Globaal bekeken
In De Wekker schreef Jac. Lelsz het volgende over de dichter Geerten Gossaert, pseudoniem voor de historicus Frederik Carel Gerretson (1884-1958):
'Nog altijd wordt Gossaert hoog getaxeerd. Ondanks invloeden liet hij een volstrekt eigen geluid horen. En oorspronkelijkheid blijft een wezenlijk ding in het poëtische, evenals trouwens in het religieuze. Heeft Calvijn de gelovigen al niet gewaarschuwd voor het elkaar "nabauwen als papegaaien?" Intussen liet Gossaert niet het achterste van zijn tong zien. Men heeft wel gezegd dat zijn overvloedig gebruik van titels in vooral het Latijn maar soms ook in het Grieks ook daarmee te maken had. Zijn poëzie was onthulling, uiteraard, maar er zat tevens iets van verberging in.
Ik sluit dit artikeltje af met het afdrukken van het gedicht "Quem me esse dicitis?" De titel is ontleend aan Mattheüs 16 vers 15: "Wie zegt gij dat Ik ben?" Terwijl de gedichten van Gossaert meestal een heftige, gepassioneerde toon hebben, komt men soms ineens een vers tegen van een weldadige, uiterste verstilling. Dit korte gedicht behoort tot die categorie. Het bevat, zoals vaak bij hem, menige fraaie alliteratie. Gossaert moet een gelukkig man zijn geweest toen hij het schreef.
QUEM ME ESSE DICITIS?
Geboren tot verlangen,
Gelouterd tot geduld,
Hebt Gij, in mijn gezangen,
Uw melodie vervuld.
Zij ons Uw doel verborgen,
Uw daden zijn pns klaar:
Gij maakt, in vreugdes morgen,
Uw werken openbaar.
O dag des heils! o heden!
O zuivre morgenpracht!
Wat deert mij nu 't verleden?
Wat heucht mij van den nacht?
Ik kan alleen bezinnen
Dat ik, met ziel en zin,
Het leven durf beminnen
Omdat ik U bemin!
Een belijdenis, een liefdesverklaring aan het leven vanwege de God van het leven, of, zoals lang geleden een literator dit vers eens noemde, een psalm, een paaspsalm.'
Ook schrijft Lelsz over 'de dichter, de moeder en de dood' en schrijft dan over Jaqueline van der Waals:
'Haar moeder was slechts 34 jaar geworden. Jaqueline zelf werd tegen de zestig. Een gedicht als het onderstaande is, behalve dat het diepe indruk maakt, dan ook heel goed te begrijpen, met die daarin vervatte, ietwat wonderlijke doch telkens zo reële vragen. Hoe fijnzinnig worden de gevoelens van verwarring, die er ten aanzien van het hiernamaals, ook bij gelovigen, kunnen bestaan, hier door haar tot uitdrukking gebracht!
Moeder, naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zostraks ontvangen
Na de lange scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor uw voeten
Met mijn hoofd op uwen schoot?…
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?'
In het Nederlands Dagblad stond een uitgebreid interview met prof. dr. O. J. de Jong, hoogleraar in de kerkgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Uit dit interview het volgende:
• Hoe staat u tegenover de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk?
'Gereformeerde Bonders zitten met al hun vezels vast aan de Nederlandse Hervormde Kerk. Ik denk dat het komt door hun opvatting van het verbond. Die heeft deze orthodoxe hervormden in 1834 en in 1886 bij de kerk gehouden. Ze zien hun kerk als de volkskerk en noemen de geschiedenis van hun kerk vaderlandse kerkgeschiedenis. De kerk is voor hen de kerk der vaad'ren. De waarde van de Gereformeerde Bond is het opkomen voor het reformatorisch belijden, en het vasthouden aan de kerk der vaad'ren. Zij hebben ook recht van spreken, hoewel hun taal de mijne niet is. Ik zou het anders onder woorden brengen.
Ik voel een zekere passie voor de Gereformeerde Bond. Een student heeft me er eens van beschuldigd dat ik vind dat alle richtingen in de kerk zo moeten blijven als ze zijn. Dat vond ik wel typerend voor mijzelf. Ik kan natuurlijk niet bij alle richtingen behoren, ledere groep komt op voor een waarheidselement. Bij de Gereformeerde Bond is dat vooral de bevinding, hoewel een vrijzinnige ook bevindelijk kan zijn. Het zal het in andere woorden tot uiting brengen, misschien in de woorden van Henriëtte Roland Holst. Maar er is over en weer een elkaar verstaan, een besef dat geloven niet alleen een zaak is van het hoofd maar ook van het hart.'
• Wat maakt kerkgeschiedenis doceren aantrekkelijk voor u?
'Kerkgeschiedenis doceren is voor mij het laten zien wat mensen in de kerk bewogen heeft om zo te handelen en te spreken als ze deden. Ik wil hun motieven blootleggen, ik wil ze proberen te begrijpen. Dat vermogen is voor studenten van belang om goed in een hervormde gemeente te functioneren. Daar kom je mensen tegen die een geheel andere richting zijn toegedaan dan de jouwe. Dat heb ik ook wel als lid van een promotiecommissie gezegd. We moesten dan een proefschrift beoordelen van iemand uit – bij voorbeeld – de kring van de Gereformeerde Bond. Dat zei ik tegen m'n collega Graafland: jullie snappen waarover het gaat, ik snap waarover het gaat. Maar het is een Utrechtse dissertatie, dus moet het ook te volgen zijn voor geïnteresseerden die niet tot de Gereformeerde Bond behoren of niet – zoals ik – hoogleraar in de kerkgeschiedenis zijn.'
• U hebt moeite met het aanwijzen van Gods hand?
'Ja. Bij het aanwijzen van Gods hand rijst de vraag: hoe kijkt de tegenpartij daar tegenaan? Luther maakt een onderscheid tussen Gods linkerhand en Gods rechterhand, zijn genadige hand en zijn toelatende hand. Luther was al voorzichtig. Ik wil dat ook zijn. Laten we waken voor triomfalisme, waarin we God te gemakkelijk een plaats in de geschiedenis geven.'
• Raakt u wel eens geëmotioneerd door een onderwerp dat u beschreef?
'Daar vraagt u wat…
Nee, dat is me geloof ik niet overkomen. Ik heb zeker nooit partij gekozen. Ik heb wel altijd schik gehad in wat ik beschreef.'
• Wat vindt u de beste kerkhistorische publikatie van de afgelopen vijftien jaar?
'De Luther-biografie van Heiko Obermann. Hij geeft de mens Luther, zijn gaven en zijn beperktheden, schitterend weer.'
In Bondsberichten 1993/1994 van de Bond tegen het vloeken staat een artikel van de hand van prof. dr. A. Th. van Deursen over 'Eerbied voor Gods Naam in de zeventiende eeuw'. Hier volgt van dit artikel het begin en het eind:
'Het is ruim driehonderd jaar geleden getreurd in Amsterdam, dat ds. Petrus van der Hagen bij de behandeling van de Heidelberger catechismus weer eens was toegekomen aan het derde gebod. De vorige zondag, zo begon bijzijn preek, heb ik gesproken van het pausdom – naar aanleiding dus van het verbod tot beeldendienst – en gij hebt de gruwelijkheden die daar schuilen met walging aangehoord. Maar ditmaal is de beurt aan onszelf. Nu moeten wij onze eigen wonden bloot leggen. Nu moeten we spreken van dingen die niet minder gruwelijk zijn, en die wij toch "dagelijcks sien en hooren bedrijven, in het midden van ons". Petrus van der Hagen geloofde dus, dat er veel werd gevloekt, ook door de mensen die daar in Amsterdam in de kerk zaten. (…)'
'Ik heb eens in het archief van het Noordhollandse dorp De Rijp een verslag aangetroffen van een reis naar Den Haag. Drie mannen uit De Rijp waren daar in 1673 naar toe geweest, om een dorpsbelang te regelen. Dat was een belangrijke taak, en het waren dan ook drie aanzienlijke mannen, namelijk de schout en twee schepenen. Maar die beide schepenen zijn zo geschrokken van belgedrag van de schout, dat ze er een verslag van hebben opgesteld. Ze waren alle drie samen van Den Haag naar Rijswijk geweest om de zaak eens rustig te bespreken. De schout zei toen, "en swoer, tot menichmalen toe, ja waerachtig lek meen het, als ick het niet doe, de duivel moet mij halen; lek moet de doot uyt dit glas drincken; ick moet mijn hant (die dan op sijn borst slaende) daer noyt afhalen – en diergelijke expressiën meer, die afgrijselijck zijn". Op de terugweg naar Den Haag herhaalde hij zijn verzekeringen nog eens, "onder bevestiging van schrickelijcke vervloeckingen gelijck te voren".
Deze schout spreekt nu precies zoals de dominees het in hun preken beschrijven. Bijna al de uitdrukkingen die hij gebruikt vinden we in hun commentaren terug. Dat bevestigt dus, dat ze de waarheid hebben verteld. Er waren mensen die zo spraken. Maar als schepenen dat zo'n ernstige zaak vinden dat ze er thuis schriftelijk verslag van uitbrengen, dan moeten er ook mensen zijn geweest, die zich aan zulke uitdrukkingen hebben gestoten.
De Rijp was toentertijd een welvarend dorp, met veel industriële bedrijvigheid – produktie van scheepsbenodigdheden – en walvisvaart. Vooral in die walvisvangst verdienden veel mannen hun brood, en het was een hard bedrijf, in de Noordelijke IJszee op walvissen te jagen. Zou daar dan aan boord van die schepen geen mannelijke taal gesproken zijn? Zouden de mensen in De Rijp niet geweten hebben wat vloeken was? Nu, blijkens het verslag van de schepenen wisten ze er zoveel van, dat ze het afgrijselijk vonden om te zeggen: waarachtig, de duivel moet mij halen.
De dominees leren ons in hun preken dat we de zeventiende eeuw niet moeten idealiseren. Ook in een tijd die wist van God en gebod werd er veel gevloekt. Zo'n toevallig verslag in een dorpsarchief laat ons dan zien dat er toch nog wel mensen te vinden waren die geen afgebrande gewetens hadden, zelfs in een dorp vol matrozen. Zo is de zeventiende eeuw een tijd van licht en donker. Daarin lijkt ze op onze eigen tijd…'
In het Reformatorisch Dagblad stond vermeld de uitslag van een enquête, gehouden onder diegenen die ooit leerling waren van de reformatorische scholengemeenschap Guido de Brès te Rotterdam, (zie ook het hoofdartikel):
'In het voorjaar hield de Rotterdamse scholengemeenschap Guido de Brès een enquête onder 1051 oud-leerlingen die examen hebben gedaan in de jaren 1976, 1977, 1980, 1985 en 1990. Er werden 579 formulieren teruggestuurd (55%). Uitgesplitst naar schoolsoort reageerden 148 oud-leerlingen van de mavo, 269 van de havo en 139 van het vwo. Er waren evenveel mannen als vrouwen.
Hier volgen in een notedop de belangrijkste conclusies:
- 93% van de oud-leerlingen is nog steeds kerkelijk meelevend, 4,5% enigszins, 2,5% heeft de kerk vaarwel gezegd;
- 72% zou zelf voor een reformatorische school kiezen, 15% weet het niet, 13% zou dat niet doen;
- 45,5% is ongehuwd, 52,5% gehuwd, vier oudleerlingen zijn gescheiden (0,7%) en zeven wonen ongehuwd samen (1,2%);
- ongeveer een derde deel heeft een kloof ervaren tussen het beschermde klimetat op school en de maatschappij;
- ook ongeveer een derde deel vindt het belangrijk om de weerbaarheid van de leerlingen op school te vergroten;
- bij de vraag naar positieve herinneringen aan de 'Guido' denkt 55% aan het klimaat op school, 40% aan de identiteit, 25% aan de onderwijskwaliteit, 10% aan de leerlingbegeleiding en 5% aan de organisatie;
- bij de vraag naar negatieve herinneringen denkt 40% aan te grote nadruk op uiterlijkheden, starheid, bekrompenheid en te weinig ruimte voor andersdenkenden; 15% denkt aan de massaliteit:
- de helft van het aantal getrouwde meisjes is huisvrouw, de andere helft heeft een baan buitenshuis;
- in 1976 (bij een eerdere enquête) ging 30% van de schoolverlaters direct aan het werk, nu is dat 12%. Het aantal leerlingen dat doorstroomde naar de universiteit nam toe van 11% tot 18%;
- in 1976 vond 28% godsdienst het belangrijkste vak, nu is dat 16%. De oud-leerlingen hechten vooral meer waarde aan moderne talen, exacte vakken en economie.'
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's