Om het hart van het Evangelie (1)
Hart
'Hoe zondiger, ellendiger en bedrukter iemand is – en zich ook als zodanig beoordeelt –, hoe gewilliger Christus is om hem aan te nemen en te helpen. Ja, laat ik maar zeggen: hoe groter iemands zonden zijn, hetzij in aantal of in ernst, hoe meer moest hij zich haasten om tot Christus te komen'. Deze en dergelijke woorden staan te lezen in een fascinerend geschrift, dat in 1645 onder de initialen E. F. (hoogstwaarschijnlijk: Eduard Fisher) te Londen het licht zag, met als titel The Marrow of Modern Divinity (Het merg van nieuwe godgeleerdheid). Het liet diepe sporen na. Tot in onze tijd weet het de geesten te boeien. Daarvan getuigt o.a. het feit dat ds. C. Harinck er recent een kerkhistorische studie aan heeft gewijd; een studie die qua stijl verzorgd en toegankelijk, qua opbouw doordacht en doorzichtig en qua inhoud gedocumenteerd en informatie mag heten.
Wat mij erg aanspreekt in dit belangwekkende boek is de mengeling van wetenschappelijke distantie en persoonlijke betrokkenheid. Objectief geeft Harinck inzage in de standpunten en argumenten, die de tegenstanders van The Marrow bewogen om het af te wijzen, maar meteen laat hij – doorgaans onuitgesproken – in zijn hart kijken. Zijn sympathie ligt onmiskenbaar bij The Marrow en bij de verdedigers ervan, de zogeheten Marrow-men (Marrow-mannen). Die voorkeur wordt trouwens al opgeroepen door de suggestieve titel, die hij zijn studie meegaf: Om het hart van het Evangelie. De auteur is ervan overtuigd dat niets minder dan dit in het geding was en door de Marrow-men werd beleden. Deze zienswijze deel ik met hem. Wat dit hart dan uitmaakt, – daarvan legt Harinck breedvoerig verslag af. Om tot het lezen daarvan te stimuleren, geef ik een voorproefje.
Conflict
In het Engelse taalgebied is het Marrow Conflict diepgaand bestudeerd. In Nederland bleef het onderzoek beperkt. Met ere maken we overigens melding van het waardevolle overzicht dat in 1971 verscheen van de hand van drs. M. D. Geuze in Theologia Reformata en van de informatie, die zowel dr. P. H. van Harten bood in zijn dissertatie (1986) over de gebroeders Erskine (behorend tot de Marrow-men) als prof. dr. C. Graafland in het vierde deel van zijn Van Calvijn tot Comrie. Harincks opzet is evenwel omvangrijker. Aan de hand van de bronnen alsook van veel Engelstalige secundaire literatuur komt hij tot een breedvoerige behandeling van de voorgeschiedenis, inhoud en doorwerking van The Marrow. Uit de geschetste historische context wordt duidelijk hoe het mogelijk was dat dit kostbare geschrift, dat aanvankelijk een gretig onthaal vond en binnen 25 jaar negen herdrukken beleefde, de aanleiding werd tot een diepgaand conflict, toen het zo'n driekwart eeuw na verschijning opnieuw werd uitgegeven, nu in Schotland. Het theologisch klimaat was van dien aard, dat The Marrow er niet in paste. En dat niet omdat dit boek een onreformatonsch geluid liet horen, maar andersom, omdat het op een aantal kruispunten inzichten vertolkte, die onversneden reformatorisch waren. Dat strookte niet met de trend van de gangbare theologie.
Driestromenland
Wat was het geval? Zonder ons hier gedetailleerd met namen en publikaties in te laten, kan als globale aanduiding gelden, dat de Schotse kerk, die zo'n gezegende bloei had gekend, echter rond de overgang van de 17e eeuw naar de 18e eeuw veel van haar oorspronkelijke bezieling kwijt was geraakt. Toen Schotland onder William en Mary tot één koninkrijk met Engeland werd verenigd, deed de invloed van de Engelse episcopalen zich gaandeweg meer gelden. Theologisch laten zich drie stromingen onderscheiden.
Ten eerste die van het anti-nomianisme, een richting die het overwicht van het Evangelie in het genadeverbond dermate verabsoluteerde, dat zij te kort deed aan de blijvende betekenis die de Wet, zowel in de zondekennis als in de heiliging, toekomt.
De tweede stroming vormde hierop een reactie, het zogenoemde neo-nomianisme, waarin – zonder overigens Arminius toe te vallen – juist alle nadruk werd gelegd op de noodzaak van boetvaardigheid, geloof en bekering, als de voorwaarden waaraan de mens, naar de regel van het nieuwe verbond, had te voldoen om in de rechtvaardiging te delen. Men sprak van de Nieuwe Wet, of de Wet van Christus.
De derde richting wordt aangeduid met de benaming hypercalvinisme. In dit stelsel nam de predestinatie – in haar dubbelgestalte van verkiezing en verwerping – zo'n overheersende plaats in, dat het algemene aanbod van genade werd ontkend en de oproep tot geloof strikt werd beperkt tot hen die reeds tekenen van hun verkiezing vertoonden, m.n. verslagenheid van hart. Tot deze constructie kwam men vanuit de (dubieuze) ordinair logische grondstelling, dat God nimmer genade aanbiedt aan mensen, die Hij niet voorgenomen heeft te zaligen, omdat God nu eenmaal niet bedrieglijk kan handelen. Het is een geluid dat ook in onze tijd nog niet verstorven is…
In dit driestromenland (men zou er het Arminianisme aan toe kunnen voegen) moest de Schotse synode leerstellige leiding geven. Maar neutraal was zij daarbij niet. Het kan immers niet worden ontkend dat de koers, die zij vaarde voornamelijk werd bepaald door angst voor het antinomianisme en derhalve door sympathie voor het neonomianisme. De Marrow-men zouden er achter komen!
Reformatorisch alternatief
Er waren mannen, die zich in geen van de drie genoemde richtingen konden vinden, mannen wier geestelijke antenne was afgestemd op de reformatoren en de vroege puriteinen. Zonder in de uitersten van het antinomianisme te vervallen, huldigden toch ook zij een radicaal Evangelisch ontwerp van prediking en theologie. De genade predikten ze vrij. Omdat er rond de term 'vrije genade' nogal was misverstand heerst, lijkt het me dienstig hierbij een korte toelichting te geven. Ook de hypercalvinisten stelden (en stellen) dat de genade vrij is. Maar zij vullen het dan vooral in als: vrijmachtig, soeverein. De term krijgt dan nagenoeg de gevoelswaarde van: willekeurig, onberekenbaar. Men heeft maar af te wachten… Maar dit was nu juist niet de bedoeling van de predikers, die later de Marrow-men zouden worden genoemd. Dìe verstonden onder vrije genade veeleer genade, die niet alleen kosteloos en onvoorwaardelijk, maar ook rijk en ruim wordt uitgedeeld. Tekenend voor de mate waarin de toenmalige Schotse kerk aan de hoogte van de Reformatie ontzonken was, is dat menigeen deze genadeprediking niet meer als voluit Bijbels en authentiek reformatorisch verstond. Wat het hart van de gepredikte Evangelie uitmaakt, werd voor antinomiaans versleten.
Voor de bedoelde genadepredikers was dit oordeel onverdraaglijk. Eén van hen verzucht: 'Het is geen kleine ergernis dat sommigen zo bedillerig zijn, dat ze geen dienaar kunnen horen over de vrijheid van Gods genade, over de toerekening van Christus' gerechtigheid, over het louter en alleen geloven in Hem tot gerechtigheid en eeuwig leven, over de onmogelijkheid van de natuurlijke mens om iets goeds te doen voordat hij in Christus is, over de onmogelijkheid van het vermengen van menselijk werk met Christus' gerechtigheid in de rechtvaardiging voor God en verscheidene zaken meer, of zo iemand wordt onmiddellijk een antinomiaan genoemd of ervan verdacht zulks te zijn. Indien wij zeggen dat het geloof in Jezus Christus noch een werk noch een voorwaarde is, maar slechts een instrument dat ontvangt (zoals de lege hand van een bedelaar een aalmoes ontvangt) en dat in deze daad een verzaking ligt van alle dingen behalve de gave van Gods genade, dan wordt het vuur ontstoken'. Men proeft de verontwaardiging.
Zowel neonomianen als hypercalvinisten maakten, ieder vanuit eigen gezichtshoek, tegen een ruime genadeprediking kennelijk bezwaar. De schrijver gaat althans voort: 'Sommigen verlangen dat wij zullen ophouden met een vrije aanbieding van Gods genade in Christus te richten tot de grootste der zondaren. Dit kunnen wij niet doen, want dit is het getrouwe woord en aller aanneming waardig (en daarom al onze prediking ervan waardig), dat Christus Jezus in de wereld is gekomen om de zondaren zalig te maken, waarvan ik de voornaamste ben (…).
Zullen wij de mensen dan vertellen, dat zij niet in Christus moeten geloven, tenzij zij heilig zijn? Dat zij het niet op Christus moeten wagen voor hun zaligheid, tenzij zij daarvoor bekwaam zijn en geschikt (…)? Dit zou betekenen de prediking van het Evangelie geheel en al te verbieden, of de mensen te verbieden om in Christus te geloven. Want er was nog nooit enig zondaar in zichzelf geschikt. Christus is wel geschikt voor ons, maar een zondaar heeft buiten Christus geen geschiktheden voor Christus dan zijn zonde en ellende. Stel dat iemand zou menen voor Christus geschikt te zijn, – ik stel vrijmoedig vast, dat zo iemand nooit in Christus zou geloven noch kon geloven, want geloven is zich werpen op Christus tot behoud van reddeloos verloren en verdoemelijk zondaar'. Met dit lange citaat (Harinck, p. 142v.) is de positie van de Marrow-men treffend getekend. Wie de preken van Boston en van de Erskines las, hoort bekende klanken. En wie ze werkelijk hoorde, raakt ze nooit meer kwijt. In een
vervolg-artikel willen wij op de ontvangst en de inhoud van The Marrow ingaan.
A. de Reuver, Delft
N.a.v. het gelijknamige boek van C. Harinck, Houten 1994, paperback, 252 pagina's (met register), à ƒ 28,50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's