De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Om het hart van het evangelie (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Om het hart van het evangelie (2)

11 minuten leestijd

Lof en blaam
De aanleiding tot de heruitgave van The Marrow was een voorval in het leven van Thomas Boston van Ettrick. Eind 1700 bracht hij een bezoek bij een van zijn gemeenteleden. In diens woning trof hij een exemplaar van The Marrow aan. Het was een ontdekking. In zijn Dagboek schrijft hij erover: 'Ik vond dat het de punten benaderde waarnaar ik op zoek was (…), zodat ik me erover verheugde als in een licht dat de Heere te rechter tijd in mijn duisternis liet opgaan'. Hij gaf zijn ervaring door aan een geestverwante collega en het duurde niet lang of het geschrift werd opnieuw gepubliceerd. Het vond hartgrondige bijval, maar niet minder onverhulde blaam. Een kleine groep sympathisanten verdedigde het met verve, maar de Synode veroordeelde het krachtig. Hoog liep de zaak op.
Twaalf predikanten, onder wie James Hog, Thomas Boston en de gebroeders Ralph en Ebenezer Erskine – die al spoedig de Marrow-men werden genoemd – vervaardigden een schriftelijk protest tegen de stellingname van de Synode. Na een langdurige, niet altijd faire procedure, die door Harinck boeiend wordt verslagen, werd de aanvankelijke synodale veroordeling van The Marrow definitief bevestigd (1722). De Marrow-broeders kregen de vermaning om op hun dwalingen terug te komen. Maar dat was hun onmogelijk. Integendeel, The Marrow trok onuitwisbare sporen in hun prediking, zoals in de nagelaten werken van Boston en de Erskines met de handen te tasten valt.
Wat was nu de grief van de Synode tegen The Marrow? De Synode conformeerde zich aan de kritiek van James Hadow, rector van de theologische faculteit te St. Andrews. Deze aarzelde niet, het geschrift een produkt te noemen dat door het antinomianisme was besmet. Wanneer men bedenkt dat The Marrow goeddeels bestaat uit citaten van reformatoren en vroege puriteinen, kan dit oordeel verwondering wekken. Brengen we echter de bovengemelde verschuivingen in rekening, behoeft ons de verdenking tegen de reformatorisch georiënteerde Marrow toch niet al te zeer te verbazen. Voor het relaas van alle pro's en contra's verwijs ik naar het boek van Harinck. Fair geeft hij de standpunten weer. Ze betreffen de kwestie van de geloofszekerheid, de reikvwjdte van de verzoening, de plaats van de heiliging, de functie van vrees voor straf en hoop op beloning, en het gebruik van de Wet.
Ik volsta met twee belangrijke momenten uit de discussie naar voren te brengen, nl. de twee eerstgenoemde. Die, denk ik, zijn in het bijzonder van belang. In de eerste plaats omdat m.n. op deze punten de reformatorische gezindheid van de Marrow-men helder aan het licht komt; naar mijn inzicht namen ze met hun reformatorische uitleg van de Westminster Confessie een positie in, die ons het recht geeft om hun optreden voor een reformatorisch reveil te houden. In de tweede plaats meen ik dat deze thema's ook voor prediking en pastoraat van vandaag actueel zijn.

Geloofszekerheid
Ofschoon de Marrow-men niet ontkenden dat er een vorm van geloofszekerheid is die indirect (middellijk) tot stand komt, nl. aan de hand van de bij zichzelf waargenomen kenmerken, achtten zij deze toch van lagere orde. Voor de Synode daarentegen was deze indirect verkregen zekerheid onontbeerlijk en beslissend. De Marrow-men hechtten veelmeer aan het besef, dat de eigenlijke zekerheid van het geloof haar basis vindt buiten de mens (met zijn kenmerken), nl. in het aangeboden en toegeëigende Evangelie. Het is een zekerheid niet primair aangaande onze genadestaat, maar aangaande de geloofwaardigheid en waarachtigheid van het Evangelie. Ze komt direct, onmiddellijk tot stand, d.w.z. louter door het horen van het Woord dat door de Geest wordt verzegeld aan het hart. Deze zekerheid is niet een latere, extra toevoeging aan het geloof, maar is het geloof van meet aan eigen; geen plus, geen vrucht, maar behorend tot het wezen van het geloof. Dit geloof kan in de beoefening van de gelovige sterk of zwak zijn, schuchter of vrijmoedig, hooggestemd of bestreden, maar onzeker is het niet. Dat zou in strijd zijn met de aard van de belofte waarop het steunt. Omdat het Woord Gods als de bron en bodem van het geloof zeker is, daarom óók het geloof, dat immers niets anders is dan de neerslag van en de respons op het Woord. Het geloof deelt in de aard van zijn 'voorwerp'.

Het is deze benadering die we bijv. aantreffen bij Boston, wanneer hij erop wijst dat in zijn dagen onder geloofszekerheid gewoonlijk wordt verstaan de zekerheid omtrent eigen genadestaat – een zekerheid die wordt ontleend aan ondervonden bewijzen van genade –, maar dat de oude hervormers het veeleer opvatten als de zekerheid omtrent de waarheid van het Evangelie. Of Bostons poging geslaagd mag heten om dit reformatorisch inzicht te laten sporen met het gevoelen van de Westminster Confessie, laten we hier in het midden.
In ieder geval is de onderscheiding die de Marrow-men in dit verband aanbrachten tussen de zekerheid des geloofs en de zekerheid des gevoels belangwekkend genoeg om aan te stippen. Onder het eerstgenoemde verstonden ze de zekerheid die rechtstreeks gebaseerd is op het Woord, onder de tweede de zekerheid op grond van de (geconstateerde) geloofservaring of op grond van de beloftevervulling. De hoofdintentie van de Marrow-men was evenwel het krachtige pleidooi voor de oer-reformatorische notie, dat het rechtstreekse, buitenwaarts gerichte geloof in de belofte zeker is van aard, en dat deze manier van geloofszekerheid niet oppervlakkig, laat staan oneigenlijk mag heten, maar juist haar volwaardige en zelfs grondleggende gestalte uitmaakt. Daarmee roeiden zij op tegen de strooin van hun tijd, zoals ten onzent ook Th. van der Groe m.b.t. dezelfde kwestie dat deed in zijn situatie. Terecht Avijst Harinck erop dat het de zorg van de Marrow-men was, de kenmerken en vruchten van het geloof niet te verwarren met de grond en het wezen van het geloof, te weten Christus in het Evangelie gekleed. E. Erskine zou zeggen: men onderscheide de 'root' (wortel) van de 'fruit' (vrucht)!

Aanbod
Om de ernst en diepte van het aanbod der genade, (aan alle hoorders van het Evangelie) te onderstrepen, bezigde The Marrow de uitdrukking: 'Christ is dead for you' (d.w.z. de gestorven Christus is voor u beschikbaar). Dat was – vond men – wat anders dan de boodschap: 'Christ died for you' (Christus is voor u gestorven). De onderscheiding lijkt subtiel. Ze is het ook. Maar daar stak natuurlijk een bedoeling achter. De Schotse Synode stond – met de Westminster Confessie e.a. gereformeerde belijdenisgeschriften – op het standpunt van de particuliere verzoening. Daarmee is gezegd dat Christus stierf voor de zijnen, niet voor de mensheid in het algemeen, maar voor allen die Hij met name kende en ook toebrengt door het toepassende werk van de Heilige Geest. Zo werd de eenheid van het werk van Christus en dat van de Heilige Geest bijeen gehouden. Maar dat niet alleen. Er was tevens mee gezegd dat Christus voor geen anderen Zijn bloed heeft gestort dan voor de uitverkorenen
Dit gevoelen deelden de Marrow-men ongereserveerd. Evenmin als de Synode hingen zij een algemene verzoening aan. Besluit, verwerving en toepassing van het heil hielden zij qua reikvrijdte volstrekt bijeen. Maar, anders dan de Synode deinsden zij er desondanks niet voor terug om op dit punt een enorme denkspanning voor lief te nemen, door nl. met kracht te pleiten voor een algemeen aanbod van genade. Zonder onderscheid mag en moet het Evangelie worden gepredikt met bevel en machtiging om in Christus te geloven. Dit besef lag diep verankerd in de Schrift (de koperen slang; de verhoogde Christus, Joh. 3). The Marrow formuleert het letterlijk (vertaald) als volgt: 'Gaat heen, en zeg aan ieder mens, zonder uitzondering, dat hier een blijde boodschap voor hem is, nl. dat Christus gestorven zijnde, voor hem beschikbaar is; en als hij Hem en Zijn gerechtigheid wil aannemen, dat hij Hem dan hebben zal. Omdat de Schrift spreekt tot een ieder in het algemeen, behoorde niemand van ons zichzelf uit te sluiten, maar te geloven dat het aanbod van Christus aan hem in het bijzonder wordt gedaan'. Harinck heeft gelijk: hier wordt niet beweerd dat Christus is gestorven voor alle mensen, maar verzekerd dat er een Zaligmaker beschikbaar is om tot Hem te komen en te vluchten en op Hem te zien, zoals de dodelijk gewonde Israëlieten werd bevolen om op de koperen slang te zien.

Ik zou niet aarzelen er met Luther aan het adres van àlle hoorders aan toe te voegen: En wie het gelooft, die heeft het; die heeft de gestorven Christus; die heeft de Christus Die voor hèm gestorven is. Het is het geloof dat, als het door Woord en Geest opgeroepen Amen van het armlastige maar horige hart, het dilemma van particuliere òf algemene verzoening overstijgt. Het geloof krijgt immers permissie om voor de 'dead Christ' het bezittelijke voomaamwoordje 'mijn' te plaatsen. En daarmee is de 'dead Christ' niet maar een Zaligmaker Die voorhanden is, maar de Zaligmaker Die ook mij geschonken is, als... voor mij gestorven. De Heilige Geest – en de prediking als Zijn bediening – weet wel raad met onze dogmatische spanningen.
Tenslotte wil ik erop wijzen dat, hoe reformatorisch de heroriëntatie van de Marrow-men ook is en hoezeer zij onze hoge achting waard zijn, de reformatoren liever spraken over belòfte van genade dan over aanbod van genade. Het verschil lijkt mij niet alleen een kwestie van woordkeus. Terwijl de term aanbod appelleert aan de gewilligheid van de hoorder om te ontvangen, valt bij de term belofte het accent veel meer op, de gewilligheid en betrouwbaarheid van de Gever. Met dit laatste kan ik persoonlijk méér, juist omdat ik niets kan, maar tot mijn verwondering mag horen dat Híj het kan en doet. We hebben in de Belovende niet van doen met een God Die zegt wat ik moet en zelfs niet hoe het moet, maar met de God Die het doet. Naar mijn stellige overtuiging is dit de strekking van het Lutherwoord dat Harinck aanhaalt op pag. 212. Het woord stamt niet uit de Voorrede, maar uit de Grondgedachte die Luther aan zijn Galatenbrief-Vorlesung van 1531 laat voorafgaan. Nauwkeurig(er) vertaald zegt hij daarin: 'Daarom heeft een aangevochten geweten geen ander heilmiddel tegen de vertwijfeling en de eeuwige dood dan dat hij de belofte van de in Christus aangeboden genade aangrijpt, d.w.z. de geloofsgerechtigheid'. En daarmee bedoelt hij niet minder dan 'de gerechtigheid van genade, ontferming en zondenvergeving, kortom, de gerechtigheid van Christus en van de Heilige Geest, die wij niet scheppen, maar ondergaan, niet hebben maar ontvangen, wanneer God de Vader haar ons door Jezus Christus schenkt'. Zo krijgt voor Luther de aangeboden genade de effectieve gestalte van de belofte. Zij schept geloof en vergeving. Zij schept geloofsgerechtigheid.

Tenslotte
Bij wijze van P.S. wil ik de auteur nog een drietal van mijn vragen voorleggen. Maar niet dan nadat ik mijn dankbaarheid voor het werk dat hij verzet heeft, nadrukkelijk heb uitgesproken. Ik heb respect voor zijn belezenheid en voor zijn stellingname. Als er op kerkelijk erf, m.n. in de rechterflank, nog enige bereidheid is tot luisteren, zou ik wensen dat dit boek – vooral door predikanten – werd gespeld. De vrucht zou kunnen zijn dat predikanten die weinig scheutig met de hun toebetrouwde uitdeling van het Evangelie omgaan, tot het inzicht kwamen dat het hypercalvinisme wel een ernstige, maar geen ongeneeslijke kwaal is; dat predikers die het Evangelie te koop aanbieden voor de prijs van vroom-schijnende geschiktheden, gingen beseffen dat er ook voor het neonomianisme een geneeskrachtig alternatiefis; en dat karig bedeelde gemeenten tot een verrassende bloei kwamen. Het Evangelie is vrij en bevrijdend.
Mijn vragen zijn deze. Ten eerste of Calvijns verbondsopvatting niet zó breed is dat hij behalve van een onvoorwaardelijk testament toch ook spreekt van een verbond dat met voorwaarden gepaard gaat. Waarom is hier Graaflands verbondsstudie niet geraadpleegd? De auteur zou bij deze kwestie kunnen verwerken de verhelderende onderscheiding tussen verdienende en ontvangende voorwaarden, waarvan hij zelf melding maakt (pag. 146-150).
De tweede vraag is of Bullingers verbondsvisie niet wat méér spreiding vertoont dan de schrijver suggereert.
De derde, of Calvijn met het zelfmishagen als voorbereiding tot het geloof, niet bedoelt een aspect dat wel voorafgaat aan het geloof-in-de-vergeving, maar toch niet valt buiten het geloof als zodanig; immers noemt Calvijn elders de zondekennis het begin van het geloof zelf.
De volgende twee vragen zijn geheel aan het adres van de uitgever/drukker gericht, nl. waarom niet is vermeden dat de pagina's 200 en 202 de lezer in een doolhof van verwarring doen belanden, en vooral waarom een smaakvol geschrift in zo'n uitgesproken smakeloos tenue moest worden uitgedost.

A. de Reuver, Delft

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Om het hart van het evangelie (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's