Gerechtigheid en barmhartigheid (5)
Diakonia
De boodschap van het evangelie staat haaks op wat ons eigen hart verlangt. Diakonia als dienst van barmhartigheid is allerminst een populair onderwerp in onze wereld. Eigenlijk is in dat opzicht, vergeleken met eeuwen geleden, weinig veranderd. Het woord van Prediker blijkt nog altijd waar: 'Er is niets nieuws onder de zon'. De Griekse wijsgeer Plato vroeg zich al af: 'Hoe kan iemand gelukkig zijn, als hij anderen moet dienen?' Het was een retorische vraag, want elke Griek ging ervan uit, dat dienen wel het minste was, wat een mens op aarde kon doen. Daar plaatst Christus de grondwet van Zijn Koninkrijk tegenover: 'Wie groot zal willen zijn, die zij aller dienaar'. Een mens moet wel een nieuw hart krijgen, om dat te zoeken; van nature verlangen we er meer naar om te heersen. Daarom hebben we wedergeboorte nodig, om in het Koninkrijk van God te kunnen ingaan. Het is: worden als een kind, alle aanspraken en rechten verliezen, om te leven van genade. Wie als een verloren zondaar onder Gods recht moest buigen en zijn behoud vond in Zijn eeuwige barmhartigheid in de Heere Jezus Christus, kan het niet laten om de Heere te dienen. Dan worden we verlost van eigen gerechtigheid en eigenliefde; we krijgen oog voor de nood van anderen, omdat God ook in hun leven tot Zijn eer wil komen.
Zelfverloochening
Dienen kost strijd en vraagt zelfverloochening. Omdat de Heere wel weet, hoe zwak wij zijn van onszelf, wil Hij het geloof versterken door de bediening van de Sacramenten. Die versterking is niet bedoeld, om de gelovigen daardoor in zichzelf al groter en belangrijker te maken. Dan zouden ze ranken aan de Wijnstok zijn, die hun kracht misbruiken om bladeren en nieuwe loten te maken. Het gaat de Heere juist om de vrucht van ons leven, die blijkt in de dienst voor Zijn Koninkrijk. Daarom is het nodig dicht bij Hem te leven, want zonder Christus kunnen we niets doen. In die gemeenschap met de Heiland worden we telkens weer stil gezet bij de werkelijkheid van Gods rechtvaardige toorn over de zonde en de barmhartigheid, die Hij in Christus bewijzen wil. Dat gaat door de voortgaande ontdekking heen, waarin we al meer onze eigen liefdeloosheid en onze zondige aard, waartegen we ons leven lang te strijden hebben, leren kennen. Dan hebben we niet alleen zicht op allerlei zonden in de wereld om ons heen, maar komen onze eigen zonden ter sprake.
Juist vanuit die zelfkennis krijgen we een ander zicht op de nood van onze naasten. De prioriteiten in ons leven veranderen en de houding tegenover de ander verandert mee. We staan niet meer direct klaar om anderen in nood te oordelen en te wijzen op hun eigen schuld, maar we zoeken mogelijkheden om hen te helpen. Wie zelf van genade leeft, zal dat ook aan anderen gunnen; wie weet, dat alles in het leven gekregen goed is, leert ook de gaven met anderen delen. Leven van het grote offer van Christus op Golgotha, maakt ons opofferingsgezind. Het geeft ook zicht op de gebrokenheid van de wereld, waarin wij leven, waar zoveel leed en nood ons aangeven, dat Gods schepping onder de vloek van de zonde ligt. 'Het ganse schepsel zucht en is in barensnood tot nog toe', schrijft de apostel. Maar in die wereld geeft het kruis van Christus nieuw perspectief. Hij maakt alle dingen nieuw; er komt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont, niet door menselijke inspanningen, maar als gave van God, gegrond op de gerechtigheid, die Christus heeft verworven in Zijn lijden en sterven. In de dag, dat de kinderen Gods geopenbaard worden, zal ook de schepping verlost wordeii en in nieuwe heerlijkheid blinken.
Telkens als het Heilig Avondmaal wordt bediend, wordt het verlangen naar die toekomst versterkt. We verkondigen de dood des Heeren, totdat Hij komt. In een rusteloze wereld geeft Christus nieuwe kracht aan Zijn tafel, om al de Zijnen toe te rusten tot de dienst van Zijn Koninkrijk. Hij verkondigt ons, dat aan Gods gerechtigheid genoeggedaan is door de verzoening van de zonden aan het kruis van Golgotha. De tekenen van brood en wijn wijzen ons op de hoge prijs, die onze verlossing aan Christus kostte: Hij heeft zondaren niet met goud of zilver, maar met Zijn dierbaar bloed verlost. Dat maakt ootmoedig, maar roept ons ook, op onze dankbaarheid te tonen in een leven tot Zijn eer. Dat laatste mogen we niet vergeten. Al te zeer wordt de bediening van het Heilig Avondmaal soms uitsluitend gezien in het kader van de persoonlijke geloofszekerheid. Dat is wel een belangrijk aspect, maar het mag de diakonale roeping niet in de schaduw stellen, die voor de gelovigen van de bediening uitgaat.
Koninklijk
Zij, die uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht zijn geroepen, vormen een koninklijk priesterdom, een volk tot Zijn dienst bereid. Daarbij gaan gerechtigheid en de strijd voor de eer van God (koninklijk) gepaard met barmhartigheid en zelfverloochening (priesterdom). Het is opvallend, dat telkens wanneer in de Bijbel over het Heilig Avondmaal gesproken wordt, ook de dienst der barmhartigheid ter sprake komt. Christus verbindt ze met elkaar, als Hij in Johannes 14-16 uitgebreid spreekt over de liefde tot elkander en de noodzaak om elkaar te dienen. Hij toont dat Zelf aan Zijn discipelen, door hen aan de Avondmaalstafel de voeten te wassen. Daarmee laat Hij hen een voorbeeld na, met de opdracht, dat zoals Hij hen gedaan heeft, zij ook elkander zullen doen. Die band van Heilig Avondmaal en diakonia komt ook terug in de brieven van het Nieuwe Testament. In het boek Handelingen vinden we, met name in de eerste hoofdstukken, een duidelijke illustratie van die gemeenschap der heiligen. Ook in het oude Avondmaalsformulier wordt gesproken over de onderlinge verbondenheid van de gelovigen, die vanuit de tafelgemeenschap zichtbaar moet worden. De vergelijking is overbekend, maar van zo'n onovertroffen Bijbels gehalte, dat het ons telkens weer treft: 'gelijk uit vele graankorrels, één meel gemalen en één brood gebakken wordt en uit vele druiven, samengeperst zijnde, één wijn en drank vliedt en zich ondereen vermengt, alzo zullen wij allen, die door het waarachtig geloof Christus ingelijfd zijn, door broederlijke liefde, om Christus' onzes lieven Zaligmakers wil. Die ons tevoren zo uitnemend heeft liefgehad, allen tezamen één lichaam zijn, en zulks niet alleen met woorden, maar ook met de daad jegens elkander bewijzen'.
Geloof
Centraal in dit alles staat het geloof in de Heere Jezus Christus. Hij is de Bron van het nieuwe leven. Waar Hij werkt door Zijn Geest en Woord, worden mensen veranderd naar Zijn evenbeeld. Dat blijkt in de navolging de grote Knecht des Heeren, doordat mensen verlost worden van egoïsme en ongerechtigheid. Zo wordt iets zichtbaar van het nieuwe leven, dat in Christus is geopenbaard. Gerechtigheid en barmhartigheid gaan hand in hand in Zijn dienst. Zacheüs de tollenaar geeft na zijn bekering de helft van zijn bezit aan de armen en wat hij gestolen heeft, geeft hij vierdubbel weer. Na hem gaan anderen dezelfde weg, zodat we van de gemeente in Jeruzalem lezen, dat niemand zei, 'dat iets van hetgeen hij had, zijn eigen ware, maar alle dingen waren hun gemeen' (Hand. 4 : 32). Wie alles als gave van God heeft ontvangen, krijgt daar de opdracht bij, die gaven tot Zijn eer en ten dienste van anderen te gebruiken. Daarbij wordt de verbondenheid met 'de huisgenoten des geloofs' (Gal. 6 : 10) metterdaad beleefd. Die huisgenoten des geloofs zijn dan niet diegenen, met wie wij ons in een gezamenlijke belijdenis of lidmaatschap van een bepaalde kerk verbonden weten, zoals wel eens gedacht wordt. De apostel denkt aan allen die door het geloof met Christus verbonden zijn en zo behoren tot het huisgezin van God (Familia Deï). In de gemeenschap der heiligen geldt immers, dat we geroepen worden onze gaven gewillig en met vreugde ten dienste van anderen te besteden.
Getuigenis
Waar dat in een gemeente leeft, gaat daarvan een getuigenis naar buiten uit. Dat bleek al in Jeruzalem. De gelovigen verkochten hun goederen en have en verdeelden die aan allen, naardat elk van node had (Hand. 2 : 45). In de koude, harde wereld van die tijd was die naastenliefde een duidelijk teken van de vernieuwende kracht van Gods genade. Men kwam elkander te hulp, er heerste in de gemeente een geest van barmhartigheid, zodat één van de discipelen Barnabas, zoon der vertroosting, genoemd kon worden. Lukas tekent ons in Hand. 2 ook de uitwerking op de omgeving: 'ze hadden genade bij het ganse volk'. Dat was geen wonder, want de mensen bemerkten, dat hier iets bijzonders aan de orde was. Ze werden erdoor aangetrokken, zodat dagelijks tot gemeente werden toegedaan, die zalig werden. Zo was dat leven van de gemeente van Jeruzalem een prediking voor de omstanders. Daar zag men voor zich, wat in het evangelie verkondigd werd: 'Wie in Christus is, is een nieuw schepsel'. Het was een duidelijke bevestiging, dat Jezus de Christus is. In de gemeente van Jeruzalem werd immers vervuld, wat de Heere Zijn volk Israël beloofd had: 'Er zal onder u geen arme zijn'. Wie naar het leven van de gemeente zag, vond daarin een teken, dat de beloofde Messias gekomen was, en dat in Hem de nieuwe heilstijd was aangebroken. Zo wijst dat gemeenteleven ook vooruit. 'Het is een teken van de eschatologische heilstijd', schrijft dr. Pop in zijn 'Bijbelse woorden en hun geheim', 'er zit een anticipatie in van het beloofde vrederijk, waar alle nood verdwenen zal zijn'. In dat licht bezien, krijgt de zorg voor de armen in de dienst der barmhartigheid een bijzondere betekenis. Daar worden mensen op de plaats gebracht, die de Heere voor hen heeft bedoeld en komt God aan Zijn eer in hun leven.
Op die wijze worden woorden uit het Oude Testament opnieuw van betekenis voor de gemeente van het Nieuwe Testament. In een aanbeveling van een collecte voor de arme gemeente van Jeruzalem, verwijst de apostel Paulus de gemeente van Korinthe naar het Oude Testament (2 Kor. 9). Het is met de kerk van Christus als met Israël in de woestijn: elke dag moet ze leven van wat de Heere geeft. Die genade maakt de christenen verantwoordelijk voor elkaar. In het doen van barmhartigheid wordt zegen gegeven en ontvangen. Want zo geldt: 'Hij heeft gestrooid, hij heeft de armen gegeven, zijn gerechtigheid blijft in der eeuwigheid'.
A. W. van der Plas, Waddinxveen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's