De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Hoofdmomenten van het lied in de christelijke gemeente in Nederland (2)

Bekijk het origineel

Hoofdmomenten van het lied in de christelijke gemeente in Nederland (2)

8 minuten leestijd

(Lezing gehouden op de studie-ontmoetingsdag op dinsdag 3 mei 1994 in De Schakel te Nijkerk)

HET EERSTE HOOFDMOMENT: DE BERIJMING VAN DATHEEN

Calvijns Psalmboek
Vanaf 1538 is Calvijn gaan bouwen aan zijn kerkboek. Zoals reeds gezegd verscheen reeds in 1539 te Straatsburg het gezangboekje Aulcuns pseaulmes et cantiques mys en chant met 19 psalmen en drie gezangen. Maar dit was nog maar het begin. Hij wilde het complete boek der Psalmen voor de gemeentezang beschikbaar hebben en dat betekent dus dat alle 150 psalmen berijmd moesten worden.

Calvijn maakte daarbij nadrukkelijk onderscheid tussen inhoud en vorm. In zijn bekende voorrede uit 1543 (weergegeven in Marnix' vertaling) zegt hij het zo: er zijn 'twee deelen': ten eerste 'den text ofte de woorden ende inhoudt van t'ghene dat daer wert ghesongen' en ten tweede 'de wijse ofte welstemminghe ofte soeticheyt des ghesangs'.
Wat de inhoud betreft stelde Calvijn Schriftgetrouwheid als zwaarwegende eis. Schriftgetrouwheid, nauwe aansluiting bij de onberijmde bijbeltekst, is het principe dat steeds weer terugkeert in de calvinistische traditie. De Psalmen Davids moeten zo getrouw mogelijk worden overgezet. Daarom ook staat op de titelpagina van een gereformeerde psalmberijming als die van Marnix: 'uit de Hebreische spraecke… overghesett', daarmee te kennen gevend dat de Hebreeuwse grondtekst het uitgangspunt is en dat de berijming daar zo nauw mogelijk bij aansluit.
Maar Calvijn eiste meer. Hij wist terdege dat de grondtekst uit poëzie bestaat. Het gaat hier om Hebreeuwse poëzie, niet gekenmerkt door rijm zoals in de meeste Europese poëzie, maar met als opvallendste kenmerk het parallellisme, zoals:
Uw hand treffe al uwe vijanden,
uw rechterhand treffe al uw haters. (Psalm 21:9)

De schoonheid van de Hebreeuwse poëzie nu moest niet verloren gaan. Zowel het dichterlijke als het melodische aspect achtte Calvijn zeer belangrijk. Bekende woorden van Calvijn in dit opzicht zijn: 'poids et majesté', dat wil zeggen: gewicht en verhevenheid. Hierboven citeerde ik al de omschrijving voor het muzikale aspect: 'welstemminghe ofte soeticheyt des ghesangns'. Calvijn heeft voor de melodieën van de berijmde psalmen geen derderangs musici ingeschakeld, maar eersterangs componisten: Louis Bourgeois en Maitre Pierre. Het resultaat van deze componisten is een groot aantal schitterende melodieën, die wij nog steeds zingen, want de wijzen van onze psalmen zijn ontleend aan het Geneefse Psalter.
Maar ook het dichterlijke aspect vond Calvijn belangrijk. Hij had oog voor de bijbel als 'Boek der Schoonheid' ook wat de vormgeving – taalgebruik, beeldspraak, stijl – betreft. Voor zijn gezangboekje uit 1539 had hij vijf psalmen zelf berijmd. Maar hij kende zijn beperkingen. Een theoloog, een predikant is niet zomaar ook een dichter. Dichterschap vereist een aparte begaafdheid, die niet aan te leren is. Daarom ontving Calvijn in 1542 de Franse dichter Marot met open armen in Genève. Het werk van Marot kende hij al en misschien had hij hem al eerder ontmoet. Voor zijn Aulcuns pseaulmes et cantiques had hij reeds dertien berijmingen van Marot gebruikt. Calvijn erkende Marot als de betere dichter en Marot aanvaardde de opdracht om de psalmen te berijmen voor het Geneefse Psalter. Calvijn verwierp zijn eigen berijmingen en gaf Marot de vrijheid een berijming te geven van werkelijk dichterlijk niveau. Het poëtisch vermogen van Marot achtte Calvijn zo waardevol dat hij ook heeft aanvaard dat de berijming op heel wat plaatsen afweek van de letterlijke bijbeltekst. Hier stuiten we op de onoplosbare spanning tussen dichterlijkheid en letterlijkheid, een spanning die elke psalmberijmer kent en die bijvoorbeeld ook een belangrijke rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de Nieuwe Berijming (1968). Marot berijmde in totaal 49 psalmen voor het Geneefse Psalter en na diens dood heeft De Bèze (Beza), Calvijns opvolger in Genève, de ontbrekende 101 eraan toegevoegd.
In 1562 was het Psalmboek, Les Psaumes de David, gereed en reeds in 1564 verscheen er een uitgave in de Nederlanden, namelijk in de drukkersstad Antwerpen. Het Geneefse Psalter is in belangrijke mate bepalend geweest voor het psalmgezang in de Nederlanden.

De berijming van Datheen
Toen de Reformatie in de Nederlanden een nieuwe impuls ontving door de opkomst van het calvinisme, ontstond als vanzelfde behoefte aan een verantwoorde, complete psalmberijming. Een berijming die al wel bestond – de Souterliedekens uit 1540 – voldeed geenszins. De bijbelgetrouwheid ervan liet niet alleen veel te wensen over, maar ook stonden boven de berijmde tekst 'merkwaardige' wijzen vermeld, volksliedjes of straatliedjes veelal, zoals 'Waer machse zijn die liefste mijn' (bij Psalm 30) en 'De bruyt en wou niet te bedde' (bij Psalm 150).
Reeds rond 1550 was de Londense ouderling Jan Utenhove begonnen met een psalmberijming volgens calvinistische principes. In 1551 was het eerste tiental verschenen. Dat aantal werd gestadig uitgebreid, maar toch vorderde het werk slechts langzaam. Pas bij zijn dood – waarschijnlijk herfst 1565 – was het manuscript gereed en zijn vriend maakte de uitgave in 1566 gereed. Maar… in datzelfde jaar was reeds de berijming van Datheen verschenen. Deze verdrong in korte tijd die van Utenhove. Datheens berijming zou gedurende ruim 200 jaar – om precies te zijn: tot 1773 – het Nederlandse psalmgezang bepalen.


Petrus Daeten of Daets – verlatiniseerd tot Dathenus, dat weer ontlatiniseerd is tot Datheen – was een vurig Vlaams calvinistisch prediker. In het Duitse Frankenthal voltooide hij naast zijn gemeentewerk in de jaren 1562 tot 1566 een zeer omvangrijk en belangrijk werk: een compleet calvinistisch kerkboek in het Nederlands, met formulieren, gebeden, de Heidelbergse Catechismus èn een vertaling van het Geneefse Psalter van Marot/De Bèze. Welke kritiek men ook op Datheens werk moge hebben – op kwalitatieve gronden –, hij zorgde er toch maar voor dat er in de Nederlanden in 1566 een calvinistisch kerkboek beschikbaar kwam, iets waar toen grote behoefte aan was. Op de titelpagina van de psalmberijming wordt de band met Genève openlijk aangegeven: 'uit den Fransoyschen dichte int Nederduytsch overghesett'. De aansluiting bij Genève is tweeerlei: niet alleen gaf Datheen een vertaling van de tekst van het Geneefse Psalter, maar ook nam hij de melodieën over.


Voor de populariteit van Datheens berijming – onder meer af te leiden uit het grote aantal drukken alleen al in 1566 en uit het feit dat de berijming van Utenhove er spoedig door verdrongen werd – zijn verschillende redenen te noemen. Allereerst gaf Datheen een compleet kerkboek, dus behalve de berijmde psalmen (en enige gezangen) ook de Heidelbergse Catechismus en formulieren voor de liturgie. Van groot gewicht, waarschijnlijk van doorslaggevende aard, was zijn aansluiting – zowel tekst als melodie – bij het Geneefse Psalter. Die aansluiting gaf vertrouwen en verder moeten we niet vergeten dat het Frans in de Nederlanden een hoofdtaal was: een flink deel van de Zuidelijke Nederlanden was immers Franstalig. Ten slotte moeten we zeggen dat Datheen de taal van het volk kende en deze klinkt in zijn berijming door. Op al deze punten verschilt Datheens werk van dat van Utenhove en hier ligt de verklaring van het overrompelend succes, een succes dat al is af te lezen op de titelpagina van één van de uitgaven uit 1566, waar expliciet vermeld staat: 'De welcke men voertaen in de Nederlandsche Ghemeynten ghebruycken sal'. Met deze mededeling lijkt Datheens berijming al in 1566, het jaar van verschijnen, voorgeschreven te zijn – een uitspraak van een ons niet bekende kerkelijke vergadering of synode? – en dat is dus aanzienlijk eerder dan de periode waaruit ons de eerste officiële acta van synoden of anderssoortige kerkelijke vergaderingen zijn overgeleverd (de 'Wezelse artikelen' zijn gedagtekend: 3 november 1568 en de 'Acta der Emdense Synode': 4-13 oktober 1571).

Kwaliteit
Datheen kende geen Hebreeuws en hij was geen begaafd dichter. Dat betekent dat hij fundainentele kwaliteiten om een zo betrouwbaar mogelijke berijming te geven miste. Zijn werkwijze is zeer aanvechtbaar: de basis was de Franse berijming van Marot/De Bèze. Deze vertaalde hij – uiteraard wel met de bijbel (de Deux-aes) op tafel – en dat betekent dat hij principieel een omweg maakte: hij ging niet uit van de grondtekst – dat kon hij ook niet, omdat hij die niet kon lezen – maar nam een 'bewerking' van de grondtekst als basis. Zo'n omweg is te allen tijde een gevaarlijke methode want het leidt onherroepelijk tot een produkt dat verder afstaat van het origineel. Een vertaling van een vertaling is vragen om moeilijkheden. Wie streeft naar zo groot mogelijke Schriftgetrouwheid moet deze weg niet op. Het is niet moeilijk in Datheens berijming merkwaardige 'ontsporingen' aan te treffen, die terug te voeren zijn tot zijn werkmethode. In het eerste artikel van deze reeks wees ik al op couplet 33 van Psalm 78, waarin God met een dronken man wordt vergeleken. Veel geciteerd om de onbeholpenheid van Datheen aan te geven zijn ook enige regels uit het vijfde couplet van zowel Psalm 60 als Psalm 108:
Edom acht ik met zijn volk koen,
Niet beter dan mijn oude schoen;
Een merkwaardige vertaling – wij zouden thans zeggen: om Edom geef ik geen rooie cent! – van het Oudtestamentische gebruik 'de schoenen op iets werpen', wat een smadelijke behandeling betekende.

J. de Gier, Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Hoofdmomenten van het lied in de christelijke gemeente in Nederland (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's