De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Gerechtigheid en barmhartigheid (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gerechtigheid en barmhartigheid (3)

Diakonia

9 minuten leestijd

De wetgeving van Israël is uniek in het oude oosten. AI zijn er parallellen aan te wijzen in de omringende landen, – met name in het wetboek van Hammurabi – en worden ook bij andere volken sociale wetten gevonden, op essentiële punten wijkt de thora af van wat elders gebruikelijk is. Kenmerk van Gods wetten voor Israël is, dat 'een geest van goedheid en bewogenheid met het lot der zwakken de vermaningen en de wetten, zelfs de vervloekingen doorademt' (v. Leeuwen). De Heere verwacht van Zijn volk gerechtigheid en barmhartigheid jegens de armen, zoals Hij die ook bewijst aan ieder, die op Hem hoopt. Op diverse plaatsen wordt het in praktijk brengen van die geboden als een kenmerk genoemd van de oprechte. De rechtvaardige leeft in liefde tot zijn naaste; daarin is een maatstaf te vinden voor de beoordeling van iemands moreel en geestelijk leven. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat het begrip gerechtigheid als zorg voor de armen en verdrukten in het Oude Testament steeds meer de bijklank krijgt van barmhartigheid en tenslotte eenvoudig 'aalmoes' kan betekenen.

Bijzondere zorg
De samenleving van Israël droeg aanvankelijk een vrijwel uitsluitend agrarisch kenmerk. Het volk bestond voornamelijk uit boerenfamilies, die op hun eigen stuk grond hun levensonderhoud vonden. Van geldhandel, zoals in Babylonië, was geen sprake; grootgrondbezit kende men niet.
De sociale zorg, die de Heere als de God van het Verbond aan Zijn volk opdraagt, komt dan ook in het bijzonder tot uiting in de wetgeving rond het bezit en gebruik van de landbouwgrond. De basisgedachte van deze wetten is, dat de Heere eigenaar is van het land Kanaän. Hij heeft elk geslacht een erfdeel toebedeeld, waarop men als vreemdelingen en bijwoners op Gods grond wonen mag (Lev. 25 : 23). Uitgaande van dat principe, kan niemand recht laten gelden op wat hij heeft, want alles is een genadegave uit Gods hand. Daarom worden tienden gegeven voor de dienst van de Heere. Daarin belijdt men het recht van God op alles, wat men bezit en ontvangen heeft. Maar ook de naaste mag niet vergeten worden. Bij het oogsten moet een hoek van de graanakker niet gemaaid worden (pea) en gevallen aren mogen niet door de boer zelf worden opgelezen (leqet); de armen en vreemdelingen hebben er recht op. Verder moet het land eens per zeven jaar rusten, het sabbatsjaar. Wat tijdens die periode van braakliggen op de akker, in de wijngaarden en aan de olijfbomen groeit, is eveneens voor de armen bestemd. Dit alles vindt zijn hoogtepunt in het jubeljaar, dat eens per vijftig jaar gevierd wordt. Het jubeljaar begint op de Grote Verzoendag, wanneer de ramshoorn geblazen wordt (jobel). In deze bijzondere jaren worden alle Joodse slaven losgelaten, komen akkers, die men door omstandigheden aan anderen had moeten verkopen, aan de oude eigenaren terug en worden schulden kwijtgescholden.

Nieuwe kans
De Heere zorgt er zo Zelf voor, dat kinderen en kleinkinderen niet behoeven te zuchten onder de gevolgen van luiheid of overdaad van ouders of grootouders. Telkens krijgt elke generatie een nieuwe kans om in vrijheid voor Gods aangezicht te leven. Niemand zal overmatig rijk kunnen worden ten koste van anderen, ieder zal moeten leven uit Gods hand en voortdurend op de zegen van de Verbondsgod zijn aangewezen. Tenslotte valt ook de instelling van de losser op, de naaste bloedverwant, die een kinderloze weduwe uit haar ellende verlost door met haar in het huwelijk te treden en haar bezit dat zij heeft verloren, terug te kopen, zodat zij niet als een weerloze arme door het leven hoeft te gaan, maar een nieuw begin mag maken. In de geschiedenis van Ruth komen al deze aspecten op een bijzondere manier aan de orde, al blijkt ook daar, dat niet ieder zich zo aan Gods wet hield als de rechtvaardige Boaz.

Armoede
Uit de bepalingen van sabbats- en jubeljaar blijkt al, dat ook in Israël armoede voorkwam. Duidelijke sancties, behalve de straf van God, waren niet aan de geboden verbonden. De dagelijkse praktijk van het leven was dan ook dikwijls heel anders, dan God in Zijn geboden aan Zijn volk had bevolen. Met name de profeten en psalmen laten ons zien, dat er in de loop van de tijd sprake was van groeiende sociale ongelijkheid in Israël. Met de komst van de koningen, die zich steeds meer gingen gedragen als oosterse vorsten (bijvoorbeeld Salomo), werden het volk zware belastingen opgelegd, die vaak moeilijk op te brengen waren. Bovendien werden de zwakken door de sterkeren met geweld beroofd van wat zij hadden. Job 24 tekent ons, op welke wijze de armen het slachtoffer werden van anderen, die zich aan Gods wet niet stoorden.
Met de opkomst van de Baäldienst kreeg het recht van de sterkste nog meer de overhand. Bovendien werd ook steeds meer de geestelijke kant van de armoede zichtbaar. Wie zich hield aan de wet van God viel ten slachtoffer aan anderen, die zich aan God noch Zijn gebod stoorden. Daarbij kwam, dat de rechterlijke macht omkoopbaar was en het recht boog ten gunste van de rijken en de machthebbers, zodat de zwakken altijd het slachtoffer werden en degenen die trouw bleven aan de dienst van de Heere, zoals Naboth in de tijd van koning Achab, het onderspit moesten delven. Het gevolg was, dat er steeds meer armen in Israël kwamen. Velen van hen trokken naar de tempel. Ze zochten hun heil bij de Heere; alleen Hij kon hen werkelijk helpen. Ze vonden hun Toevlucht in Gods huis en werden gevoed bij het altaar.

Ommekeer
Deze ontwikkeling betekende een radicale ommekeer, tegengesteld aan alles wat de Heere in Zijn wet had bevolen. Gerechtigheid en barmhartigheid, die het leven van Israël behoorden te kenmerken, werden vervangen door uitbuiting, geweld en verdrukking. Terwijl sommigen in Israël aan deze zonden voorbij leefden en ze meenden te bedekken en goed te maken met een uitwendige vormendienst, veroordeelden de profeten de armoede met felle bewoordingen. Amos, Micha, Jesaja en anderen hebben onvermoeibaar opgeroepen tot een waarachtige terugkeer tot God. Daarbij hebben ze de zonden uit de samenleving heel concreet aangewezen, waar een arme verkocht werd om een paar sandalen en de rijken zich niets gelegen lieten liggen aan de bittere nood van de armen. De profeten hebben Gods oordeel aangekondigd en het volk gewaarschuwd, omdat Gods gerechtigheid ook straf op de zonde betekent. Zo hebben ze voortdurend opgeroepen tot bekering. Dat is niet alleen een zaak van het hart. Echte bekering kan niet zonder vernieuwing van het leven en zal uitkomen in een handel en wandel naar Gods geboden. 'Doet recht en gerechtigheid, en redt de beroofde uit de hand van de verdrukker; en onderdrukt de vreemdeling niet, de wees noch de weduwe; doet geen geweld en vergiet geen onschuldig bloed' (Jer. 22 : 3). Rechtvaardig is een mens, die 'niemand verdrukt, de schuldenaar zijn pand weergeeft, geen roof rooft, de hongerige zijn brood geeft en de naakte met kleding bedekt; niet geeft op woeker, noch overwinst neemt, zijn hand van onrecht afkeert, waarachtig recht tussen de een en de ander uitoefent, in Gods inzettingen wandelt en Zijn rechten onderhoudt, om trouwelijk daarnaar te handelen' (Ezechiël 18).
De twee citaten zijn met talloze andere aan te vullen. Het is kenmerkend voor de prediking van de profeten, dat zij grote aandacht hebben gegeven aan de sociale misstanden in hun tijd. Ze hebben dat niet gedaan uit een soort humanistische bewogenheid of omdat zij radicale revolutionairen waren, maar omdat ze uitgingen van Gods gerechtigheid en barmhartigheid. Ze hebben het volk het recht van God en de eenheid van leer en leven voorgehouden, waarbij allerlei heilige huisjes niet ontzien werden. Wie bijvoorbeeld leest, hoe Amos zijn rijke tijdgenoten aanspreekt, merkt dat hij hen niet spaart of hen naar de mond praat, maar met de kracht van het Woord de zonden van hun leven ontdekt. De dienst van de Heere wasvoor hen een loze vorm geworden. Daarom wil de Heere hun offers niet aanvaarden en hun liederen niet horen. Hun zonden roepen immers tot de hemel. Juist in de omgang met de naaste worden de symptomen zichtbaar van het geestelijk verlaten van de Heere. We kunnen zeggen: De levenswandel van Israël is de graadmeter van het geestelijk leven van het volk.

Psalmen
Wat de profeten verkondigen, vinden we ook terug in talrijke Psalmen. Soms horen we daar iemand met blijdschap en overgave zingen van zijn liefde tot de dienst van de Heere en zijn hartelijk voornemen in handel en wandel God te eren. Maar vaker roepen de rechtvaardigen in hun gebeden om Gods hulp en bijstand tegenover allen, die hen verdrukken. Zij zijn de armen, die in de nood van hun leven alleen op de Heere hopen. Zo is het Psalmboek niet alleen een boek, waarin we de heiligen in het hart zien; we krijgen ook zicht op de bittere nood, waarin zij dikwijls verkeerden en waarin ze de Heere allen tot een Helper hadden. Het is dan ook begrijpelijk, dat de Psalmen ook wel het boek van de armen genoemd worden, waarin een beroep wordt gedaan op Gods gerechtigheid en barmhartigheid.
Dat gebed vindt zijn hoogtepunt in de verwachting van de beloofde Messias, de Koning der gerechtigheid. Die vrede op de aarde zal gebieden. Psalm 72 zingt op onvergelijkelijke wijze van Zijn regering: 'Hij zal de nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders de ellendige en die geen helper heeft. Hij zal de arme en nooddruftige verschonen en de zielen der nooddruftigen verlossen'. Die verlossing gaat verder dan het opheffen van sociale tegenstellingen. Hier horen we de tonen van het komende rijk van vrede, waarin de armoede en de gebrokenheid van het leven zal zijn weggedaan. 'Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.' Dat kan de Messias alleen door Zelf de zonden te dragen als de Knecht des Heeren. Dan blijkt, dat gerechtigheid meer is dan sociale vernieuwing. Wat het Paaslam bij de uittocht en het offer op de Grote Verzoendag aanduidden, wordt bij Jesaja in klare bewoordingen voorspeld: de Messias, Die de gerechtigheid op aarde brengt, draagt de straf voor zondaren. Hjj is de Arme, die niet alleen solidair met de armen is, maar in hun plaats treedt en het oordeel van God draagt, om eeuwige gerechtigheid aan te brengen. Zo leren we Zijn Naam spellen: 'De Heere, onze gerechtigheid'. Maar – en dat wordt duidelijk uit heel de Schrift – wie Hem door het geloof als Koning leert kennen, krijgt de roeping mee om naar Zijn wil te leven. Het Nieuwe Testament laat ons zien, dat het dan opnieuw gaat om de dienst van gerechtigheid en barmhartigheid.

A. W. van der Plas, Waddinxveen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Gerechtigheid en barmhartigheid (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's