlijke omstandigheden. Uiteraard geldt ook hiervan dat ze verplichtend zijn en verder dient de betaling ervan te geschieden in het heiligdom des Heeren (Deut. 12 : 6, 11, 17, 26; in dit licht dienen we te lezen bijv. Ps. 22 : 26; 66 : 13; 116 : 14, 18). Wat opvalt zowel bij de gelofte van het Nazireërschap als de 'gewone' gelofte is het publieke karakter. De praktisering ervan zowel in het leven van de Nazireër als het betalen van de gelofte diende voor ieder zichtbaar te zijn. En zeker een Nazireër was door zijn uiterlijke kenmerken en levenswijze voor iedereen herkenbaar. Als het gaat over geloften die ingegeven zijn door bepaalde, vaak persoonlijk gekleurde omstandigheden denken we aan Jakob in Bethel (Gen. 28 : 20), Jephtha (Richt. 11 : 30, 39) en Hanna (1 Sam. 1 : 11). Wat we in het Oude Testament lezen over het sluiten van een verbond met God draagt vrijwel steeds een nationaal karakter. Eén keer lezen we dat het volk in z'n geheel een gelofte aflegt (Num. 21 : 2). Maar voor het overige wordt dat steeds in relatie gebracht met afzonderlijke personen. Terwijl in de verbondssluiting met God de afzonderlijke mens geheel opgaat in het volk. Begrijpelijk, als we bedenken dat de verbondssluiting van Gods kant op de Sinaï ook een nationaal karakter droeg. Elke verbondssluiting met God als vernieuwing van het Sinaï-verbond van de kant van het volk is daarop antwoord en dus ook nationaal. Daarbij blijken leidinggevende personen nogal eens gewicht in de schaal te leggen: Jozua (Joz. 24 : 24 vv), koning Josia (2 Kon. 23 : 2 vv) en koning Jehizkia (2 Kron. 29 : 10 vv). Door de ervaringen in ballingschap wijs geworden, komt het volk er in later dagen uit eigen beweging toe een verbond met God te maken (Neh. 9 : 38; 10 : 29).
Bij alle overeenkomst tussen het doen van geloften en de verbondssluiting zijn dit opvallende verschillen dat het eerste door persoonlijke omstandigheden wordt ingegeven en bij de uitvoering aan duidelijke regels wordt gebonden. Terwijl het tweede veel meer een nationaal karakter draagt zonder aan nauwgezette regelgeving te zijn onderworpen. Dit laatste hangt weer samen met het nationale karaktervan de verbondssluiting op Sinaï, waarbij de Decaloog als verbondswet inhoud en regel van deze en elke volgende verbondssluiting is.

Bijbelse gegevens: Nieuwe Testament
Vergeleken bij de oudtestamentische gegevens lijken die van het Nieuwe Testament in het niet te verdwijnen. Slechts tweemaal horen we van het doen van geloften. In Hand. 18 : 18 meldt Lukas dat Paulus zijn hoofd te Kenchreën geschoren heeft omdat hij een gelofte had gedaan. Aangezien dit gebruik samenhangt met het aflopen van de tijd dat iemand zich op een bijzondere manier aan de Heere heeft gewijd, lijkt die gelofte betrekking te hebben op een (tijdelijk) Nazireërschap. Verder komt het nog eenmaal ter sprake in Hand. 21 : 21 vv. Paulus is terug in Jeruzalem. Voor Jakobus en de ouderlingen van de Jeruzalemse gemeente is dat reden om enige voorzichtigheid te betrachten ten aanzien van Paulus. Veel Jodenchristenen te Jeruzalem verdenken hem ervan dat hij de Joden in de Diaspora van de Mozaïsche wetten afbrengt. Om duidelijk te maken dat deze verdenking elke grond mist, stellen Jakobus en de ouderlingen Paulus voor dat hij zich zal voegen bij een viertal mannen die kennelijk de gelofte van het Nazireërschap hebben afgelegd. Juist dit betalen van een gelofte als bevestiging van het Jood-zijn en het in tact laten van de Mozaïsche wetgeving, zou een doorslaggevend bewijs kunnen zijn dat we te maken hebben met een specifiek Joods gebruik. Een gebruik dat met het terzijde stellen van de Mozaïsche wetten door de vervulling in Christus derhalve met een gerust hart kan worden nagelaten door elke nieuwtestamentische christen. Toch zijn er enkele argumenten die ons afmanen van zo'n gemakkelijk terzijde stellen van wat 'slechts' Joods erfgoed lijkt. Paulus weet wat de Mozaïsche wetten waard zijn als het gaat om hun verdienstelijk karakter. Alles waarvan hij voorheen meende dat het de schaal der verdienste in zijn voordeel deed doorslaan, is hem tot schade geworden, gelet op de uitnemendheid van Christus (Fil. 3 : 7 vv). Toch stelt hij om die reden, blijkens Hand. 18 : 18, het afleggen van een gelofte niet buiten werking. Ook al meldt Lukas ons niet waarom Paulus een gelofte heeft afgelegd, het simpele feit dat hij er melding van maakt, doet vermoeden dat het geen bijkomstigheid is, maar voor Paulus waarschijnlijk samenhangt met de goede voortgang van het werk des Heeren. En aangezien Lukas bij het schrijven van zijn Evangelie en het boek van de Handelingen der Apostelen geen ander doel voor ogen heeft gehad dan daarvan verslag te doen, zou dat de reden kunnen zijn dat hij deze bijzonderheid meldt als een zaak van belang voor het geloofsleven.
Wat het laatste betreft, het belang van geloften voor het geloofsleven, merken we nog op dat er genoeg oudtestamentische teksten zijn waarin de gelofte en het verbondmaken niet genoemd worden, terwijl de zaak zelf zonder meer aanwezig lijkt. Later krijgen we zulke teksten nog onder ogen, maar nu al kan gezegd worden dat het daarin gaat om het hart van het geloofsleven: het aannemen van de Heere tot een persoonlijke God. De beslissende vraag of het verbondmaken met de Heere uitsluitend een oudtestamentische en dus afgedane zaak is, valt dan ook samen met de vraag of het leven des geloofs vóór en nà Christus' komst wezenlijk verschilt. Daarop is maar één antwoord: nee! En alsof dat alles niet genoeg is: één blik op de kerkgeschiedenis leert ons dat periodes waarin het afleggen van geloften en/of het sluiten van een verbond met God (vaak samen met vasten en bidden) bepaald niet behoren tot de slechtste tijden van de kerk in binnen- en buitenland.

Historische achtergrond
Wat moeten we ons precies voorstellen bij de persoonlijke verbondssluiting? En hoe heeft de plechtige verklaring voor Gods aangezicht in het verleden gefunctioneerd? Om dergelijke vragen te kunnen beantwoorden, is het wellicht beter eerst iets te proeven van het klimaat waarin deze uitingen van het geestelijk leven hebben gedijd. We ontkomen er dan niet aan om terug te zien naar het verleden. Nu is het niet de bedoeling hier een volledig historisch overzicht te geven, maar slechts enkele lijnen te trekken waarlangs de ontwikkeling van het persoonlijk verbondmaken met God heeft plaatsgevonden. Waarbij we ook kijken naar de situatie in ons eigen land. Toen hiervóór de naam van William Guthrie (1620-1665) is genoemd, werd al iets gezegd over de herkomst van dit gebruik. De schrijver van het hierboven aangehaalde boek 'Des Christens groot interest' is in Schotland geboren en heeft daar ook als predikant gewerkt. Naast Schotland dient ook Engeland genoemd. Het lijkt er op dat de invloed vanuit Engeland zelfs oudere papieren heeft dan die uit Schotland als het gaat om buitenlandse invloeden in dezen op Nederlandse bodem. Als we uitsluitend in Nederland blijven, komen we terecht bij Willem Teellinck (1579-1629), de Middelburgse predikant die beschouwd kan worden als één van de voornaamste vertegenwoordigers van wat genoemd wordt de Nadere Reformatie, de nà de Reformatie zo belangrijke kerkelijke beweging in Nederland in de 17e en de 18e eeuw. Willem Teellinck wordt zelfs gezien als de grondlegger van deze beweging (zo J. van der Haar, Schatkamer van de Gereformeerde Theologie in Nederland, Veenendaal, 1987, p. 470). Als geen ander heeft hij het belang van voortgaande reformatie van het kerkelijk en persoonlijk leven in het begin van de zeventiende eeuw onderkent en benadrukt. Terwijl hij er in zijn eigen leven op een voorbeeldige wijze gestalte aan heeft gegeven.

P. van der Kraan, Bleskensgraaf

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Een vergeten hoofdstuk uit het geloofsleven? (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's