De praktijk van het geloofsleven (2)
II. De weg
Is nu eenmaal het ware geloof door de werking van de Heilige Geest in ons leven gewekt, dan worden wij geplaatst op de smalle weg. Achter Christus aan. In het Evangelie naar Mattheüs wordt het beeld gebruikt van de smalle en de brede weg. Bij de enge poort met de smalle weg hebben wij te denken aan een wandel in gehoorzaamheid aan 's Heilands Woord, in ootmoed. Daar hopen wij alleen op Gods genade en gaan in zelfverloochening en liefde tot de naaste onze gang. Deze weg alleen voert tot het leven.
Bij de wijde poort en de brede weg denken wij aan de uiterlijke wetsvervulling en wetsgerechtigheid der Farizeeën, die ruimte laat voor eigen lust en begeren en zelfhandhaving. Zij schijnt ons mensen veel aangenamer. Maar deze weg, ofschoon door velen bewandeld, voert ten verderve.
Wij moeten nu weten, dat deze weg van het geloof ons leven langs twee afgronden voert, twee gevaren om zo te zeggen. Een zeker gemeentelid placht ons jaren geleden eens te zeggen: wandelen achter Christus aan is wandelen op de snede van een scheermes. Je valt spoedig naar de ene kant of naar de andere kant en je hebt altijd behoede voeten. Het rechte evenwicht is spoedig gevonden… en, verloren door allerlei verzoekingen die op ons afkomen. Met andere woorden: zo nauw luistert het achter Christus aan, dat wij ieder moment de neiging hebben òf naar de ene kant te hellen òf naar de andere zijde.
Het eerste gevaar is het wetticisme. Wij belijden, dat Christus alleen onze gerechtigheid en heiligheid is. Wij belijden uit genade te leven, maar o zo spoedig glijden wij uit en pogen wij weer zelf onze gerechtigheid te werken. Het luistert nauw. Wij worden weer zelfwerkzaam. Geloof en bekering worden ons tot een nieuwe wet, van welker vervulling het verkrijgen van de zaligheid afhankelijk wordt gemaakt. Het genadeverbond wordt weer tot een soort werkverbond. Bij de wetticist kan van rechtvaardigmaking geen sprake zijn, als de mens niet éérst iets tot stand heeft gebracht. Het wetticisme minacht de verwerving tot zaligheid door Christus. Wij moeten éérst aan God iets tonen, wandelen in de wegen des Heeren. Dan pas worden onze zonden vergeven. De heiligmaking gaat hier voorop en dan pas volgt de rechtvaardigmaking. Neen, wij moeten nu niet menen, dat dit standpunt alleen gedeeld wordt door Pelagianen en Remonstranten en dergelijke mensen. Door hen weliswaar in de eerste plaats. Maar ook door zeer velen, die niet durven komen tot zekerheid van hun verkiezing tot zaligheid in Christus.
Deze mensen redeneren aldus. Wij zouden wel willen geloven, dat onze zonden vergeven zijn, als wij eerst maar wat meer goede werken hadden; als ons gebed maar oprecht was, of als wijzelf eens wat anders waren. Neen, de rechtvaardigmaking volgt niet op de heiligmaking, maar gaat aan de heiligmaking vooraf. Deze dwaling, dat de heiligmaking vooraf moet gaan, dient met alle kracht te worden bestreden. Zij berokkent grote schade aan het geloofsleven. Zij houdt de mens in krampachtige spanning gevangen, temeer omdat niet duidelijk wordt hoeveel goede werken dan wel moeten gepresteerd worden. Niemand weet dat. Er zijn gemeenten, waar de gewetens onder grote druk leven dienaangaande. Men belijdt wel de vergeving der zonden in Christus, maar men leeft er allerminst uit. Er ligt een grauwe sluier over het gemeenteleven.
Aan de andere kant staat levensgroot daar het gevaar van het anti-nomianisme. Antinomianen zijn mensen die van de wet niet willen weten. De anti-nomiaan wil wel spreken over rechtvaardigmaking, maar niet van heiligmaking. Een zondaar kan niets en wil niets en doet niets. Deze dwaling heeft ook zeer veel onheil gesticht. Vooral in vals-mystieke kringen, waar de lijdelijkheid de toon aangeeft. Met de wet wordt geen ernst gemaakt. De goede werken hebben geen betekenis, zij zijn goed voor rooms-katholieken.
Ook op dit standpunt wordt de zekerheid van onze verkiezing gemist. Het is waar, dat Christus alles volbracht heeft en dat de mens aan Zijn offerande ter zaligheid niets toe te voegen heeft, noch ook maar iets toebrengen kan. Maar het anti-nomianisme bedient zich van deze waarheid alleen om een gans andere leer ingang te verschaffen. Het is waar: Christus heeft alles volbracht. Maar wil dat nu zeggen, dat niet wij, maar dat ook Christus niets meer heeft te doen, nadat Hij geleden heeft en gestorven is? Néén, want Christus is opgewekt en verheerlijkt. Hij is door opstanding Vorst en Zaligmaker, Heere uit de hemel. Ja, Hij is een levendmakende Geest geworden. Christus moet de zaligheid, die Hij verwierf, toepassen en uitdelen in de staat der verhoging. Daartoe heeft Hij de Geest gezonden, opdat Hij die gemeente zou wederbaren en in alle waarheid leiden. Het anti-nomianisme miskent, om het in één woord te zeggen, de toepassing van het werk der zaligheid. Dieper nog – deze dwaalleer veracht in beginsel de persoon en het werk van de Heilige Geest.
Nu is het voor een goed opmerker duidelijk, dat deze twee bovengeschetste gevaren als uitersten elkaar raken. Beiden miskennen de werkzaamheid Gods. In de diepte van ons hart moeten wij gedurig op onze hoede zijn voor het moralisme, de farizese eigengerechtigheid, die telkens weer voert naar oppervlakkigheid en uitwendige wetsvervulling. Het kost weinig moeite in het hedendaagse kerkelijke leven typen te vinden, die wij zouden kunnen indelen bij het wetticisme. Een innerlijke zelfvoldaanheid komt soms openbaar in een hangen aan vormen, die men soms om de wille van het conservatisme onderhoudt. En – hoewel een tomeloze vernieuwingszucht ook geen vruchten oplevert aan inkeer en vrucht, een wettisch drijven legt lasten op, die in de grond der zaak zuiver uiterlijk onderhouden worden. Een wettisch mens is per slot van rekening een klok, maar zonder klepel. Bij de wetsonderhouding moet eindeloos dit en dat…
Aan de andere kant moeten we ook waken voor elementen en sporen van anti-nomiaanse gedachten. En die zweven onder ons altijd door de lucht. Anti-nomianen willen van betrouw, boetedoening, gebed om vergeving van zonden en bekering helemaal niets weten. Dat achten zij wettisch en achterhaalde zaken. Jezus heeft toch alles, alles voldaan. Het is een poging van dit type met een vleugje humor te tekenen. Het menstype in deze richting groeit nogal eens libertijns-vrijdenkend op. De uitersten der nomisten hangen het farizeïsme aan, de anti-nomianen vindt ge veelal onder de op de wereld georiënteerde sadduceën. Of het nu valt in het moralisme of in het libertinisme – u bent van de geloofsweg àf. Zo ziet u maar eens rond. Aan de ene zijde is er zwaartillendheid, aan de andere kant lichtzinnigheid. Ge hoort: och, och en o! Of: hopsasa!…
Wij schrijven deze typering niet zonder een innerlijke kramp weer. Vele gemeenten zakken naar de ene of naar de andere kant scheef. Zij verstarren of zij vervloeien. Ons Nederlands volkskarakter heeft zeer sterk een neiging naar verdorring, maar niet minder ook een trek naar vervaging. Voor beide verschijnselen moeten we waken. Wie heeft, menen wij, de formule voor het evenwicht? Die kunnen wij niet maken. Die ligt alleen in een tere vreze des Heeren.
Er zou al veel gewonnen zijn wanneer wij erkenden hoe het ware geloof wandelt tussen deze twee afgronden van het wetticisme en het anti-nomianisme. Het is daarom nodig onze zonden steeds meer te leren kennen in ware boetvaardigheid en ootmoed. Dat voert tot diepe begeerte naar Christus alleen. Bij de rijkdom van Christus past onze diepe armoede. Wij hebben Hem bij de voordeur nodig tot dekking van al onze schuld. Dit drijft uit tot een duurzaam gebedsleven. Onze machteloosheid doet Christus aanhangen om door Hem alleen als profeet, priester en koning te worden vernieuwd.
Een evenwichtig geloofsleven staat in een heilig midden. Het staat in de werkelijkheden van ellende, verlossing en dankbaarheid. Maar, lieve vrienden, dit zijn geen glazige speculaties. De theologie bestaat in gebruik en voortdurende oefening. Wij hebben dringend behoefte aan christenen, die nooit iets worden, maar altijd arm blijven in zichzelf. Luther heeft eens gezegd: met de dood om te gaan, te leren sterven aan zichzelf, dat is de school des geloofs.
A. van Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's