Uit de Pers
Verwerking van verlies
Ons leven blijft een broos bezit. Van het ene moment op het andere blijkt dat soms. Je levensgezel ontvalt je zomaar onverwacht of je dierbare vrouw sterft na een smartelijke ziekte. Een kind verongelukt of je blijkt een nauwelijks te genezen ziekte onder de leden te hebben. Een ongeluk treft je en veroorzaakt blijvende invaliditeit. Weg en voorbij alles wat je had of samen bezat. De levenszon verborgen achter zwarte wolken. Gevoelens van doelloosheid en zinloosheid verlammen je tred door het leven. In het juninummer van Poortnieuws, orgaan van GLIAGG De Poort, schrijft de direkteur dr. J. van der Wal een bijdrage onder de titel 'Verliesverwerking in christelijk perspectief'. Hij hanteert daarin de uitdrukking 'een "goed" verdriet'. Met 'goed' bedoelt hij een verdriet waar je als mens doorheen moet, omdat het anders niet gaat. 'Goed' staat daarom tussen aanhalingstekens. Het is soms een zoeken naar woorden voor gevoelens die nauwelijks onder woorden zijn te brengen. Vaak, aldus Van der Wal, wordt het beeld van een amputatie gebruikt voor een geleden verlies. Er is een ontrukt deel dat dood is. En er blijft een 'stomp' achter die, ook al is het 'bloedend' verder leeft zij het onder zeer pijnlijke omstandigheden. Die pijn kan soms zelfs in je lichaam worden gevoeld. 'Het is dan een rauwe, hamerende pijn. Diep verdriet, wanhoop en heimwee naar de overledene gaan ermee gepaard.' Dr. Van der Wal sluit zijn artikel af met een drietal verdelingen in het proces van rouwverwerking en dat gedeelte willen we hier citeren.
Een begrensd verdriet
In de meeste gevallen worden de pijn en het verdriet geleidelijk aan minder. De aanpassing komt dan op gang. Het verlies wordt niet ontkend, maar krijgt een eigen plaats in het leven. Daarmee is tevens een ander kenmerk van een goed verdriet aangegeven: een goed verdriet is na verloop van tijd ook een begrensd verdriet. En wel zo dat iemand er niet overmatig door in beslag genomen wordt. Begrensd ook in een andere betekenis, namelijk door de verantwoordelijkheden waar de rouwende ondanks het verdriet op aangesproken mag worden.
Waar die grens loopt is niet in algemene bewoordingen aan te geven. Dit is sterk afhankelijk van de ernst van het geleden verlies en iemands mogelijkheden. Een paar voorbeelden maar weer om de gedachten te bepalen. Een moeder die de zorg voor haar gezin laat voor wat het is nadat ze een mooie ketting heeft verloren, reageert 'grenzeloos' op dat verlies. Maar een baas die van een werknemer, die twee dagen daarvoor zijn zoontje zag verdrinken, verlangt dat deze weer 'gewoon' aan het werk gaat, vraagt teveel.
Als het goed is staat men ondertussen, hoe wankel misschien ook, met beide benen in het heden, is men toekomstgericht en verwijlt men niet voortdurend in het verleden of in de fantasie. Geleidelijk aan stelt men zich in op de nieuwe situatie. Een paar eenvoudige illustraties hierbij: een man leert de was doen (al krijgt hij het nog wel eens te kwaad als hij tegen zijn geklungel aanloopt en daarbij bedenkt hoe hij zijn vrouw mist), de vrouw die een goede positie kwijtraakt, ontrukt zich aan de greep van de dreigende verzuring door een minder goede baan te aanvaarden (al moet ze wel eens vechten tegen het gevoel van krenking dat haar bij tijd en wijle overvalt). En een echtpaar dat de wens om kinderen te krijgen definitief moest opgeven, zet zich met vreugde in voor de zondagsschool (al schrijnt het wel eens als ze afscheid van vertrekkende kinderen moeten nemen).
Een gedeeld verdriet
Zo komt er ruimte voor andere relaties en andere doelen. Het verlangen naar hetgeen verloren ging krijgt geen voeding of bevestiging meer vanuit de objectieve werkelijkheid. Het 'bloeden houdt op', 'de stomp groeit dicht' en het leven gaat verder.
Een goed verdriet is, ondanks de pijn, nodig voor een goede verwerking. Rouw is de aangewezen weg uit de doolhof van smart. De pijn en het verdriet zijn wáár en echt. En dat geeft toegang tot en contact met de wereld zoals die is. Je hoeft je niet van anderen af te sluiten en je kunt reële gesprekken hebben over de reële gevoelens en gedachten.
Daarmee komen we op nog een ander kenmerk van een goed verdriet; het is tevens een gedeeld verdriet. Het is niet goed als je met je verdriet alleen blijft lopen. Je hebt de troost, steun, begeleiding en correctie van anderen nodig om in evenwicht te blijven en nieuwe energie op te doen.
Niet alleen de relaties met anderen kunnen zo worden voortgezet, ook het gewonde innerlijk kan genezen. Je hoeft niets te ontkennen. Beleven is daarom beter dan verdoven, onder ogen zien beter dan vermijden, aanvaarden beter dan ontkennen, praten beter dan verzwijgen.
Daarom is rouw zowel een opgave (omdat het zo ongelooflijk veel kan vergen) als een gave (omdat we het gemis anders nooit te boven zouden komen).
Langs die weg geeft rouw, hoe moeilijk het ook kan zijn, weer ruimte om verder te gaan. Al zal het – afhankelijk van het soort verlies – nooit meer zijn zoals eerst. In die zin moet je eerlijk zeggen dat rouw nooit over gaat.
Een geheiligd verdriet
De hierboven genoemde kenmerken van een 'goed' verdriet gelden in beginsel voor iedereen. Vanuit het christelijk geloof is daar nog meer over te zeggen. Christelijk wil zeggen dat het 'in Christus' wordt gedaan. Dat is niet iets aparts dat bij de al genoemde aspecten van verwerking komt. Als het goed is wordt het rouwproces als geheel daardoor getekend. Dan kunnen we spreken van een in Christus geheiligd verdriet.
Wel blijft het een verdriet! Ook dan zijn er de pijn en de smart, het – soms schier ondraaglijke – verlangen naar de overledene, de gevoelens van zinloosheid, de onbeantwoorde vragen, de slapeloze nachten en de dagen die niet om door te komen schijnen. Weende Jezus Zelf niet bij het graf van Zijn vriend Lazarus?
Maakt het dan geen verschil om als christen te rouwen? Gelukkig wel! Want dan opent zich het perspectief van de overwinning over de dood door Christus en het met Hem opstaan in een nieuw en eeuwig leven (zie b.v. 1 Kor. 15). Is dat 'alleen maar' iets voor later, voor de eeuwigheid, of helpt het je ook reeds nu, in de rouw? Ook dat ligt opgesloten in de uitdrukking 'in Christus'. Een geheiligd verdriet is daardoor geheiligd, dat wij ons in het verdriet, de eenzaamheid en het gemis geborgen weten in Christus en vertroost worden door Zijn tegenwoordigheid. Moeten we, ik zeg het aarzelend, vragend, misschien zelfs erkennen dat we eerst verliezen moeten lijden, willen we werkelijk ontvankelijk kunnen zijn voor de troost en kracht van Zijn tegenwoordigheid?
Tijdens het schrijven van dit artikel kwam ik onderstaand gedicht tegen. De dichter, die later zou omkomen in Dachau, schreef dit, beroofd van zijn vrijheid en in het zicht van een ongewisse toekomst, in de gevangenis van Scheveningen. Op een directe wijze getuigt het van die troostrijke nabijheid van Jezus Christus. Ook als we veel verloren hebben. Zelfs als we het leven zelf dreigen te verliezen.
O, laat mij hier maar stil alleen,
Het kil en koud zijn om mij heen,
En laat geen mensen bij mij toe:
't Alleen zijn word ik hier niet moe.
Want Gij, o Jezus, zijt bij mij,
Ik was U nimmer zo nabij.
Blijf bij mij, bij mij, Jezus zoet.
Uw bijzijn maakt mij alles goed.
Ik ben gelukkig in mijn leed,
Omdat ik het geen leed meer weet.
Maar 't aller uitverkorendst lot,
Dat mij vereent met U, o God.
Voor wie nog maar sinds kort in een rouwproces is terecht gekomen, kunnen deze opmerkingen nogal kort door de bocht genomen lijken. Rouwverwerking noemen we niet voor niets een proces. Dat wil zeggen: dat kost tijd en vraagt maanden, ja jaren van ons leven. Toch zijn de opmerkingen van dr. Van der Wal de moeite waard en kunnen misschien wel helpen onderweg door een gebroken leven.
Geloofsgemeenschap en gebed
In sommige gemeenten zijn de laatste jaren gesprekskringen voor rouwverwerking ontstaan. Dat kan heel zegenrijke gevolgen hebben voor allen die tobben met rouw en verdriet in hun leven. Dient niet de gemeente van Christus ook hierin een gemeenschap te zijn waarin de gestalte van de 'medelijdedende Hogepriester' oplicht in de aandacht van Zijn volgelingen voor elkaar? In het Centraal Weekblad van 2 september 1994 schrijft Bert Godschalk hierover onder de titel 'Ongebruikte rijkdom'. Christenen dienen in noodgevallen onder elkaar een vorm van paraatheid te kennen, zegt hij.
Ik moet hierbij denken aan die 'primitieve' gewoonte die de medicijnmannen in de jungle van Afrika toepassen. Wanneer er bijvoorbeeld een zieke is worden de stamleden opgetrommeld. Je hoort er dan ook zonder pardon te zijn. Op dat moment vormen zij met een honderdtal mensen een cirkel. Ergens midden in het oerwoud in het centrum van zo'n cirkel wordt de zieke geplaatst. De mensen die de cirkel vormen, zijn bezield van één gedachte: We maken de zieke beter. Zij roepen deze gedachte uit in geladen, gescandeerde teksten en zij richten hun blikken en hun handen op de zieke medeniens. En dan komt er een ogenblik dat het op deze manier opgeroepen stralingsveld voelbaar wordt. Met lichaam en geest wordt een genezende kracht uitgestraald die de zieke mens aanraakt.
Je kunt deze manier van genezen wat meewarig afdoen als een vorm van primitief bijgeloof. Wij in het westen hebben immers geleerd te denken in medisch-technische categorieën. Wij zien het lichaam eerder als een apparaat. Wel groeit de erkenning van de rol van psycho-somatische oorzaken bij een ziekte, maar de therapeutische betekenis van een gemeenschap speelt in ons denken een betrekkelijk geringe rol. Toch vraag ik me af of we niet iets heel kostbaars zijn kwijtgeraakt, dat te maken heeft met de genezende werking van een gemeenschap in Christus.
In charismatische kring kent men de gewoonte om speciale diensten te houden met handoplegging en gebed voor zieken. We kijken er wat vreemd tegenaan en verwarren het al snel met gebedsgenezing. Maar het zou ook kunnen zijn dat onze terughoudendheid ingegeven wordt door een stuk onbekendheid met de eigen christelijke traditie. In het nieuwe testament wordt immers verscheidene keren vermeld hoe men gewoon was om apart bijeen te komen om met en voor elkaar te bidden. Stel je nu eens voor dat we ook in onze tijd speciale bidstonden kenden, waarbij honderd rhensen een gebedscirkel zouden vormen rond de zieken in de gemeente. Zou dat ook niet getuigen van echte gemeenschap en betrokkenheid op elkaar? En zou een zieke dat ook niet ergens 'oppakken' voor zijn herstel of levensvreugde?
We kunnen het ook omkeren: Hebben we het wel eens meegemaakt dat er speciaal voor ons werd gebeden toen we in de ellende zaten? Ja maar, dat doen we toch al in de zondagochtenddienst bij de voorbeden. Je kan het daar inderdaad mee afdoen. Maar je kunt jezelf ook afvragen wat het betekent om lid te zijn van een geloofsgemeenschap. Welke spirituele kracht zou zo'n gemeenschap nog meer in huis hebben om met verdriet, lijden en ziekte om te gaan? Zijn we ons ervan bewust dat Jezus juist dóór de kring van gelovigen helend en heilzaam zijn liefde wil openbaren?
Ik heb het waarschijnlijk niet ver mis als ik zeg dat velen in onze gemeenten een huiver kennen voor een al te concrete toepassing van wat hier staat. Ook al kan ik daar ten dele inkomen, toch blijft voor mij dan de vraag hangen: zijn wij soms onbewust ook niet, méér dan we willen weten, beïnvloed door de werkelijksheidsbeleving van onze tijd? Over ziekte en genezing gaan de specialisten. Hooguit leeft nog het besef dat God de middelen moet zegenen. Terecht wijst Godschalk erop dat in het bijbels denken de geloofsgemeenschap een belangrijke schakel vormt in deze. Hij vertelt de anekdote die mij als pastor een keer letterlijk is overkomen op een ziekenhuisgang. Een dokter komt dodelijk vermoeid de gang van het ziekenhuis op. Ziet de dominee staan, doet zijn handschoenen uit en zeg mismoedig: ik kan hem niet meer helpen, nù bent u, dominee, aan de beurt. Hier is het gebed van de geestelijke gereduceerd tot een soort laatste strohalm en 'komt God pas in actie als de joker, die het lot zou moeten keren', aldus Godschalk. Hij sluit zijn artikel als volgt af.
En zoals we ziekte in onze gedachtenwereld hebben 'overgedragen' aan de medische stand, zo hebben we in onze cultuur oorlog en vrede 'in handen gegeven' van politici en militairen. Het honger- en armoedeprobleem 'uitbesteed' aan de Novib, het werkloosheidsprobleem aan de economen. Voor psychische aandoeningen hebben we een Riagg, dus waar zou je nou echt voor moeten bidden? Maar… wat zou er gebeuren als we weer zicht krijgen op de grote samenhang van alles met alles, inclusief de plaats van God en zijn kerk? Op de komst van zijn Koninkrijk en de opdracht om te strijden voor recht en gerechtigheid op ieder niveau? Wat zou bijvoorbeeld Mandela nog kunnen doen, als er niet voortdurend gebeden werd voor krachten van heling en verzoening in Zuid-Afrika? Kan het milieu- en werkloosheidsprobleem werkelijk opgelost worden als er niet eerst door intens gebed een bres geslagen wordt in ons onwankelbare geloof (!) in de marktwerking. En tenslotte: staan doktoren en specialisten niet machteloos als de zieke geplaagd wordt door angst, wanhoop en neerslachtigheid? Zou ons gebed in heel veel situaties van groot, zo niet onvervangbaar 'gewicht' kunnen zijn?
Een terecht want volkomen bijbels pleidooi voor meer aandacht voor de relatie tussen de geloofsgemeenschap en het gebed voor hen die rouwen of ziek zijn of voor welke noden dan ook. Niet om God te dwingen, maar om elkaar hij Hem te brengen die 'in de nood uw Redder is geweest' (Ps. 103 : 2 ber.).
J. Maasland
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's