Hoofdmomenten van het lied in de christelijke gemeente in Nederland (1)
(Lezing gehouden op de studie-ontmoetingsdag op dinsdag 3 mei 1994 in De Schakel te Nijkerk)
DRIE PSALMBERIJMINGEN
Een verontwaardigde stadhouder
Zondag 18 juli 1773 was voor stadhouder Willem V een dag van grote ergernis. Die ergernis had te maken met een kerkdienst die hij op die dag bijwoonde in een van de kerken te Den Haag, waarin de voorzanger couplet 33 van Psalm 78 in de berijming van Datheen aanhief, dat in een modernere uitgave als volgt luidt:
Maar gelijk een dronkig mensch hem opmaket,
Als de wijn wel verteerd is, en ontwaket,
Die zeer luid tiert en maakt een zeldzaam wezen,
– Alzoo is ook onze God opgerezen.
En sloeg 't achterdeel der vijanden kwaad,
't Welk hen een eeuwige schond is en smaad.
In dit vers wordt God die opstaat tegen de vijanden van Zijn volk vergeleken met een dronken man die opstaat en luid tiert! Zo'n vergelijking was voor de stadhouder niet acceptabel en zijn verontwaardiging is alleszins begrijpelijk. Demonstratief sloot hij zijn psalmboek en legde het weg. Deze reactie van de stadhouder is in feite een samenballing van twee eeuwen onvrede met de berijming van Datheen, die in 1566 was verschenen en spoedig door de calvinisten in de Nederlanden werd aanvaard, een berijming die in een aantal opzichten gebrekkig was en daardoor met name gemeenteleden met enige ontwikkeling vanaf het begin niet voldeed. En die onvrede nam in de 17e en 18e eeuw alleen nog maar toe.
Maandag 19 juli 1773 was – in tegenstelling tot de zondag ervoor – voor de stadhouder een dag van groot genoegen. Op die dag bood de commissie die vanaf januari intensief was bezig geweest met een nieuwe psalmberijming ter vervanging van die van Datheen, de voltooide tekst aan van de Staatsberijming (zo genoemd omdat de commissie door de Staten-Generaal was ingesteld). Het is de berijming die wij thans de Oude Berijming noemen en die dus tot stand is gekomen 'volgens Resolutie van hunne Hoog Mog. Heeren Staaten-Generaal der vereenigde Nederlanden'. Bij die plechtige bijeenkomst was de stadhouder aanwezig en ongetwijfeld is zijn demonstratief gebaar tijdens de kerkdienst op zondag 18 juli van dat jaar beïnvloed door de wetenschap dat Datheens berijming nu weldra niet meer gezongen zou worden in de Gereformeerde (Hervormde) Kerk.
Drie hoofdmomenten
Onze Nederlandse Hervormde Kerk, voortgekomen uit de Reformatie, kent in haar geschiedenis drie officieel aanvaarde en algemeen ingevoerde psalmberijmingen. Deze drie vormen de hoofdmomenten die ik hier aan de orde stel, voornamelijk in de vorm van een historisch overzicht, met hier en daar wat persoonlijke kanttekeningen.
Met de hiervoor beschreven gebeurtenis is al één van de drie hoofdmomenten aangeduid: de totstandkoming van de berijming van 1773. Een ander hoofdmoment is ook al genoemd: de berijming van Datheen uit 1566, die ruim twee eeuwen standhield. Het derde hoofdmoment is de totstandkoming van de Nieuwe Berijming, die in 1968 in definitieve versie verscheen, na in 1967 door de Synode aanvaard te zijn. Drie hoofdmomenten dus, met steeds ongeveer twee eeuwen als tussentijd: 1566, 1773, 1967. Het zijn momenten die gekoppeld zijn aan de Psalmliederen. Juist deze nemen immers sinds de Reformatie in de gemeentezang binnen de kerken van calvinistische signatuur een centrale plaats in. De geschiedenis van de Gezangen en de soms onverkwikkelijke gezangenkwestie blijven hier grotendeels buiten beschouwing.
Invloed van de Reformatie
De Reformatie betekende in vele opzichten een radicale ommekeer. Twee elementen zijn, als het gaat om de gemeentezang, van grote betekenis geweest: (1) de herontdekking van de Hellige Schrift – het 'sola Scriptura' – en (2) het inschakelen van de gemeente in de kerkdienst door het zingen van liederen in de landstaal (in plaats van zang door een koor in het voor de gemeente onverstaanbare Latijn).
Wat het eerste betreft: het wemelt in de zestiende eeuw van geestelijke liedbundels die al in de titel de nauwe band met de Heilige Schrift kenbaar maken. Titels als 'Veelderhande Gheestelicke Liedekens wt den Ouden ende Nieuwen Testamente' – een bundel uit 1563 – spreken voor zichzelf. De Schrift die herontdekt was, moest nadrukkelijk doorklinken in het geestelijke lied. Over deze 'Schriftuurlijke liedekens' handelt de dissertatie van B. Hofman uit 1993: Liedekens vol gheestich confoort. Een als Marnix van Sint Aldegonde in 1591 behalve zijn herziene psalmberijming ook een aantal bijbelse lofzangen uitgeeft, noemt hij ze 'Schriftuerlicke Lof-Sangen'. De herontdekking van de Schrift heeft belangrijke konsekwenties voor het geestelijke lied, ook voor die liederen die wij 'gezangen' noemen.
Een tweede belangrijk punt is de gemeentezang in de kerkdienst. Luther was tot het inzicht gekomen dat de gemeente zelf in de liturgie een plaats moest krijgen en dat het zangerskoor de gemeente niet mocht vervangen. Calvijn dacht er net zo over. In 1538 wordt hij, na zijn eerste verblijf in Genève, predikant van de Franse vluchtelingengemeente te Straatsburg. In Straatsburg, een vrije Duitse Rijksstad die voor vele vervolgden vanwege het geloof een toevluchtsoord was, was hij ook daarvoor al korte tijd geweest en toen al had hij kennis gemaakt met de gemeentezang die daar door Bucer was ingevoerd. Hij was er zeer van onder de indruk en wat in Genève in eerste instantie niet gelukte, deed hij in Straatsburg voor de Franssprekende gemeente: hij nam de gemeentezang over van Bucer en al in 1539 heeft hij zijn eerste gezangboekje voor de Franse gereformeerden gereed: Avlcvns pseaulmes et cantiques mys en chant ('Enige psalmen en gezangen op melodie gezet'). Het boekje bevatte 19 psalmen – dertien van Marot, vijf van Calvijn zelf en één onberijmde psalm – en drie gezangen. Dit boekje was een bescheiden begin. Het zou uitgroeien tot een volledig psalmboek, het 'Psautier huguenot', dat ook voor de Nederlanden van grote betekenis is geworden.
De gereformeerde traditie
De gereformeerde traditie vertoont ten aanzien van de gemeentezang in grote mate een eenheid: de psalmen staan centraal. Beroemd zijn geworden de woorden van Calvijn uit zijn voorrede in het Geneefse kerkboek uit 1543:
'… nous ne trouverons meilleures chansons ne plus propres pour ce faire, que les pseaumes de David, lesquels Ie sainct Esprit luy a dictez et faits.'
In de woorden van Marnix van Sint Aldegonde, die Calvijns voorrede onder de titel 'Aen alle Christenen ende Liefhebbers des woorts Godes' aan zijn eigen psalmberijming laat voorafgaan, luidt dit als volgt:
'… so en sullen wy geen betere noch bequamere liedekens daer toe vinden dan de Psalmen Davids, de welcke de heylighe Gheest hem heeft ghedicteert, ja selve ghemaeckt.'
Niettemin kunnen we, als we de historie recht willen doen en ik denk daarbij met name ook aan de 16e eeuw, binnen die gereformeerde traditie een zekere nuancering onderscheiden. We zouden kunnen spreken van een smallere en een bredere traditie.
Die twee verschillen niet in opvatting over de centrale plaats die de psalmen – in de zestiende eeuw meestal aangeduid met 'Psalmen Davids' – dienen in te nemen. Alleen is er in de smallere gereformeerde traditie naast de psalmen slechts plaats voor de enkele Schriftgebonden liederen – men denke aan het Geneefse kerkboek van Calvijn, waarin ook enkele gezangen voorkomen zoals een berijming van de Tien Geboden en de lofzang van Simeon, en aan onze 'Enige Gezangen' die deze door Calvijn ingezette lijn voortzetten. In de bredere gereformeerde traditie is er naast de psalmen ruimte voor wat meer Schriftgebonden liederen. Op die lijn zat Bucer in Straatsburg en bij ons Marnix.
Ik wees er reeds op dat Marnix in 1591 achter zijn herziene psalmberijming opnam 'Het Boeck der Heylige Schriftuerlicke Lof-Sangen'. Aan die titel voegt hij toe: 'uyt den ouden ende nieuwen Testamente by een getogen' en hiermee geeft hij te kennen dat deze lofzangen geen vrije geestelijke liederen zijn, zoals bijvoorbeeld in de Lutherse traditie het geval is, maar bijbelse of Schriftgebonden liederen. Het zijn er bij elkaar 21, met vooral ook aandacht voor het Oude Testament, zoals de lofzangen van Mozes, Deborah, Hanna en Jona. Marnix had geen enkele behoefte aan vervanging van de psalmen. De berijming daarvan is zijn levenswerk geweest. De 'Psalmen Davids' achtte hij net zo hoog als Calvijn en hij citeert Calvijn met instemming. De Psalmen plaatste hij in zijn uitgave van 1591 voorop en de Lofzangen daarachter. Alleen was Marnix van mening dat er in de bijbel meer lyrische, poëtische gedeelten voorkomen dan alleen in de Psalmen – en daarin heeft hij volkomen gelijk – en daarvan heeft hij er een aantal berijmd. Het criterium voor Marnix was of de liederen die hij gaf 'getogen' waren 'uyt den ouden en nieuwen Testamente'. In zijn eigen voorrede uit 1591 stelt hij dat hij het uiterst gevaarlijk vindt om in Gods Gemeente iets in te voeren 'dat niet eygentlick op de heylige ende alleen geloofweerdige Schriften des ouden ende nieuwen Testaments gegrondet zij'.
In de recente brochure van het Hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond – Verlegen om geestelijke opleving – kom ik in feite dezelfde gedachten tegen: 'Daarom zal de hervormd gereformeerde beweging in brede zin niet alleen gekenmerkt zijn door louter het (laten) zingen van de psalmen, maar zullen daarbij niet uitgesloten zijn diegenen, die bijbelse prediking onderstrepen met het Schriftgebonden lied. Met bijbelliederen zou de bundel 'Enige Gezangen' uit te breiden zijn'. Ik denk dat Marnix zich in deze formulering goed had kunnen vinden.
J. de Gier, Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's