Onbevredigende Reformatieherdenking
Tegenover het enthousiasme waarmee plaatselijk in het land interkerkelijke Reformatieherdenkingen worden georganiseerd, staat een gevoel van teleurstelling, dat zich van ons meester maakt, wanneer de gewone orde der dingen zich weer aankondigt. De vraag kan gesteld worden wat daarvan de oorzaak is. Past een herdenking van de Reformatie nog wel in deze tijd? Weten we nog wel raad met de boodschap van Luther en Calvijn? Komt het misschien ook door deze onzekerheid dat een herdenking ons eigenlijk niet geeft wat we ervan verwacht hebben? Een gevoel van onbevredigdheid blijft over. We weten er eigenlijk niet goed raad mee. Zo gaat het naar de volgende herdenking.
Onbevredigde reformatoren?
Wie de levensbeschrijvingen leest van de grote reformatoren, ontdekt dat ze in veel opzichten heel gewone mensen waren. Men kan zeggen dat hun de gewone teleurstellingen niet bespaard bleven. Ze hebben hun aanvechtingen gekend. Ze zaten bij tijden in de put. Maar kan men beweren, zoals wel gebeurd is, dat ze aan het eind van hun leven vrijwel allemaal teleurgesteld waren?
Luther heeft meer dan eenmaal op het punt gestaan om het bijltje erbij neer te gooien. Het is voorgekomen dat hij weigerde naar Wittenberg terug te keren, omdat hij zijn werk in kerk en universiteit niet meer zag zitten. Men spreekt ook wel terecht over de 'oude Luther', de man die ietwat narrig kon zijn en die het jeugdige élan miste waarmee hij de Reformatie had ter hand genomen, 'als een blind paard erin geleid'. Juist op het punt van de Reformatie zelf was hij teleurgesteld.
Misschien klinkt ook daarvan iets door in het kleine briefje, dat men na zijn sterven vond. 'Je moet wel honderd jaar de kerk geleid hebben zul je de bijbel verstaan. Wij zijn bedelaars, dat is waar!' Luther had van het leiden van de kerk niet altijd evenveel vreugde gehad.
Van Zwingli vertelt men dat hij niet lang voordat hij bij Kappel in de strijd gedood werd, van plan was geweest om zijn ambt in Zurich op te geven. Hij had het er niet gemakkelijk mee gehad.
Bucer stierf in Engeland met het gevoel dat het werk van de Reformatie op het vasteland niet was geworden wat het had moeten zijn. Men had veel geweten en weinig gedaan met die wetenschap. Hij zag daarin een oordeel van God. Vermoeid van het leven ging hij heen.
Calvijn stierf nadat hij afscheid had genomen van zijn collega's. Alleen de laatste tien jaar in Genève waren zonder al te grote strijd geweest. Hij bezwoer zijn broeders om alles zo te laten als het was en op te passen voor veranderingen.
Men tekent deze beelden van teleurgestelde reformatoren soms, om aan te geven dat zij aan hun werk geleden hebben.
Maar het is evengoed mogelijk om een ander beeld te laten zien. Mensen, die ons in alles gelijk waren, heeft God willen gebruiken voor zijn machtige werk. En ligt het niet voor de hand, dat juist deze predikers van de vrije genade voor zichzelf hebben moeten beleven, dat zij mèt hun werk, ook met het werk van de kerkhervorming niet voor God konden verschijnen?
Onbevredigde Reformatie?
Eigenlijk hadden de dopers het in de zestiende eeuw reeds over een halve reformatie, wanneer ze aan het werk van Luther en Calvijn dachten. Het werk was maar ten dele gelukt. Men had zich moeten losmaken van de overheid en men had vooral het heidense gebruik van de kinderdoop moeten prijsgeven. Onbevredigde Reformatie? Ja, zeiden de dopers.
Een eeuw ná de Hervorming sprak men hier in Nederland over de noodzaak van een Nadere Reformatie. Betekent dit wellicht dat men van oordeel was dat de Reformatie zelf niet afwas? Was dit de zin van de bekende opvatting die stamt uit de kringen rond Voetius en Koelman: men spreke liever over een reformerende kerk dan over een gereformeerde kerk? Semper reformanda, we citeren het woord soms om de noodzaak van een blijvende reformatie aan te geven.
De kritiek op de Reformatie is nimmer tot zwijgen gebracht. De achttiende eeuw en de volgende wisten te melden dat Luther weliswaar de paus had afgezworen, maar dat hij de papieren paus, de bijbel, nog niet vaarwel had gezegd.
ledere eeuw heeft aan deze kritiek het hare toegevoegd. Onze tijd poneert de stelling dat de moderne mens niet de vraag stelt die Luther bezighield: hoe krijg ik een genadig God. Het is de Godsvraag zelf, die aan de orde is. Waar is God, en hoe is God. Daarmee is de Reformatie zelf in haar vraagstellings achterhaald, zo lijkt het.
Maar is het waar? Calvijn verbindt de Godsvraag met die van de zoekende mens. Men kan niet vragen wie of waar is God, wanneer deze vraag niet vanuit de diepste nood van het eigen mens-zijn aan de orde komt. Het is de Reformatie zelf geweest, die de eigenlijke vraag omtrent God in een rechtstreeks verband heeft gezet met de genade en met de Schrift en met de Kerk.
Daarom kan ons gevoel van onbevredigdheid ook niet verklaard worden vanuit een deficit, een gebrek dat aan de Reformatie zelf eigen zou zijn geweest. Alles speelt zich daar immers af voor het aangezicht van God zelf. De zelfkennis is daarom zo diep en intensief bij Luther en de anderen, omdat het heel wat anders is dan het heidense 'ken uzelf'. Het is die kennis die ontstaat, waar wij gerechtvaardigd moeten worden voor Hem, die ons alleen rechtvaardigen kan.
Het is een kennis die vèr uitgaat boven alles wat wetenschap en wijsbegeerte ons leren. Theologisch heet zij, omdat het gaat om de wegneming van de schuld, dat theologisch begrip der werkelijkheid die ons zegt dat een mens nooit van God los komt. Theologisch is deze kennis van God en mens tevens omdat in deze ontmoeting van de te rechtvaardigen zondaar en rechtvaardigende God de genade een werkelijke plaats krijgt: de genade van de vergeving der zonden.
Daarin is de Reformatie klaar en duidelijk. Door het geloof, door de Schrift alleen verkrijgen we kennis van de genade Gods in Christus. Dat is niet een zaak van de zestiende eeuw, evenmin als het slechts een kwestie was van de eeuw van Paulus. Het is volgens de Schriften het eigenlijke punt, waarop het aankomt in alle eeuwen.
Waar deze centrale inhoud van het evangelie bij een Reformatieherdenking weer goed uit de verf komt, daar ligt het niet aan die herdenking op zichzelf, dat er een gevoel van onbevredigdheid blijft zitten dat na twee, drie dagen sterker nog gevoeld wordt.
De reformatoren hebben er zelf wellicht ook wel iets van geweten. Het waren mensen, zeiden we, van gelijke beweging als wij. Toch hebben zij de deur van het paradijs zien opengaan. Ze aanschouwden bij het kruis de heerlijkheid van de genade Gods in Christus. Voor hèn was er zéker op dit punt geen sprake van een onbevredigende Reformatie.
Onbevredigende Reformatieherdenking?
Hoe komt het dan wel, dat onze herdenkingen van de Reformatie een gevoel achterlaten van teleurstelling? Het kan zijn, omdat we er de grootste moeite mee hebben om de werkelijkheid van de genade, zoals toen beleden en beleefd, in ons eigen bestaan te ervaren. Zeker, we zingen het zonder enige tempering vaak, ofschoon de woorden ons in de keel zouden moeten stokken: 'Delf vrouw en kindren 't graf…'. Het blijft echter bij een gezongen lied. Zouden we geen grote moeite hebben als het werkelijkheid werd? Zijn de geweldige diepten van de genade voor ons niet al te veel ingekapsteld in zuivere begrippen en evenwichtige denkconstructies? De Reformatie stond dichter bij de bron van de genade zelf.
Onbevredigend is wellicht onze Reformatieherdenking ook, omdat we niet meer zo onbevangen leven uit de verrassingen die zich voordoen wanneer het Woord van God opengaat, zoals de poort van het paradijs voor Luther zich opende bij de Schriften. Onze omgang met de Schriften blijft veelal steken in verhandeling omtrent de hermeneutische problematiek rond een tekst. Er is geen smid in het land, die hier een sleutel maken kan. Daardoor zien we ook niet dat het slot van de àndere kant opengaat. Zo blijft de poort dicht. De genade opgeborgen in denkconstructies, het Woord Gods gevangen in ònze hermeneutiek.
Daardoor komt er iets van vervreemding ten opzichte van de Reformatie, die leidt tot een gevoel van onbevredigdheid. Toch, zo menen we, is daarmee niet alles gezegd. We vergeten bijna dat de Reformatie niet slechts hervorming van de theologie en van de vroomheid was, maar dat zij dit alles slechts kon zijn, omdat zij een reformatie van de Kerk was.
Ligt daar niet het grootste probleem bij onze herdenkingen? Luthers kerkidee was een ander dan dat van Calvijn. En het kerkmodel van Frankrijk, Schotland en Nederland zag er weer anders uit dan dat van Genève. Maar de modellen, waar dan ook, ontvingen hun kracht en inhoud vanuit het evangelie zelf.
Daar ligt het geheim van de kerk, in het pure, klare evangelie van Gods eeuwige genade in Christus voor doodschuldige zondaren. Waar dàt evangelie, hoe dan ook, verduisterd wordt, verdwijnt de kracht, verdwijnt ook de eenheid van de kerk. Want haar eenheid ligt in dit evangelie van vrije genade. Op dit punt hebben de reformatoren elkaar herkend, en ook gezocht.
Onbevredigend zal iedere Reformatieherdenking blijven, zolang in dit stuk van zaken de dingen niet werkelijk op elkaar betrokken worden: evangelie en Kerk en dan ook Kerk en kerken.
W. van 't Spijker, Apeldoorn
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's