De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ik geloof het eeuwige leven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ik geloof het eeuwige leven

De Apostolische Geloofsbelijdenis (20)

15 minuten leestijd

We mogen wel zeggen dat het laatste artikel van de geloofsbelijdenis weinig gezocht is en laaggeprijsd staat. Er is weinig aandacht voor het artikel van het eeuwige leven en voor alles wat daarmee samenhangt. De verwachting van het eeuwige leven als levensbepalend uitzicht en doel, zoals het Nieuwe Testament daarvan spreekt, wordt weinig gevonden.
Dat alles past in een levensklimaat waarin geen plaats is voor een andere werkelijkheid dan die van het huidige aardse leven. Niet zo lang geleden toonde een onderzoek van 'In memoriams' de snelle teloorgang aan van het geloof in 'een eeuwig leven'. Naar aanleiding daarvan werden door de onderzoeker, prof. Dekker, enkele behartigenswaardige dingen gezegd. Gewezen werd op de verregaande consequenties die het wegvallen van het geloof in een eeuwig leven heeft voor kerk en geloof. Het is niet iets dat eenvoudig kan worden weggesneden, maar het is een kernelement van het christelijk geloof. Tevens wees hij op het verband tussen een orthodoxe opvatting van het leven na de dood en de drang tot zending, de behoefte anderen tot geloof te brengen.
Wie rondziet in eigen gemeente gevoelt weinig reden om hogere tonen aan te slaan. Hoe sporadisch is de 'overdenking van het toekomende leven' geworden in de christelijke gemeente, het verlangen naar de toekomstige heerlijkheid. En waar het gevonden wordt is er vaak alleen een denken aan eigen zaligheid, zonder de breedte en diepte van de bijbelse hoop.
Het is van groot belang het geloofsartikel van het eeuwige leven weer nieuw te verstaan en te beleven. Als het afdoende uiteindelijke antwoord van God op de nood van de zonde en de dood, het afdoend antwoord ook op alle vragen. Het eeuwig afdoend antwoord ook op de vraag: Wat baat het u dat gij dit alles gelooft?
Het is het artikel waarin de kerk als haar verwachting belijdt, in en tegenover deze wereld die in haar huidige gedaante voorbijgaat, dat God alles nieuw zal maken en naar Zijn doel zal leiden. Een artikel dat niet los verkrijgbaar is, maar enkel en alleen ontvangen wordt in de verbinding met Hem, de Opgestane, Die het leven is.

Leven
Leven, met dat woord eindigt de Apostolische Geloofsbelijdenis. Het is ook het laatste woord van het derde deel van deze belijdenis dat begint met de woorden: Ik geloof in de Heilige Geest. Het leven, het eeuwige leven, is de laatste weldaad die genoemd wordt van de door Christus verworven en door de Heilige Geest uitgedeelde weldaden. De weldaad dat ik léven mag!
Wat is leven? Leven mag die naam, bijbelsgelovig gesproken, slechts werkelijk dragen in verbinding met de God van het leven. Het leven komt van Hem en kan ook alleen gedijen in verbinding met Hem. Leven is in de Heilige Schrift nooit enkel het pure bestaan. En zo is ook 'dood' niet hetzelfde als einde van het bestaan. De verloren zoon heet dood, want gescheiden van de Vader. En Paulus schrijft aan de lezers van de Efese-brief, dat het Evangelie ze vond in een toestand van actieve dood, 'levend' in zonden en misdaden.
Wat is 'eeuwig' leven? Dat is leven zoals God het bedoelt, zonder einde, zonder zonde. Eeuwig leven is dan ook veel meer dan een leven van onbepaalde duur, onsterfelijkheid zonder meer, zoals het algemeen spraakgebruik suggereert. Het gaat om de kwaliteit van leven met God. Zo is het niet ontvangen van het eeuwige leven ook niet ophouden te bestaan, maar het is verloren zijn en verloren gaan.
'En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt' (Joh. 17 vers 3). De woorden 'het eeuwige leven' kunnen weergegeven worden met het ene woord 'eeuwigheidsleven' om aan te geven dat het om dat bepaalde in Christus gegeven leven gaat. Een leven in herstelde relatie met God. Het eeuwige leven is het eigenlijke leven, het volle leven, het waarachtige leven. Het is de verzekering van alle heifen de verzorging van alle goed. Daarom wordt in het Nieuwe Testament dikwijls niet 'eeuwig leven', maar eenvoudig 'leven' gezegd. Dat leven mag hier al beginnen, en het zal noch een keer, noch een einde nemen.
Dit eeuwige leven is verworven door de Heere Jezus Christus. Hij heeft de zonde gedragen, de dood overwonnen en het eeuwige leven aan het licht gebracht. Toen Hij opstond uit de doden en in Zijn verschijningen het eeuwige leven te zien en te tasten viel, zodat wie in Hem gelooft die heeft het eeuwige leven en komt niet in de verdoemenis.

Reeds en toekomstig
De geloofsbelijdenis denkt bij 'het eeuwige leven' vooral aan de toekomst van God, wanneer dit leven met God in alle volheid, volkomenheid en storeloosheid zal aanbreken. Tegelijk mag ook het hier en nu, het heden, van het eeuwige leven worden onderstreept. Het wordt niet pas in de hemel, of bij de opstanding ontvangen, het begint nu al. Terwijl de hoop zich uitstrekt, mogen geloof en liefde er gelukkig nu al veel van weten en het Woord zegt het en belooft het.
Als we met Christus sterven en opstaan krijgen we in dit aardse leven al deel aan het eeuwige leven. Dan vangt aan wat de Catechismus noemt: 'het beginsel van de eeuwige vreugde', een leven van beginnende vreugde. Door de werking en inwerking van Woord en Geest gaan we over van de dood in het leven. Het Evangelie van Johannes betuigt nadrukkelijk het inéén van heden en toekomst. De ure komt en is nu! De ontmoeting met Jezus nu is van even groot belang als het uur van de opstanding. Christus neemt ons mee in een leven met Hem en daarin ligt een eeuwige toekomst door de dood heen. Leven geboren uit het sterven van Jezus. Leven gegrond op de gerechtigheid door Christus verworven.
De zonde is de oorzaak van de dood, de dood is het loon op de zonde, gerechtigheid is dat ik leven mag voor God! Waar vergeving der zonden is, zegt Luther, daar is leven.
Alles heeft dit ook te maken met de komst en werking van de Heilige Geest. De Heilige Geest Die verenigt met Christus. De Geest van de aanneming tot kinderen. De Geest Die onderpand is van de eeuwige erfenis (Ef. 1 :14). Paulus gebruikt soms het woord 'arraboon' als hij over de Geest spreekt, dat wil zeggen: de aanbetaling die nu al gegeven wordt, en die de belofte is en draagt van het grote dat nog komt. De eerste termijn van de heerlijkheid wordt reeds ter hand gesteld! Deze Geest, door Wie immers Jezus uit de dood is opgestaan, woont nu in de gelovigen en is in hen, zegt Calvijn, 'een zaad van het leven dat niet sterft'. In de Geest, Die ons verenigt met de Opgestane, is het leven van de nieuwe bedeling al in ons begonnen.

Intussen: er is nu nog het leven in de werkelijkheid van ons aardse leven, getekend door het zondaar-zijn en door de dood. De gelovigen zijn tot de erfenis gesteld, maar ze hebben die nog niet ontvangen. Het is een hebben, maar ook nog een hopen. Er is de eenheid met Christus door de Geest in het geloof, maar het is alles zo verborgen. Er is een leven met Christus, maar onder de scherpste tegenstand van zonde, dood en duivel. De Geest strijdt tegen het vlees. En de kerk is strijdende kerk en lijdt zover ons oog reikt, nederlaag op nederlaag. Toch, de hoop is gegronde hoop, want de Geest is als eerste gave reeds ontvangen. En Hij doet ook af en toe al iets ervaren van de heerlijkheid die wacht. Als Hij iets zichtbaar maakt in mensenlevens van het nieuwe leven. In de heiliging die zich heen strekt naar de verheerlijking. In woorden en daden van geloof, in mensen die overgaan van de dood in het leven. Het zijn tekenen, vóór-tekenen, van het leven van de toekomende eeuw.
Voor alles geldt: zien op Jezus. Want Hij komt. Niet het eeuwige leven en de eeuwige heerlijkheid op zich zijn het voorwerp van geloof en hoop, maar het leven door en in Hem. Een christen is iemand die niet op iets wacht, hoe heerlijk ook, maar op Iemand. En als Hij geopenbaard zal zijn, zullen we ook met Hem geopenbaard worden.
Christus komt en zal in Zijn heerlijkheid Zijn hele gemeente, ja de hele schepping doen delen. Over die onthulling in het rijk der heerlijkheid, dat is het waar het laatste artikel van het Apostolicum over spreekt.

Alles te boven gaand
Met grote terughoudendheid mag iets worden gezegd over de toekomstige heerlijkheid. Hoe weinig het eeuwige leven met een wensdroom of gekoesterde fantasie te maken heeft, bewijst wel de soberheid en de afwezigheid, zowel in de Geloofsbelijdenis als ook in de Heidelbergse Catechismus, van iedere uitweiding. Is het niet opdat het straks te meer zal zijn: Hier weidt mijn ziel met een verwond'rend oog?
Het gaat tenslotte in het eeuwige leven ook niet om een toestand die men zou kunnen beschrijven. Waar het om gaat is het zijn bij de Heere. Hem, na al wat in dit aardse leven van Hem werd verkregen in vergeving der zonden, liefde, hulp en zegen, eenmaal te mogen kennen en hebben in Zijn volle rijkdom.
Wat dat zal betekenen: een leven minus de zonde en de dood, dat laat zich in geen mensenwoorden van nu uitdrukken. Het laat zich enkel door het woord 'verheerlijking' aanduiden. Geen wonder dat vaak enkel wordt gezegd wat het niet is en wat er niet meer zal zijn. God zal de tranen van de ogen afwissen. De dood zal niet meer zijn.
Tegelijk wordt iets van de heerlijkheid in beelden aangeduid. De Openbaring van Johannes spreekt gedachten uit en reikt beelden aan om het onvoorstelbare enigszins tot ons te brengen. Beelden ontleend aan het paradijs, aan het aardse Jeruzalem, aan de tempel, aan de schepping zelf.
Het meest wezenlijke dat gezegd kan worden is dat geloven overgaat in aanschouwen.

Vernieuwing van de schepping
Als het eeuwige leven aanbreekt dan zal het weer zijn zoals de Schepper de schepping bedoelde toen Hij zag dat het goed was. En zoals Hij de mens bedoelde toen Hij hem schiep naar Zijn beeld. Leven zal weer leven zijn.
Toch zal het meer zijn dan enkel restauratie van de oorspronkelijke schepping. Het zal een reformatie zijn door de macht van Christus. Het einde keert terug naar het begin, maar het einde is meer. God zal alle dingen zo opzienbarend nieuw maken, dat het altijd nieuw blijft.
We mogen de verwachting van het eeuwige leven niet los maken van de verwachting van het Koninkrijk van God dat een nieuwe hemel, een nieuwe aarde en een nieuwe mensheid zal omvatten. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde en gerechtigheid alom. De door God geschapen wereld zal verlost worden van alle verderf, al gaat dat door het gericht heen.
Dat God zo Zijn schepping vasthoudt doet ons des te verantwoordelijker staan in de wereld waarin wij leven. Het is Gods wereld. Juist omdat een christen leeft bij de laatste dingen, leeft hij verantwoordelijk, wijs en vol hoop in het vóór-laatste.
Ook de zichtbare wereld wordt vernieuwd. De toekomstige zaligheid, het bij de Heere zijn, hoeft niet tot de hemel beperkt te blijven. De zachtmoedigen zullen de aarde beërven. Johannes ziet het nieuwe Jeruzalem neerdalen van God uit de hemel. En de beelden zijn heel concreet: een maaltijd waar men aanzit met Abraham, Izak en Jacob. Zo zal Hij het koninkrijk aan Israël en de volken weer oprichten.
Openbaring 21 en 22 geven het geweldige visioen van de stad van God. De stad waarin geen tempel is, waar geen aparte plaats meer nodig is om God te dienen, omdat het hele leven één lofzeggende eredienst is.
Bavinck schrijft: 'Alwat waarachtig is, alwat edel is, alwat rechtvaardig is, alwat rein is, alwat wel luidt in de ganse schepping, in hemel en aarde wordt in de toekomstige Godsstad samengebracht, maar vernieuwd, herschapen, tot hoger heerlijkheid bevorderd. Zoals koolstof zich omzet in diamant. Zoals een boom in de lente uitbot en herleeft. Zoals het opstandingslichaam opgewekt wordt uit het lichaam dat gestorven en in de aarde begraven is. Zo komt de nieuwe hemel en de nieuwe aarde tevoorschijn uit de door vuur gelouterde elementen'.

Voltooiing van de gemeenschap der heiligen
Geloven gaat over in aanschouwen. Dat geldt ook de Kerk van God. Zoals Christus als het Hoofd der kerk ten volle zichtbaar zal worden, zo wordt ook Zijn lichaam ten volle zichtbaar. De gemeenschap der heiligen komt in de ongestoorde gemeenschap met de Heere tot volle ontplooiing. Eén kudde en één Herder. Vervuld tot al de volheid van God. Om ten volle te begrijpen de breedte, lengte, diepte en hoogte van de liefde van Christus. De vraag: 'Wie en wat zal ons scheiden van de liefde van Christus?' zal ophouden een vraag te zijn. En dat geldt ook van de gemeenschap met elkaar, waar alle scheidende factoren van ras, taal, tijd, ruimte, zonde, dwaling, innerlijke afsluiting van de ander enz. zijn uitgebannen.
Zal er een weerzien, een herkennen zijn? Te zeer doen deze woorden aan aardse verhoudingen denken. De betekenis van de voltooide gemeenschap der heiligen is veel meer dan een 'weerzien', een 'elkaar terug hebben'. Het is een nieuw verheerlijkt samen-zijn in de volkomen kennis en ervaring van de heerlijkheid van God in Christus, zonder dat de persoonlijkheid wordt uitgewist. Van allen zijn de namen immers geschreven in het boek des levens des Lams?
Op grond van de rechtvaardiging is het eeuwige leven voor ieder die het ontvangt één en dezelfde gave van God, zonder een meer of een minder. Tegelijk mag er gedacht worden aan een zekere verscheidenheid, zoals die er ook nu is in levensroeping en in genadegave. Een begenadiging al naar roeping, offer, lijden en beproefdheid, naar wat om Jezus' wil is geleden. En hoe zal van afgunst sprake kunnen zijn, waar de genade van Christus overvloedig is in allen en de liefde een en al is.

Gemeenschap met God
Het eerste en eigenlijke van het eeuwige leven is de gemeenschap met God. Aan Hem geeft het eeuwige leven deel. Rijker, dieper dan ooit op aarde zijn kon, onmiddel-lijk, zuiver en ongestoord. Een kennen gelijk wij gekend zijn. Hem schouwend. Hem genietend, een in Zijn gemeenschap zalig zijn.
Maar ook in het eeuwige leven doordringt het menselijk oog Gods wezen niet. Het 'aanschouwen' is niet het zien van het ongeschapen Licht dat God Zelf is. Het mag een zien zijn in het aangezicht van Christus van de heerlijkheid van de Vader.
De gemeenschap met God is geen werkloos zijn. Het eeuwige leven is pas leven! Gevuld en vervuld. Vol van het kennen van God, vol van het dienen van God. Een leven gekenmerkt door de liefde. Een leven van loven en prijzen. Een leven van vreugde. Het eeuwige leven is een eeuwige vreugde. Een hartelijke eeuwige vreugde in God. De levende, ja de levende, zal U loven!

Verblijdt u in de hoop
Het Apostolicum is belijdenis van het geloof Het is evenzeer belijdenis van de hoop! De hoop op de toekomst die gereed ligt voor allen die de Heere hebben lief gekregen. De apostel Paulus roept ons op ons te verblijden in de hoop. Dé hoop, de hoop die gepredikt en ontvangen wordt. Elke dag tornt die hoop op tegen de werkelijkheid van ons hart, van de kerk, van de wereld, van die diepe tweespalt die het christenleven nog zo kenmerkt. Maar de hoop legt zich er niet bij neer, legt zich nergens bij neer, maar richt zich op de belofte van God die reikt tot in het eeuwige leven, tot in een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Waar die hoop vervaagt, verdwijnt ook de blijdschap. Ook Petrus roept ons op ons te verblijden in de hoop. En hij zegt dat in een context van verdrukking. Ook vandaag de dag gaat de kerk in de verdrukking ons vaak beschamend voor in deze blijdschap van de hoop.

Tot slot
Ook het artikel van het eeuwige leven staat onder het voor-teken: credo, ik geloof. Dat wil ook zeggen: wie niet gelooft, de toorn van God blijft op hem, de verlorenheid wacht hem. De geloofsbelijdenis spreekt daar hier niet van. Duidelijk is wel dat de donkere ondertoon 'onder alles door moet worden gehoord' (Calvijn). Zalig is, zalig wordt, wie gelooft. Als de Schrift over het einde spreekt is het nooit een mededeling, maar altijd een oproep, de vraag om ons nu met God te laten verzoenen.

Ik wil eindigen met het prachtige beeld dat Newbigin ergens geeft van het leven en getuigen van de hoop. Hij vertelt dat ze naar het westen gingen en in de vroege ochtend komen ze een groep mensen tegen die de andere kant opgaan. Over hun gezicht ligt een vage lichtglans. Als we aan hen zouden vragen: 'Waar komt dat licht vandaan?' zullen ze slechts vragen ons om te keren en naar het oosten te kijken net als zij. Een nieuwe dag breekt aan. En het licht dat we zagen is enkel de vage weerschijn op de gezichten van hen die die kant opgaan. Zij bezaten dat licht niet; het werd hun gegeven. De kerk is die groep mensen, die een andere kant dan de meerderheid opgaat. Ze kijken niet van het leven naar de dood, maar van de dood naar het leven en ze ontvangen reeds de eerste gloed van de nieuwe dag. Het is dat licht, dat het getuigenis is. Psalm 89 zingt:
'Zij wand'len, Heer, in 't licht van 't godd'lijk aanschijn voort…
Uw goedheid straalt hun toe!

H. F. Klok, Nunspeet

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1994

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Ik geloof het eeuwige leven

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1994

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's