De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Hoofdmomenten van het lied in de christelijke gemeente in Nederland (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hoofdmomenten van het lied in de christelijke gemeente in Nederland (3)

9 minuten leestijd

(Lezing gehouden op de studie-ontmoetingsdag op dinsdag 3 mei 1994 in De Schakel te Nijkerk)

Datheen en Marnix
Reeds in 1580 – dus slechts veertien jaar na die van Datheen – verscheen de berijming van Philips van Marnix, Heer van Sint Aldegonde, de geleerde en dichterlijk begaafde calvinist, die als secretaris van prins Willem van Oranje vanaf de aanvang nauw bij de opstand van de Nederlanden tegen de Spaanse dwingelandij betrokken was. Al willen we al het andere werk met de pen en met de daad dat Marnix verricht heeft niet onderschatten, de psalmberijming is zijn levenswerk geweest. Dat blijkt uit het volgende. De eerste uitgave van zijn berijming – in 1580 dus – verscheen na ongeveer tien jaren van noeste arbeid. Daarna bleef hij aan zijn berijming 'schaven'. De tweede, zeer herziene, druk verscheen in 1591. En ook daarna bleef hij doorwerken om een nog beter resultaat te krijgen. Bij zijn dood in 1598 liet hij in handschrift de tekst na van de derde opnieuw zeer herziene druk, die in 1617 posthuum verscheen bij de Leidse uitgever Elsevier. Deze laatste uitgave is zeer interessant omdat de tekst van Marnix naast die van Datheen is afgedrukt. Met deze posthume editie heeft de uitgever ongetwijfeld de Synode van Dordrecht (1618/ 19) willen beïnvloeden, een laatste – en helaas vergeefse – poging de berijming van Datheen door die van Marnix te vervangen.
Marnix had grote bezwaren tegen de berijming van Datheen, al wist hij dat die inmiddels zeer geliefd was geworden. Zijn bezwaren richtten zich allereerst tegen Datheens werkwijze: een vertaling van de Franse berijming van Marot/De Bèze in plaats van een berijming van een zo getrouw mogelijke onberijmde tekst die regelrecht teruggaat op de grondtekst. Voordat Marnix aan het werk ging maakte hij eerst voor zichzelf op nauwgezette wijze een zo betrouwbaar mogelijke prozatekst van de psalmen (waarbij hij natuurlijk dankbaar gebruik maakte van reeds bestaande vertalingen). Het is duidelijk datdit wetenschappelijk veel meer verantwoord is. Daar komt nog bij dat Datheen zijn berijming met grote haast had gemaakt en wie streeft naar betrouwbaarheid – Schriftgetrouwheid – kan geen haastwerk leveren.
Daarnaast had Marnix grote vormtechnische bezwaren. Datheen had slechts een zeer beperkte dichterlijke begaafdheid. Om zijn regels 'vol' te maken moest hij veel stoplappen gebruiken, vooral in rijmpositie. Ook had Datheen weinig begrip voor het feit dat melodische accenten en accenten in woord en zin met elkaar moeten harmoniëren: zijn berijming laat werkelijk vele honderden botsingen zien tussen woord en toon.
Ter illustratie citeer ik het eerste couplet van Psalm 121, dat bij Datheen zo luidt:

Tot den berghen heff ick op myn
Oogen: ende van daer,
Verwacht' ick hulp eenpaer,
Maer op Godt die ghemaeckt heeft fyn,
Hemel end d'eerd' in 't ronde,
Wil ick my vastlick gronden.

Allereerst valt hier op dat Datheen twee stoplappen nodig heeft, woorden die je overal kunt plaatsen, die niets wezenlijks toevoegen, die louter om het rijm gebruikt worden en dus alleen als 'vulling' fungeren: het woord 'eenpaer' (= steeds) en 'fyn' (= schoon) in de derde en vierde regel. Het wemelt in Datheens berijming van dit soort lege woorden, een duidelijk bewijs van dichterlijke armoede. Lelijk is ook dat de eerste regel eindigt op 'myn', waardoor een onaanvaardbare breuk ontstaat met 'Oogen' dat in de volgende regel is geplaatst. Daar komt nog bij dat de eerste regel ook meteen al twee stevige botsingen van woord en toon te zien geeft: het is onverantwoord dat zware melodische accenten vallen op 'dén' en 'berghén'. Die botsingen van woord en toon maakten het uiterst moeilijk zo niet onmogelijk om Datheens berijming ritmisch te zingen en hier ligt de voornaamste reden van het feit dat in de loop van de 17e eeuw de ritmische gemeentezang verschoof naar de isoritmische zangwijze (populair gezegd: een verschuiving van het zingen op hele en halve noten naar het zingen op hele noten).
In Marnix' berijming van 1580 luidt het eerste couplet van Psalm 121 als volgt:

Of ick op berghen heff mijn oog/
End' in de werelt soeck
Ontset aen allen hoeck:
Soo is doch God/ die d'hemels hoog'/
End' d'aertrijc heeft gheschapen/
Alleen mijn hulp' end' wapen.

Duidelijk is te constateren dat Marnix in de eerste regel de botsingen van woord en toon eruit heeft gewerkt: de melodische accenten op de tweede en vierde lettergreep harmoniëren met de woordaccenten: 'Of ick op bérghen' is goed ritmisch te zingen. Ook zijn de stoplappen verdwenen. Marnix had niet alleen wetenschappelijk maar ook als dichter veel grotere kwaliteiten dan Datheen.

Er zou nog veel meer te zeggen zijn over de verschillen tussen Marnix' berijming en die van Datheen – zoals het feit dat Marnix in plaats van 'gij' als aanspreking voor God het verouderde 'du' gebruikte, iets wat veel tegenzin opriep – maar dat alles moet ik hier laten rusten.
Eén ding staat vast: wie zo objectief mogelijk niet enkele maar alle 150 psalmen in de berijming van beiden vergelijkt, zal tot de conclusie moeten komen dat het gemiddeld niveau van Marnix' berijming zowel inhoudelijk als dichterlijk aanzienlijk hoger ligt dan die van Datheen. Het is dan ook te betreuren dat Marnix' berijming wel ter sprake kwam op twee nationale synoden – Middelburg 1581 en Den Haag 1586 – en op de laatstgenoemde synode zelfs werd 'aengepresen', maar nooit als officiële berijming is ingevoerd. Diverse factoren waren daarbij in het geding: onder meer materiële belangen van drukkers en boekverkopers die benauwd waren met stapels Datheen te blijven zitten, het gebrek aan vertrouwen bij het volk jegens Marnix omdat deze rond 1580 de op Frankrijk gerichte politiek van de Prins had gesteund en bovendien in 1585 als burgemeester van Antwerpen deze stad na een zwaar beleg had overgegeven aan de Spanjaarden en ten slotte het feit dat Marnix in zijn taalgebruik koos voor een aantal verouderde vormen (zoals 'du' en 'dijn' in plaats van het ingeburgerde 'gij' en 'uw' ter aanduiding van God).
De geschiedenis van Marnix' psalmberijming maakt één ding bijzonder duidelijk: als het gaat om de invoering van een nieuwe psalmberijming blijkt het uiterst moeilijk louter objectieve criteria te hanteren, dat wil zeggen dat kwaliteit van de berijming op zich. Diverse andere factoren spelen een rol: gevoelsmatige factoren, gehechtheid aan het oude dat ingeburgerd is, de band met het voorgeslacht, de mate van vertrouwen in de persoon van de dichter, zelfs materiële belangen (het kostenaspect bij producenten en consumenten). Dat is de les der geschiedenis.

Complexiteit
Het maken van een psalmberijming is een uiterst complexe zaak. De dichter moet rekening houden met een veelheid van criteria. Hij moet allereerst recht doen aan de onberijmde tekst (zo nauw mogelijk aansluiten bij de grondtekst, in elk geval aan de bedoeling daarvan). Maar… de woorden die de onberijmde tekst bevat zijn altijd te gering in aantal om de regels van de coupletten te vullen. Met andere woorden: er is altijd aanvulling nodig van woorden die niet in de onberijmde tekst voorkomen om tot een voldoende aantal lettergrepen per regel, een voldoende aantal versregels per couplet en een voldoende aantal coupletten per psalm te komen. Immers, de melodie en daarmee verbonden de lengte van de versregels en de omvang der coupletten staan vast sinds het Geneefse Psalter van Marot/De Bèze dat door Calvijn is ingevoerd. Van groot belang is dan natuurlijk wélke aanvulling, wélke uitbreiding uit de pen van de berijmer komt. Het feit dat de lengte van de regels en de bouw van de coupletten vaststaat, maakt de speelruimte van de dichter zeer klein. Aan alle kanten is hij gebonden. Daar komt nog bij dat hij als dichter te werk moet gaan, dat wil zeggen geen rijmelarij moet geven maar verantwoorde poëzie die zoveel mogelijk recht doet aan de schoonheid van de Hebreeuwse poëzie, aan de bijbel als 'Boek der Schoonheid'. Je moet als dichter heel wat in je mars hebben om in die beperkte speelruimte werk van dichterlijk niveau te leveren. Verder moet de berijmer rekening houden met de verhouding woord en toon: het harmoniëren van de woord- en zinsaccenten met de melodie-accenten. Ten slotte moet het taalgebruik verstaanbaar zijn voor het gemiddelde kerklid, niet platvloers, maar ook weer niet te verheven.
Wie enigszins beseft wat dit allemaal betekent voor een psalmberijmer, wordt zeer voorzichtig in het veroordelen van het eindprodukt. Er is veelal een enorme spanning aanwezig tussen de verschillende factoren die bij een berijming in het geding zijn en die ik hierboven heel summier heb aangeduid. Volledig recht doen aan de ene factor betekent vaak automatisch dat aan de andere tekort wordt gedaan. Vooral de spanning tussen tekstgetrouwheid – letterlijke weergave van de onberijmde tekst – en dichterlijkheid is groot. Ook Marnix heeft met dat probleem geworsteld en dat wordt duidelijk als we nog eens kijken naar zijn berijming van het eerste couplet van Psalm 121.
Ik wees er al op dat wat de vorm betreft – het vermijden van stoplappen, een veel betere verhouding woord-toon – Marnix' berijming in dat couplet die van Datheen verre overtreft. Letten we nu echter op de weergave van de onberijmde tekst, dan constateren we dat in dit couplet Datheen in feite dichter bij de letterlijke bijbeltekst aansluit dan Marnix! Om dit duidelijk te maken citeer ik de eerste twee verzen uit de Deuxaes-bijbel, die Datheen op zijn werktafel had liggen en die Marnix zeker ook heeft gebruikt (naast zijn eigen prozavertaling):
'lck heffe mijn oogen op tot den bergen/ van welcker my hulpe comt.
Mijn hulpe comt van den Heere/ die hemel ende aerde ghemaeckt heeft.'
Een ieder kan constateren dat Marnix zich in de regels 2 en 3 een uitbreiding veroorlooft die zo niet in de bijbeltekst is terug te vinden: 'End' in de werelt soeck/ Ontset aen allen hoeck'. Hij gaat daarbij niet om het woord 'ontset', dat hulp of bijstand betekende, maar om 'in de werelt soeck en 'aen allen hoeck'. Ik vermoed dat Marnix met dit couplet enorm heeft geworsteld: hij wilde de vormtechnische onbeholpenheid van Datheen vermijden, maar daardoor kwam zijn berijmde tekst wat 'vrijer' te staan tegenover de letterlijke bijbeltekst dan bij Datheen. Overigens, Marnix' uitbreiding is natuurlijk niet in strijd met de bedoeling van de bijbeltekst en dat is het criterium als het gaat om tekstgetrouwheid. Het gaat erom dat de dichterlijke uitbreidingen – nogmaals: uitbreidingen zijn onmisbaar om regels en strofen op de juiste lengte te brengen – niet haaks staan op de letterlijke bijbeltekst maar juist in het verlengde daarvan liggen.
Ter aanvulling kan ik nog opmerken dat in de volgende coupletten van deze psalm Marnix aanzienlijk beter de bijbeltekst verwoordt dan Datheen. De berijming van Psalm 121 zowel door Datheen als door Marnix maakt ons ten eerste duidelijk hoe complex het berijmen van een psalm is en ten tweede dat je bij de beoordeling van een psalmberijming nooit op één couplet of op één psalm kunt afgaan. Je zult om tot een weloverwogen oordeel te komen minstens tientallen psalmen nauwgezet moeten vergelijken. Wie dat doet, zal moeten vaststellen dat Marnix' berijming door de bank genomen de beste is van de twee.

J. de Gier, Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Hoofdmomenten van het lied in de christelijke gemeente in Nederland (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's