Uit de Pers
Ontkerkelijking gaat door
Het dreigt een afgezaagd thema te worden: de voortgaande ontkerkelijking in Nederland. Toch dwingt de werkelijkheid ons ertoe om op de hoogte te blijven van de feiten. Een werkelijkheid, die allang niet meer alleen in de grote steden aan de orde is, maar intussen ook volop aan de gang is in wat heet 'de middelgrote plaatsen'. Maar ook op het platteland zijn de verschijnselen van het verdwijnen van de invloed van kerk en geloof op de bevolking volop tasten meetbaar. In de rubriek Reflexen in Theologia Reformata van september 1994 besteedt prof. dr. F. G. Immink aandacht aan de discussie op de Hervormde synode vlak voor de zomer over het rapport Secularisatie in Nederland 1966-1991.
Schrikken we van deze ontwikkelingen? Ik zou zeggen: ja, en wel om twee redenen. Allereerst vanwege het belang van het persoonlijk geloof. Er gaat een zekere huivering door je heen wanneer je beseft dat zoveel mensen geen besef van God meer hebben en geen weet hebben van de genade in Jezus Christus. Zonder de gemeenschap met God zijn we immers afgesneden van het heil dat de Here geeft en ontdekken we de ware betekenis van het leven niet. Ondertussen zijn we er wel aan gewend geraakt. De kerk waar we 's zondags samenkomen stroomt misschien nog aardig vol, maar in de straat waar we wonen gaat er maar een enkeling naar de kerk. Het overgrote deel houdt het voor gezien. En op ons werk komen we ook weinig mensen tegen die het christelijk geloof in praktijk brengen. Dat maakt onszelf ook schuchter en verlegen: het is eigenlijk ook een beetje vreemd om te geloven.
Ten tweede vanwege de publieke moraal. Het evangelie wil doorwerken in de samenleving en het geheel van opvattingen over goed en kwaad doordrenken. Ook de samenleving als zodanig kent normen en waarden, zoals we dat tegenwoordig noemen, en het christelijk getuigenis wil daarin een zoutend zout zijn. Het gaat niet alleen om het persoonlijk heil, maar ook om het geestelijk gehalte van de samenleving. Zoals de apostelen de wereld introkken om het getuigenis van Jezus Christus openbaar te maken, zo wordt ook de gemeente gezonden in de wereld. Vanuit dit gezichtspunt is er opnieuw sprake van een crisis: het getuigenis van de kerk heeft weinig zeggingskracht in de moderne samenleving.
Terecht merkt prof. Immink op dat deze ontwikkelingen ons uiteindelijk niet hoeven te verbijsteren alsof zich daarin iets vreemds openbaart. Immers, gemeenschap met God is een zaak van geloof, altijd al geweest. En de breuklijn, die zich juist in onze tijd zo helder aftekent, hoort bij de bedeling waarin we leven. De gelovige kent volgens de bijbel altijd de strijd tussen vlees en Geest, aldus prof. Immink. Het Koninkrijk van God is niet hier en is niet daar. 'Het heil en de volle heerlijkheid blijven verborgen in Jezus Christus'. Intussen hebben de genoemde ontwikkelingen wel meer en meer hun invloed gekregen ook op ons die nog steeds kerkganger en hopelijk ook een levend gelovige en volgeling van Christus zijn.
De kerk leeft temidden van de cultuur en wij mensen ademen in veel opzichten ook de geest van de cultuur in. We hebben dat niet altijd in de gaten, maar moderniseringen (denk alleen maar aan de techniek en de communicatiemiddelen) gaan niet aan ons voorbij. Langzamerhand komen we er wel achter dat modernisering lang niet altijd vooruitgang betekent en dat er ook heel veel kwalijke kanten aan zitten. Daarbij denk ik niet alleen aan de milieuproblematiek, maar ook aan gevoelens van eenzaamheid en ongeborgenheid (onveiligheid) als gevolg van een vergaande individualisering. Bovendien kunnen wij mensen weinig samenhang ontdekken in het leven, omdat het allemaal zo versnipperd is. Het leven is heel complex en pluriform, en meer en meer worden we gedwongen om specialist te zijn. Individualisering en pluralisering kenmerken onze cultuur. (…)
… Het proces van secularisatie heeft eraan bijgedragen, dat wij mensen het gevoel hebben gekregen dat een heleboel dingen binnen ons machtsbereik liggen. Het besef van een hogere macht buiten ons en boven ons is afgebrokkeld. Veel mensen beleven dat als een bevrijding: we worden niet meer beheerst en beknot door machten en regels boven ons waar we geen enkele greep op hebben, maar we zijn vrij geworden. Dit soort opmerkingen hoor je soms ook binnen de kerk als het over de secularisatie gaat: het is een zegen.
Toch lijkt mij dat een misvatting. In de eerste plaats springt men te lichtvaardig om met de secularisatie als ont-goddelijking. Want het gaat daarin niet alleen om een ontgoddelijking van de wereld om ons heen (hetgeen men dan als positief waardeert omdat het in de bijbel ook al zou gebeuren), maar net zo goed treft het de ontgoddelijking van Jezus Christus en de God van Abraham, Isaäk en Jacob. In de tweede plaats is het de vraag of bijvoorbeeld de vermenselijking van normen en waarden wel zoveel heil brengt. Als wij in een intermenselijke dialoog moeten uitmaken wat goed en kwaad is, zou het nog wel eens slecht kunnen aflopen.
…In dit hele proces van secularisatie blijft de Gereformeerde Gezindte niet buiten schot. We leven immers niet geïsoleerd ergens op een eiland ver van de boze wereld. Hoe zal het de Gereformeerde Gezindte vergaan?
Gereformeerde Gezindte blijft
De godsdienstsocioloog dr. H. C. Stoffels zegt het in een gesprek, dat dr. W. Fieret namens Bijbel en Wetenschap, het tijdschrift van de Evangelische Hogeschool, met hem had (oktober 1994, 19e jaargang nummer 174) nog krasser: Gereformeerde Gezindte zal er zijn tot de jongste dag! Dr. Stoffels verwierf bekendheid door zijn proefschrift van enkele jaren geleden over de evangelischen 'Wandelen in het licht'. Onlangs verscheen onder zijn redactie een bundel artikelen over de bevindelijk-gereformeerden. In het gesprek komt o.a. het spanningsveld aan de orde, waarin orthodox-gereformeerde jongeren en ouderen zich in toenemende mate bevinden.
Wanneer we kijken naar de studerende jeugd van de orthodoxe protestanten, kun je wel stellen dat zij in twee werelden leeft, de wereld van de moderniteit versus de wereld van de orthodoxie. Dit staat haaks op het christelijke adagium, treffend door Kuyper onder woorden gebracht met zijn uitdrukking: Er is niets op de wereld waarvan Christus niet zegt: MIJN. Herkent u iets van dit spanningsveld?
Er is inderdaad sprake van een zekere compartimentalisatie. Het geloof is iets van de vaderen, het is het overgeleverde dat bij thuis hoort, bij het vertrouwde, bij de kerk. Daarnaast wordt er voluit deelgenomen aan de moderne wereld met het levensgevoel dat daarbij hoort. Dit veroorzaakt een geweldig spanningsveld. Je ontkomt niet aan het ontstaan van het wij-zij gevoel, waarbij de moderne mens tegenover de gereformeerde mens staat. Het leven volgens Gods geboden, een bijbelse visie op huwelijk, gezin, leven, dood, verhouding kerk en staat, dat zijn allemaal zaken die bij de moderne mens niet worden gevonden. Anderzijds is er de nuchtere eis van het brood verdienen. Je staat nu eenmaal in deze wereld, in deze maatschappij en er moet brood op de plank zijn. Voor dit conflict zijn diverse oplossingsmodellen. Je kunt in de eerste plaats een scherpe scheiding trekken tussen het leven thuis en het leven in de studie en op het werk. Je leeft dan in twee werelden: het werk of de studie verwordt tot iets wat je nu eenmaal moet doen, maar waar je hart niet ligt. Een andere oplossing is om militant de wereld in te trekken om je eigen godsdienstige idealen te realiseren of het in ieder geval zover te krijgen dat er rekening mee wordt gehouden. Je kunt je verzetten tegen bijvoorbeeld zondagsarbeid, tegen de plicht om je collectief te verzekeren. Op grond van je godsdienstige overtuiging claim je bepaalde rechten. Anderen zullen deze militante houding niet hebben en proberen werk te zoeken in eigen kring. Een verpleegster die in een algemeen ziekenhuis werkt en in nood komt als gevolg van het gevoerde abortusbeleid, kan solliciteren naar een ziekenhuis waar een ander beleid wordt gevoerd. Je ziet tenslotte ook orthodoxe christenen die de overstap naar de wereld maken. Zij constateren dat er in die wereld ook aardige mensen zijn, dat er goed valt te werken, te praten en te studeren. Zij komen tot een zekere relativering van hun godsdienstige opvattingen. Maar, om terug te komen op uw oorspronkelijke vraag, het is mijns inziens in onze samenleving niet meer mogelijk om afles te plaatsen onder de paraplu van de godsdienst.
Een volgende vraag die aan dr. Stoffels wordt gesteld, heeft te maken met het degraderen van het geloof tot een louter privé aangelegenheid. Godsdienst wordt inderdaad meer en meer een louter voor-elk-wat-wils aangelegenheid, aldus dr. Stoffels. Kerken en gemeenten gaan om zo te zeggen een keuzepakket aanbieden om mensen toch maar vast te houden. Soms zwerven mensen van de ene naar de andere kerk of gemeente op zoek naar wat ze vrillen horen en beleven in een kerkdienst. De perforatie van de gemeentegrenzen in de hervormde kerk is daar een voorbeeld van. Grote hervormde gemeenten van GB-signatuur proberen beleidsmatig ruimte te scheppen voor de variatie onder hun leden door wijkgemeenten van verschillende kleur te laten zijn, uiteraard binnen de kaders van Schrift en belijdenis, om toch maar jongeren èn ouderen vast te houden en te bewaren voor het Woord.
Is er vanuit deze godsdienstsociologisch bepaalde zienswijze nog wel toekomst voor de gereformeerde gezindte?
Daar is geen twijfel aan; deze groep zal haar aanhangers hebben tot de jongste dag. De godsdienst is daar zo sterk en zo onontkoombaar en in een zekere beslotenheid, dat die niet weg te denken valt. Je ziet dat mensen van deze groep op gepaste afstand in eigen tempo de ontwikkelingen volgen in de samenleving, waarbij wel scherp wordt onderscheiden tussen de ontwikkelingen van de techniek en op godsdienstig en moreel gebied. Wat deze laatste betreft, blijft men zichzelf, technische vindingen worden gewaardeerd. Op het kerkelijk bureau van de Gereformeerde Gemeenten kent en gebruikt men de fax.
Mag ik u tot slot vragen wat u aantrekt in de gereformeerde gezindte, door u aangeduid als de bevindelijk gereformeerden?
De diepe ernst waarmee men met het geloof omgaat. Godsdienst is niet iets wat je zelf kiest of samenstelt, het is iets wat je van buitenaf wordt aangereikt en waarmee men consequent het leven probeert in te richten. Weinig concessies worden er gedaan. Kijk naar hen die getroffen zijn door polio. Men is bereid om te verhuizen naar een plaats waar een school is van eigen richting. Men heeft heel duidelijk een eigen stijl die zich ook uit in kleding en haardracht, zelfs in muziekkeuze. Dat heb ik geconstateerd op de Wegwijsbeurs. Het geloof is allesbepalend. Daarbij is er weinig behoefte om bij de moderne mens in het gevlei te komen. Die levensernst en die standvastigheid, daar heb ik zeer veel respect voor.
De waardering hier verwoord komt uit de mond van een godsdienstsocioloog, die de zaken hier ten voorbeeld gesteld op een wat andere manier taxeert dan iemand die tracht schriftuurlijk over deze zaken te denken. We zouden dan liever iets meer doen aan innerlijke zelfkritiek. Daarom lijkt het ons goed dit keer af te sluiten met een bijdrage (column) die drs. H. van 't Veld schreef voor Wapenveld (augustus 1994).
Misschien dat daarin iets zit wat ons tot nadenken brengt. Hij schrijft als titel erboven: En zij hadden alles dubbel. Uit het geciteerde wordt wel duidelijk wat hij ermee bedoelt.
Op eerste Pinksterdag 1994 sprak ik op het International Agrarian Institute in Wageningen over Handelingen 4 : 32-37: 'but they had all things common'. Ik schetste de vele buitenlandse studenten, hoe dit aspect van de eerste christelijke gemeente geen vrucht was van dwang, maar – hoe voorlopig en hoe ten dele ook – van de Geest: het heil in Christus werd zichtbaar in de verhouding tussen mensen. Zo leefde de gemeente van Christus in het licht van Gods genade, zo kreeg zij werfkracht, zo brak een glimp van de eindtijd door.
Na afloop kwam onmiddellijk een negerchristen naar mij toe. Na woorden van dank voor de meditatie, zei hij wat aarzelend: maar de tekst klopt niet, als ik in uw land ook onder christenen om mij heen kijk. De tekst zou moeten luiden: 'but they had everything double'.
Ik keek met zijn ogen en kijk sindsdien met mijn ogen in dit opzicht opnieuw om mij heen en moet hem gelijk geven. Het individualisme is ook onder christenen, ook in de gereformeerde gezindte, zover voortgeschreden, dat er van een 'maar gij geheel anders' in dit opzicht geen sprake meer is. Je ziet het overal om je heen: in gezinnen waarin de ene huwelijkspartner, meestal in een full-time baan, een uitstekend salaris heeft, brengt de andere eveneens een flink inkomen binnen. Zo is er geld beschikbaar voor het 'dubbele': het extra mooie huis dat een 'castle' wordt, waarin men zich al noemt men het LINQUENDA, warm nestelt, voor een tweede auto en een tweede vakantie in het buitenland.
De gevolgen zijn zichtbaar, maar nopen klaarblijkelijk niet tot inkeer. Vanwege de dubbele baan die velen hebben en houden, dwalen velen, vooral jongeren, rond voor wie geen enkele baan beschikbaar is. Een schrijnend voorbeeld uit mijn rectorstijd: een moeder, full-time doktersassistente terwijl haar man een dik belegde boterham verdiende, klaagde erover, dat de jeugd zo weinig perspectief op de arbeidsmarkt had. Zij noemde als voorbeeld haar dochter, die na het behalen van haar havo-diploma nu ook voor doktersassistente was geslaagd, maar geen baan kon vinden. Heel verbaasd was haar reactie, toen ik zei wel een baan te weten, namelijk de hare…!
De toenemende vergrijzing doet in sterke mate een beroep op vrijwilligerswerk in de thuiszorg. Ook hier, bij uitstek een terrein waarop de onderlinge liefde van de christelijke gemente kan blijken, is echter weinig gemeenschappelijks meer. Zus en dochter werken de hele dag en ook de welgestelde buurvrouw verdient bij.
De regering, lamenterend over zoveel werklozen, verheft heel hypocriet meer en meer het 'dubbel hebben' tot norm. Als het voornemen om bij gezinnen met een enkel inkomen de overheveling van de belastingvrije voet te laten vervallen, wordt gerealiseerd, worden zij vanwege hun enkel inkomen in feite beboet, terwijl een beloning voor hun banenscheppend altruïsme en hun disponibel zijn voor vrijwilligerswerk eer op zijn plaats zou zijn.
We geven toe, dat idealiter de mogelijkheid aanwezig is, dat al het dubbele afgestaan wordt aan medemensen in armoe en in nood. We beseffen heel goed, dat het voor lagere inkomens en jonge gezinnen soms noodzakelijk is, dat man en vrouw samen verdienen. We gunnen beiden dat ze na een vaak lange opleiding die ook een tijd lang in praktijk brengen. We zien in, dat economische redzaamheid belangrijk is, als één der partners uitvalt. Maar er zou in elk huwelijk een tijd moeten komen, dat er een christelijke streep door het dubbele gehaald wordt en genoegen wordt genomen met een enkel inkomen, door één partner in zijn geheel of door beide partners part-time verdiend.
Het is beschamend dat de eerste tekenen van verzet niet komen vanuit de gemeente van Jezus Christus, maar vanuit de feministische beweging. Daar wordt terecht gesteld, dat economische onafhankelijkheid niet te hoog in het vaandel geplaatst mag worden, economische geslaagdheid in het leven niet belangrijker is dan sociale en dat zorg voor elkaar meer prestige verdient. Hoelang is de hebzucht ook: onder ons in kerkelijk Nederland van hoog tot laag, maar vooral hoog, de wortel van alle kwaad? Hoe oprecht is op dankdagen voor gewas en arbeid ons danken voor Gods overvloed?
Van Randwijk getuigde al zestig jaar geleden in niet mis te verstane en niet naast ons neer te leggen bewoordingen:
Wij, zonder geld op reis gegaan
en zonder buidel uitgezonden
om te genezen waar wij konden,
te zegenen waar anderen slaan,
te vroeg vertraagde onze voet,
wij hebben ons te warm genesteld
en een weerbarstig fort gemetseld
rondom een volk dat trekken moet.
Wij noemden roof Gods overvloed,
Zijn zegen, wat wij eeuwen stalen,
wij lieten duizenden verdwalen
en logen Christus' bloed,
want ons verraad was Gods gebod,
Zijn orde, wat wij steeds verzwegen,
totdat ons nest is doorgelegen
en onze muur verrot.
Niemand hoeft aan een ander te denken bij deze woorden. Ieder kere tot zichzelf in. Zo vlak voor de dankdag kan het nodig zijn onze zegeningen te wegen met het oog op het gebrek dat anderen lijden. Het leven is weleens genoemd de proef op de som van de leer. De ethiek toont de waarde aan van de dogmatiek, ook al is deze stelling in bepaalde zin aanvechtbaar. Er zit veel in. Laat het uitkomen in een werkelijk dankbaar leven.
J. Maasland
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's