Het christelijk onderwijs en cultuurchristendom
Op zaterdag 17 september belegde de Unie voor Christelijk Onderwijs, samen met de Nederlandse Protestants Christelijke Schoolraad voor de tweede maal een Startdag Christelijk Onderwijs. Eén van de programmaonderdelen was een debat over de koers van het christelijk onderwijs, onder de titel 'Hoe groot wordt de kring?'. Dat debat werd gevoerd door prof. dr. E. Boeker, rector van de Vrije Universiteit in Amsterdam en ondergetekende. In de eerste ronde werd gesproken over een tweetal stellingen. Bijgaand treft men de stelling, die door ondergetekende in een tiental punten nader werd uitgewerkt.
Prof. Boeker ging uit van de volgende stelling:
'De kracht van het christelijk onderwijs ligt in de worteling van dit onderwijs in de traditie van de christelijke geloofsgemeenschap, een beweging van mensen die open en uitnodigend is en duidelijk in het aanbod. In de christelijke school is ieder welkom die van dit aanbod gebruik wil maken. Kernwoorden in dit programma zijn eerbied, liefde, heil, hoop, verantwoordelijkheid en gerechtigheid.'
In zijn nadere uitwerking zei prof. Boeker o.a.:
'De VU heeft – zoals zoveel protestants-christelijk onderwijs – zich in zijn ontwikkelingsgang aangepast aan de seculariserende omgeving. Wij stellen in onze beleidsdocumenten nadrukkelijk, dat wij willen staan in een 'oecumenisch-christelijke traditie'. (…)
'De momenten, dat de docent iets van zichzelf laat zien, behoren tot de beste momenten van de les. Ze maken vaak grote indruk en behoren tot de goede herinneringen aan het genoten onderwijs, die soms na 40 jaar nog bij de leerling terugkomen. In deze context functioneren de begrippen, die aan het eind van mijn stelling staan opgesomd. Ze zijn niet vanzelfsprekend en staan vaak haaks op de overheersende (tv-)cultuur; misbruik in plaats van eerbied; haat in plaats van liefde; geweld in plaats van heil; wanhoop in plaats van hoop; cynisme in plaats van verantwoordelijkheid; eigenbelang in plaats van gerechtigheid.
De dominante cultuur is te omschrijven als, een cultuur van het eigen ik: Wonen, Welbevinden, Welzijn, Weten en Welbehagen. Wij als docenten worden even gemakkelijk door de dominante cultuur beïnvloed als onze leerlingen. Wij zullen dus bewust moeten beginnen met zelfreflectie en zelfkritiek.
Wat mij betreft zal de inspiratie hier ontleend moeten worden aan "het Woord en het Verbond" (in woorden van de stelling van v.d.G.). Veel van de VU-docenten zijn, in woorden van drs. K. de Jong Ozn. te karakteriseren als culturele christenen, zij die de normen en waarden, ontleend aan het christelijk geloof, nog van harte onderschrijven, maar dat geloof zelf achter zich hebben gelaten. Iets breder dan De Jong zou ik de term ook willen toepassen op de volgende generatie: mensen die zelf nooit bewust tot een kerk hebben behoord.
Ook voor de categorie "culturele christenen" geldt dat de begrippen aan het eind van mijn stelling steeds opnieuw moeten worden ingevuld, toegelicht, uitgelegd, geïnterpreteerd. Anders blijven het loze kreten, zoals het woord "vrede" ook door alle onderdrukkende regimes wordt omarmd. Hier hebben wij mensen nodig die vanuit een christelijke inspiratie deze woorden voor een breed publiek inhoud geven, zonder te eisen dat dit publiek dan ook de rest van de christelijke boodschap zou moeten aannemen.'
Hoe open is open?
Ik ga hier nu niet herhalen wat in de hiernaast afgedrukte punten door mij is gezegd. Terugziende op het debat als zodanig en de deelname van de aanwezigen daarin, wil ik nog enkele (ook dáár door mij ingebrachte) opmerkingen maken over de openheid van het christelijk onderwijs. De telkens terugkerende gedachte in discussies als deze is namelijk, dat de christelijke school al lang niet meer wordt bevolkt door alléén leerlingen uit christelijke gezinnen. De christelijke school is open geworden naar een multiculturele samenleving, hier en daar uitnódigend zelfs. En 'wat kun je dan nog kwijt?' als het om geloofswaarden gaat! De kernnoties van het christelijk geloof zijn kennelijk – zo zegt men – niet meer over te dragen op de huidige schoolbevolking. Er is op menige christelijke school nog slechts een minderheid – soms nog slechts twintig procent – leerlingen uit christelijke gezinnen.
Deze vraagstelling is niet nieuw. Al jaren geleden heb ik in deze kolommen aandacht gevraagd voor een indrukwekkende rede, die wijlen prof. dr. G. C. van Niftrik ooit hield voor de Unie School en Evangelie. Een rector van een middelbare school had hem verteld, dat je vandaag, gegeven de gemengde populatie op zijn school, niet meer kon aankomen met verhalen over zingende engelen, een maagdelijke geboorte en lichamelijke opstanding. Op de christelijke school gaat men er derhalve maar het zwijgen toe doen, omdat men de boodschap niet meer kwijt kan, aldus Van Niftrik.
Het valt niet te ontkennen, dat hier zich langzaam maar zeker grote verschuivingen hebben voorgedaan bij het christelijk onderwijs, zó dat op sommige plaatsen de identiteit zodanig is verbleekt, dat deze als christelijke identiteit nauwelijks meer herkenbaar is. Tijdens de discussie zei dan ook terecht drs. G. van Leyenhorst, oud-lid van de Tweede Kamer hierover – zich aansluitend bij de stelling en de uitwerking daarvan van ondergetekende – dat, als de christelijke school niet meer confessioneel herkenbaar is, er in de politiek geen argumenten meer voorhanden zijn om voor de christelijke school in het krijt te treden.
Belangrijker nog is intussen de hábitus van de onderwijsmensen, de leerkrachten zelve. Want àls het dan al zó is, dat de christelijke school op veel plaatsen zo open is geworden, dat leerlingen van niet-christelijke huize zelfs de meerderheid vormen, welke doelstelling heeft dan nòchtans de school? Wordt ernaar gestreefd, dat alle leerkrachten de christelijke identiteit uitdragen of is men tevreden met 'een percentage'? Prof. Boeker sprak over twintig procent docenten aan de VU, die als christen inspirerend naar anderen willen bezig zijn.
Ik ga nog verder: is er nog de hartstocht om leerlingen, van wèlke achtergrond dan ook, te confronteren met de heilzame boodschap van het Evangelie? Ook al moeten we de weerbarstigheden in de praktijk niet onderschatten!
Het christelijk getuigenis vraagt zo om christenen, die herboren, herschapen zijn in Christus Jezus tot God, en niet slechts tot de aarde en de medemens.
Wie als een herboren mens in het onderwijs staat, zal niet alleen het christelijk getuigenis uitstralen in de dirècte overdracht van het Woord maar ook in de begeleiding van zijn vak door waarden, ontléénd aan het Woord.
De natuurwetenschappen om een voorbeeld te noemen – ik spreek uit ervaring – zijn toch niet 'waardenvrij' te geven? Een scheikundedocente zei tijdens de discussie, geen raad meer te weten met de bijbelse gegevens vanwege de evolutieleer, die zij moest doorgeven, en ook vanwege de verwachting van 'een verdampende aarde', die model staat voor de toekomst. Dan vraag ik echter of de christelijke school juist niet ook dáárin kenbaar en herkenbaar zal zijn, dat zij naast de resultaten van de 'dusgenaamde wetenschap' (het woord las ik nog eens bij Groen van Prinsterer), dingen te zeggen heeft, die voor de wereld ongeloofwaardig zijn maar intussen door een bijbelgetrouw christen gelovig naar het Woord worden beaamd!
Cultuurchristendom
Hoe open is vandaag de christelijke school? Wie vandaag, ook in de openheid van onze cultuur van 'alléén het Woord' wil uitgaan, heeft al de naam gesloten te zijn. Maar neem het Woord als basis weg en men houdt een school over, die in de openheid zèlf haar basis heeft.
Prof. Boeker sloot aan bij het cultuurchristendom. Mijn laatste stelling was dat, wanneer de christelijke school het moet hebben vàn of wordt gedragen dóór cultuurchristendom, zij vroeg of laat zelf van kleur zal verschieten. De normen en waarden, die cultuurchristenen hanteren, blijken uiteindelijk niet méér te zijn dan opvattingen aangaande humaniteit en gerechtigheid, die beschaafde mensen hanteren in een medemenselijke samenleving. Maar de hartstocht om het heil in Christus is weg. En 'waarden' zijn geen benoemde waarden meer. Christendom, dat het aanlegt met cultuurchristendom of daarmee tevreden is, zal zelf spoedig tot die categorie vervallen. Dàt bedoel ik als ik zeg, dat de christelijke school dan zelf van kleur zal verschieten.
Graf Ludwig van Zinzendorf, pionier van de Inwendige Zending, zei: 'ik ken maar één hartstocht, dat is Hij, slechts Hij'. De vraag is voor allen, die in het christelijk onderwijs werkzaam zijn of daaromheen staan: wat geloven we er zelf nog van? Is het christelijk geloof een harts-tocht? Is er nog missionair élan? Dat vraagt, als gezegd, om herboren mensen.
Terugblik
Terugblikkend op de Startdag in Amersfoort realiseer ik mij, dat het protestants christelijk onderwijs vandaag voor een niet geringe opdracht staat, gegeven de secularisatie, die zich op grote schaal voltrekt.
Behalve door de secularisatie zelf wordt de christelijke school mijns inziens echter ook in niet geringe mate bedreigd door de erkenning en omarming van wat vandaag cultuurchristendom heet. Als het christelijk onderwijs daarop is gebaseerd is het naar mijn overtuiging bezig met laatste stuiptrekkingen.
Anderzijds is er ook de leegzuiging, omdat binnen het christelijk onderwijs een beweging op gang is gekomen, die het isolement heeft gezocht. Het moge duidelijk zijn, dat, wanneer een school geheel gespeend is van christelijke normen en waarden, die rechtstreeks op het Woord teruggaan, ouders de vrijheid hebben en móéten hebben voor nieuwe initiatieven. Anderzijds moet gezegd worden, dat de nieuwe zuil, die is ontstaan, al heel snel doel op zichzelf is geworden, met vaak afschrijving van anderen. De innerlijke spanning, die Groen van Prinsterer heeft ondervonden toen hij het volkskind losliet, wordt vandaag vaak node gemist.
Het was overigens echter tekenend, dat bij een eerste peiling onder de deelnemers aan de discussie op zaterdag 17 september, de schaal niet doorsloeg naar de benadering van de rector van de VU. Velen willen vandaag nog staan voor identiteitsgebonden christelijk onderwijs, zonder toe te geven aan de neiging tot isolement, tot een afgeslotenheid, die op zich ook (les van de geschiedenis!) haar einde kan vinden in een triomfantelijk 'wij', de laatsten…
Onze samenleving is een open samenleving. Als christenen bevinden we ons in de minderheid. Belijdende christenen, gebonden aan het Woord en de belijdenis der kerk, vormen nog slechts een kleine minderheid. De Schrift spreekt echter over zoutend zout, zuurdeeg, mosterdzaad en tarwegraan: allemaal beelden, die óók iets zeggen over het staan van de christen in deze wereld.
Het christelijk onderwijs vraagt onze voorbede. In het christelijk onderwijs worden mensen gevormd. Zullen degenen die onderwijs ontvangen 'het' nog geloven? Dat vraagt om onderwijsgevenden die 'het' nog geloven en doorgeven.
Het christelijk onderwijs vraagt solidariteit van de christelijke gemeente, niet in het minst met diegenen, die in het dagelijkse werkveld gestalte willen geven aan een open opdracht, in gebondenheid aan het Woord.
De gemeente van Filadelfia moest houden wat zij had, opdat niemand haar kroon zou nemen (Openb. 3 vers 11). Maar haar was een geopende deur gegeven! Dat betekende openheid naar de wereld. Dat woord werd afgelopen zondag verkondigd in de Oude Kerk in Delft, waar in de ene hoek – zo werd gewezen – de natuurwetenschapper Antony van Leeuwenhoek begraven ligt en in de andere hoek de theoloog Jodocus van Lodenstein.
'Stof tot nadenken'! Hoe groot wordt de kring? Liefst zo groot mogelijk! Maar het moet wel een herkenbare kring blijven.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's