De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Synodebesluit 'Mensen en structuren': van voorbarig naar voorlopig

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Synodebesluit 'Mensen en structuren': van voorbarig naar voorlopig

19 minuten leestijd

De bespreking van dit rapport 'Mensen en structuren' (MenS) werd door velen met grote spanning tegemoet gezien. In de pers waren er allerlei beschouwingen geweest, met als reactie daarop weer vele ingezonden stukken. Zou er wel worden beslist over het voorliggende stuk, of toch niet, of gedeeltelijk, en zo ja, over welke onderdelen dan wel, en wat betekent dat dan? Wat zal de bezorgdheid over de onvrede bij het personeel voor de besluitvorming betekenen? Zal er enig begrip zijn bij de afgevaardigden van de Gereformeerde Kerken en de Evangelisch-Lutherse Kerk?
Vol vragen kwamen de afgevaardigden en de vele belangstellenden naar Lunteren. En dit ruimschoots op tijd om zo de onderlinge gedachten te kunnen peilen.
De opening van de op 27 oktober 1994 begonnen Trio-synodevergadering kreeg een bijzonder cachet doordat – op initiatief van de gereformeerde synode – het punt 'bezinning' op de agenda stond. In kleine groepjes bespraken de synodeleden het gelezen Schriftgedeelte Esther 4.

Wel of niet behandelen?
Zeer opmerkelijk was het voorstel van de Moderamina, er lag namelijk een besluitvoorstel om het geagendeerde rapport 'MenS' inderdaad in behandeling te nemen. Werkelijk een uniek voorstel. De praeses ds. W. B. Beekman schetste de achtergrond van dit voorstel, zoals dat ook in een toelichting aan de synodeleden was toegezonden. Bij het hervormde moderamen waren er veel reacties binnengekomen dat met het huidige rapport de structuur vooruitloopt op de kerkorde. Die vrees werd overigens ook al in oktober 1992 uitgesproken, onder meer door ds. A. v. d. Beek te Rijssen. De moderamina hebben begrip voor deze vrees van voorbarigheid. Daarom zou besluitvorming inzake de structuur moeten plaatsvinden onder het voorbehoud dat daardoor niet vooruitgegrepen wordt op besluiten inzake de kerkorde. De moderamina hadden er tevens kennis van genomen dat er in toenemende mate in de kerken stemmen opgaan om zich niet alleen op v(h)ereniging te richten, maar (voorlopig) verder te gaan met andere vormen van samenwerking of samengaan, bijvoorbeeld federatie. Daarbij werd nadrukkelijk de vraag gesteld of besluitvorming over het huidige rapport niet op de structuur vooruitgrijpt. De moderamina zijn van mening dat een definitief besluit over de implementatie van de nieuwe werkorganisatie eerst zal kunnen worden genomen na de vaststelling van de kerkorde in tweede (definitieve) lezing. Ten opzichte van het in 'MenS' genoemde tijdpad betekent dit overigens een vertraging in de realisatie ervan. Een definitief besluit zou dan in oktober 1996 genomen kunnen worden.
Om zoveel mogelijk aan de bezwaren tegemoet te komen heeft het hervormde moderamen de andere moderamina bereid gevonden om genoemd besluitvoorstel zo te agenderen. Hierover kan dan een ordelijk debat plaatsvinden, en dwingen we elkaar niet iets af via een orde-debat.

Motie ds. Van der Aa
In een bewogen betoog maakte ds. W. P. van der Aa duidelijk waarom hij in het hervormde moderamen gepleit had voor uitstel van de besluitvorming over het structuurrapport. In de classes is men nog volop bezig met het considereren over de kerkorde. Nu besluiten gaan nemen over de structuur is voorbarig, want daarmee worden ambt en functie losgekoppeld. De structuur dient later via de Ordinanties geregeld te worden. Het structuurrapport neemt thans onvoldoende draagvlak, zo zei ds. Van der Aa, die overigens dankbaar was voor de opstelling van de moderamina.
Voorts was hij van mening dat de verklaring van de moderamina toch onvoldoende zekerheid gaf over de voorlopigheid van de besluitvorming. Daarom diende hij een amendement in met als strekking dat 'besluitvorming over het gehele rapport – dan aangepast op grond van in en uit ambtelijke vergaderingen gehoorde en verwerkte opmerkingen – zal plaatsvinden na vaststelling van de Kerkorde der VPKN in 2e lezing en van de Ordinanties bij deze kerkorde in Ie lezing'. Deze motie was mede ondertekend door ing. W. P. Noordam en ds. E. Westink.
Oud. M. Burggraaf diende een motie in die beoogde dat besluitvorming slechts zou plaatsvinden over de vormgeving van de arbeidsorganisatie op bovenplaatselijk niveau en nog niet over de (ambtelijke) bestuursorganisatie.

Reacties in de synode
Vanuit de ondernemingsraden werd er een klemmend beroep gedaan op de synoden om voortvarend te werk te gaan en het personeel (ca. 800 mensen) niet langer in onzekerheid te laten. Uitstel werkt demotiverend en frustrerend.
Uit de veelheid van sprekers geven wij hierbij enkele reacties samenvattend weer:
Oud. M. Burggraaf, Ede (NH) vond het zeer te respecteren dat de moderamina eerst de behandelbaarheid en de besluitwaardigheid van het rapport in bespreking wilden geven. In het rapport wordt met de organisatie vooruitgelopen op de kerkorde. Dit schuurt met de behandeling van de kerkorde in de classes. Zijn dan de consideraties nog wel serieus te nemen? Laat de synode zich beperken tot de vormgeving van de toekomstige werkorganisatie.
Ds. E. Westrik, Dordrecht (NH) wilde noch de ambtelijke vergaderingen, noch de arbeidsorganisatie frustreren. Om toch ruimte te scheppen voor de inbreng vanuit de ambtelijke vergaderingen wilde hij de voorlopigheid van 'MenS' benadrukken.
Ds. W. J. W. Schellens, Glimmen (GKN) vroeg zich – gezien de toelichting van de moderamina – af waarom de motie van ds. Van der Aa niet was verwerkt in het besluitvoorstel van de moderamina.
Dr. D. Visser, Broek op Langendijk (GKN) proefde in de motie van ds. Van der Aa toch weer de vraag van het tegen of voor het SoW-proces zijn. Het belang van de werknemers mag niet alléén doorslaggevend zijn. Laten we ook denken aan de impulsen, die uitgaan naar de gemeenten die al onderweg naar SoW zijn.
Ds. B. Weegink, Katwijk aan Zee (NH) had de nadruk op het personeelsbelang als enigszins chanterend ervaren, gelet op de grote zorg bij gemeenten en classes. Het geestelijk welzijn van de gemeenten dient absolute prioriteit te hebben. Bij aanvaarding van dit rapport 'MenS' passeren we het point-of-no-return.
Oud. Y. Tel, Kollum (GKN) memoreerde dat SoW al meer dan 30 jaar geleden heel enthousiast was begonnen, zodat er allerlei procedures werden ontwikkeld. Nu de plannen concreet gemaakt worden, lijkt er ineens niet veel meer te kloppen. Spreker vindt het de hoogste tijd het tempo drastisch op te voeren. Het amendement riekt naar onbehoorlijk bestuur als het zou blijven bij federatie.
Diak. H. M. Beentjes, Ermelo (GKN) vindt vertraging voor gemeenten en personeel onaanvaardbaar. Naar zijn mening is samenwerking de opdracht van Jezus Christus: mogen we stoppen met het afbreken van zelf opgetrokken muren in de kerk, die de eenheid verstoren?
Ds. H. Klink-Hoornaar (NH) vroeg zich af wie er eigenlijk bepaald had dat de arbeidsorganisatie niet bij Ordinantie, maar bij – niet ter consideratie aan de classes toe te zenden – (Generale) Regelingen. Het huidige rapport maakt arbeidsorganisatie en ambt volstrekt los van elkaar, het is prematuur en onaanvaardbaar. Het belang van de gemeenten is groter dan dat van het personeel.
Oud. mevr. F. A. Lammers-Lokerse te Lelystad (GKN) vergeleek het SoW-proces met een verlovingsperiode. Na een voorbereidingstijd van 8 jaar dient er nu snel tot een huwelijk gekomen te worden, anders gaat de liefde sluiten. Uitstel is onverantwoord.
Ds. R. S. E. Vissinga, Kampen (GKN) benadrukte de schuld inzake de verdeeldheid alsmede de roeping tot eenheid. Jongeren begrijpen het niet, gemeenten willen verder, laten we de schuld niet groter maken.
Ds. A. v. d. Beek, Rijssen (NH) wees op het grote draagvlak voor uitstel c.q. nog geen besluitvorming. Kunnen bestuurs- en arbeidsorganisatie wel gescheiden worden? (Ook) voor het personeel is een serieuze besluitvorming beter dan een snel besluit zonder draagvlak. Spreker vroeg zich af of een fixatie op oktober 1996 niet veel te kort is, als we letten op de tijd die nodig is om over alle Ordinanties te kunnen considereren.
Oud. A. D. Drost, Veen (NH) ondersteunde het voorstel om de besluitvorming uit te stellen. Hij had begrip voor de zorg voor het personeel, maar de daar gesignaleerde apathie heerst ook bij gemeenten, en daar gaat het om heel wat meer dan 800 mensen.
Oud. M. Spoelstra, Assen (GKN) wilde niet uit een rijdende trein springen en dus: we gaan door! Overigens vroeg hij zich af waarom de classes in deze fase geen inspraak krijgen en wel in de volgende fase.
Ds. M. Oostenbrink, Baambrugge (NH) vond dat de organisatie dient aan te sluiten bij wel omschreven kerntaken en kerkvisie. Als die verbinding er niet is, dan kan iedere arbeidsorganisatie passen bij iedere kerkorde.

Reactie moderamina
Na een onderbreking van de vergadering deelde het moderamen mee dat er intensief overleg was geweest met ds. Van der Aa en oud. Burggraaf over de strekking van hun moties. Dit heeft er in geresulteerd dat oud. Burggraaf zijn motie heeft ingetrokken en mede-ondertekenaar wordt van de motie van ds. Van der Aa. Het gezamenlijke moderamen heeft de motie van ds. Van der Aa grotendeels willen overnemen, en dit in overeenstemming met de Raad van Deputaten SoW. Het nieuwe besluitvoorstel geeft nog duidelijker aan dat er thans geen definitieve besluitvorming over structuur plaatsvindt, maar dat er wel gestart kan worden met de voorbereiding van de vormgeving van de arbeidsorganisatie. De moderamina stellen thans voor dat de inhoud van het rapport 'MenS' zal gaan gelden als een werkopdracht voor de gezamenlijke moderamina, waarover dan pas definitief beslist zal worden na vaststelling van de kerkorde en ordinanties.
Ds. Van der Aa is dankbaar voor de opstelling van de gezamenlijke moderamina en denkt dat hiermee voor de classes voldoende mogelijkheden geschapen zijn om (weer) 'met vreugde en ernst' verder te gaan met considereren.

Synode verrast
Verschillende afgevaardigden tonen zich niet alleen verrast, maar ook wantrouwend over de gewijzigde opstelling van het moderamen. Wat betekent het dat het rapport nu een werkopdracht wordt voor de moderamina? Betekent dit niet een enorme vertraging? In de vergadering ontstaat een sfeer van argwaan. Enkele (gereformeerde) afgevaardigden dreigen het oorspronkelijke besluitvoorstel om het rapport 'gewoon te gaan behandelen' weer als motie in te dienen.
Namens de ondernemingsraden wordt meegedeeld dat er geen bezwaar is tegen de formulering van het nieuwe voorstel.
Ds. P. Boomsma, praeses van de gereformeerde synode, doet in een bewogen en klemmend betoog een oproep tot zijn synodeleden. Hij heeft er begrip voor dat gereformeerde synodeleden zich op het hart getrapt voelden door allerlei ongenuanceerde uitlatingen in de pers. In deze synode dient er een oprecht pogen te zijn om elkaar in elkaars zorgen te verstaan. Hoezeer er ook bezorgdheid is voor vertraging, dit is niet de strekking van het besluitvoorstel.
Ds. W. B. Beekman, praeses van de hervormde synode, stelt dat het voorstel
– verantwoord is voor de personeelsleden
– tegemoet komt aan de zorg in de Ned. Herv. Kerk inzake voortijdige besluitvorming
– geen vertraging oplevert in de uitvoering.
Tot opluchting van de vergadering gaat de synode er unaniem (!) mee akkoord om het rapport 'MenS' wel in behandeling te nemen, waarbij dan de 'finale besluitvorming over het gehele rapport – dan aangepast op grond van in en uit ambtelijke vergaderingen gehoorde en verwerkte opmerkingen – zal plaatsvinden na vaststelling van de Kerkorde der VPKN in 2e lezing en van de Ordinanties bij de kerkorde in 1e lezing'.
Dit zal waarschijnlijk in oktober 1996 zijn, dus over twee jaar.
Bij de dankbaarheid over deze besluitvorming mag de betrokkenheid van ds. W. P. van der Aa, alsmede die van
ds. P. Boomsma, zeker genoemd worden.

Bespreking rapport
Bij de verdere hoofdstukgsgewijze bespreking van het rapport worden tal van (kritische) vragen gesteld en opmerkingen geplaatst. Vanaf de tafel voor de Pers lijkt het dat – na de overeenstemming over het genoemde besluitvoorstel – de discussie objectiever wordt. Met name lijken afgevaardigden van de Gereformeerde Kerken niet meer geremd om hun kritiek te uiten, zonder daarbij de vrees te hoeven hebben de hervormde SoW-bezwaarden daarmee in de kaart te spelen.
Aangezien de spreektijd voor de synodeleden zeer beperkt was – slechts maximaal 2 minuten per 3 hoofdstukken – waren de synodeleden in de gelegenheid gesteld om vooraf een uitvoerige reactie te geven, die de Commissie Structuurvragen (meestal) ook in de beantwoording betrok. Ook hadden de synodeleden een samesnvatting ontvangen van de vele (kritische) reacties van classes, kerkelijke organen en modalitaire organisaties. Ook had de Commissie van Rapport een groot aantal aandachtspunten aangegeven.
Veel vragen in de synode hadden betrekking op de opzet, taken en bevoegdheden van de Regionale Diensten Centra (RDC's) en de daaraan verbonden regio-consulenten.
Welke taken hebben de consulenten nu eigenlijk t.o.v. de individuele gemeenteleden, waar is het aantal van 20 à 40 personeelsleden per RDC op gebaseerd, is het inderdaad zo dat gemeenten zich moeten houden aan landelijke beleidsprioriteiten? (ds. M. Baan); hoe kan de regio-consulent tegelijk makelaar in dienstverrichtingen zijn en vertrouwenspersoon voor de gemeenten? (oud. Burggraaf); kan het aanbod van de RDC's niet conflicteren met de wensen van de gemeenten? Is de neveninkomsten genererende doelstelling geen bezwaar? (diak. v. d. Klis); wordt de regioconsulent geen over de schouders van kerkeraden meekijkende controleur? (Oud. Drost); kunnen iedere 10 gemeenten wel een full-time consulent betalen? (Oud. Korving); creëren we zo met de RDC's geen rammelend huis op lemen voeten en op zandgrond gebouwd? (Diak. Born).
Bij de beantwoording van deze vragen noemde de secretaris algemene zaken mevr. A. W. Wamsteker-Meijer de regioconsulent een nog 'onrijp model', ontstaan vanuit een persoonlijk idee, dat in fase 3 verder zal worden uitgewerkt.
Vanuit de urenlange discussie vermelden we voorts nog enkele opmerkingen.
Namens de Evangelisch-Lutherse gemeenten wordt erop gewezen dat het aantal lutherse gemeenten zeer klein is, gemiddeld 1 per classis. De gemeenten zijn nog maar kort bij SoW betrokken, kampen met een teruglopend ledenbestand en de helft van de gemeenten heeft een historisch – en dus zeer duur – kerkgebouw. Daarom is er nog weinig draagvlak voor en veel verzet tegen SoW. Er wordt begrip gevraagd voor de toenemende behoefte aan regelingen waarin ook kerkordelijk om behoud van de eigenheid voor de Evangelisch-Luthersen wordt gevraagd.
Vanuit de Generale Diakonale Raad is erop gewezen, dat de diakenen vanuit de historie altijd heel sterk een organisatiestructuur van onderop hebben gehad. Er was een overlegstructuur vanuit de gemeenten naar de Provinciale Diakonale Commissies en ook naar de landelijke diakonale dag. In het voorgelegde rapport is er sprake van een top-down structuur. Vanuit de Commissie Structuurvragen wordt geantwoord dat de Commissie naast de 3 ambtelijke bestuursvergaderingen geen mogelijkheden ziet voor een andersoortige structuur.
Deze uitspraak zou ook voor de modalitaire organisaties een uitstraling kunnen hebben, c.q. er de oorzaak van zijn dat de plaats van deze organisaties in dit rapport nauwelijks aan de orde komt.

Financiën/Huisvesting
De financierbaarheid van de organisatie en de onduidelijkheid daarover roept veel vragen op. Wat betekent budget-neutraal en aan welke termijn wordt daarbij gedacht?
Is het juist om te denken aan een verhoging van de verplichte afdrachten? Ds. Den Besten meldt dat de helft van zijn gemeenteleden financieel niets bijdraagt. De voorgestelde lastenverzwaring zal de neiging tot uitschrijven gaan versterken.
Ds. Schellens is bang voor peperdure nieuwbouw. Waarom volgen we het advies van prof. dr. J. A. B. Jongeneel niet en brengen we de nieuwe – afgeslankte – arbeidsorganisatie onder in bestaande locaties? Ouderling Hoogenhout vond dat een (liefst te huren) locatie op loopafstand van het openbaar vervoer zou dienen te liggen en gaf daarbij Spreuken 4 : 12 als leidraad. Ds. Keur vond het onbestaanbaar dat gemeenten gedwongen zijn kerkgebouwen af te stoten terwijl de synode een enorm gebouw gaat plaatsen. Ook diaken Van der Klis had zijn twijfel bij het budget-neutraal. Bij fusie is er ook vaak sprake van kostentoename. Veel synodeleden hadden bezwaren tegen het moeten gaan betalen voor dienstverlening door de RDC's. Juist kleine gemeenten hebben behoefte aan begeleiding, maar hebben daarvoor weinig geld. Velen pleitten voor meer solidariteit tussen rijke en arme gemeenten.
Bij de beantwoording werd gesteld dat gemeenten nooit gedwongen zullen worden tot verplichte afname van diensten. Door de decentralisatie van landelijke taken kan ook het landelijk quotum lager worden, waardoor er op het grondvlak financiële ruimte ontstaat. Als gemeenten moeten betalen voor diensten, wordt men ook verplicht tot eigen prioriteitstelling. Met budgettair-neutraal wordt bedoeld dat de reorganisatiekosten wegvallen door inverdieneffecten. Overigens verklaarde de Commissie zich bereid dit te lezen als minstens neutraal, zodat er ook sprake kan zijn van vermindering van kosten.
Desgevraagd werd meegedeeld, dat de moderamina voor de volgende fase nog zullen moeten beslissen of het (dure) management- adviesbureau KPNG ingeschakeld zal blijven.

Modalitaire organisaties
Oud. A. D. Drost-Veen moest constateren dat het rapport 'MenS' niet voldoet aan de besluitvorming bij fase I met betrekking tot de plaats van de modalitaire organisaties. Zij worden wel genoemd, maar hun plaats wordt niet aangegeven. GZB/IZB/HGJB doen belangrijk en goed werk in een directe relatie met de gemeenten. Zij hebben recht op continuering van hun kerkelijke erkenning. Het desbetreffende voorstel van de Commissie van Rapport vond spreker onvoldoende, daarom diende hij namens 8 ondertekenaars een amendement in. Ds. Wigboldus zag in gedachte een nieuwe kerk waarbinnen we op een nieuwe manier met elkaar omgaan. Modalitaire organisaties zijn daarin overbodig, zo stelde spreker, het moet de taak van de RDC's worden, iedereen met alles te dienen. Hij deed een oproep te werken aan openheid. Drs. J. Traas, voorzitter van de Structuurcommissie, gaf toe dat de plaats van de modalitaire organisaties inderdaad in deze fase minder aandacht had gekregen dan bij besluitvorming van fase I de bedoeling was. Het is de bedoeling deze plaats verder in te vullen bij de vormgeving van de RDC's. Hij ontraadde het zijns inziens te veel ingevulde voorstel van oud. Drost.

Kerkvoogdelijk tegenvoorstel
De derde dag van de synodevergadering zou volledig gewijd zijn aan de besluitvorming over het rapport en de daarop ingediende amendementen.
Als eerste kwam aan de orde een amendement dat door ing. W. P. Noordam was overgenomen van de Algemene Kerkvoogdij Raad, en waarin werd voorgesteld dat er een onderzoek zou worden ingesteld naar de plaats en functie van de kerk in de komende decennia. Zo'n onderzoek, mede bedoeld om een praktisch-organisatorische afbakening te realiseren, zou niet veel tijd hoeven te kosten en zonder vertraging in de verdere procedure in te passen zijn, aldus de kerkvoogden. De uitkomst van dat onderzoek zou dan verwerkt moeten worden in het rapport 'MenS'.
De moderamina waren echter van mening dat de voorgestelde fundamentele doordenking over de taak van de kerk – rekening houdend met het teruglopend ledental, alsmede met de verhouding centraal/decentraal werk – te veel tijd zou kosten, en daarom te veel vertraging zou opleveren. Daarom werd deze kerkvoogdelijke wens niet beschouwd als een gewoon voorstel tot wijziging van het besluitvoorstel, maar kreeg dit de status van een tegenvoorstel. Zou dit tegenvoorstel worden aangenomen, dan was daarmee alle verdere besluitvorming over 'MenS' in deze vergadering niet meer aan de orde.
De synode zwichtte voor deze argumentatie. Met 13 tegenstemmers gaat de synode door met het organiseren van taken en functies, die – naar het oordeel van de kerkvoogden – niet voldoende zijn geïnventariseerd.

Besluitvorming
De moderamina hadden avond/nachtwerk verricht: ter tafel lagen een zeer uitvoerig besluitvoorstel en 18 bewerkte moties.
Ds. F. J. Kok. Heemstede (GKN) voelde zich door deze woordenstroom wat overruled. Wat besluiten we nu precies en, minstens zo belangrijk, hoe brengen we dit over, hoe vertel ik het mijn classis? Mevr. Wamsteker deelde mee dat er een plan gemaakt moet worden voor de vertaalslag. Waarschijnlijk zal er een journalistieke versie komen van het rapport. Ook zouden leden van de op te heffen Commissie Structuurvragen de classicale vergaderingen voorlichting kunnen komen geven. Vervolgens kwamen de moties in bespreking, die alle werden verworpen dan wel ingetrokken.
De synode verwierp moties die o.a. tot strekking hadden:
– de wens om de arbeidsorganisaties wel vast te leggen in Ordinanties, waarbij de uitwerking dan in generale regelingen komt. Doel van deze motie was een 'radenrepubliek' te voorkomen, en de werkorganisatie een ambtelijke verankering te geven (ds. B. J. van Vreeswijk);
– de term 'budgettair neutraal' te wijzigen in 'minstens budgettair neutraal'. Doel van deze motie was een kostenbesparende intentie onder de aandacht te brengen (oud. H. W. Elderman);
– dat gemeenten niet voor geleverde diensten door de RDC's zouden behoeven te betalen, doch dat dit uit verplicht quotum en vrijwillige bijdragen zou worden gefinancierd (ds. L. den Besten);
– dat contacten vanuit de RDC's met groepen die activiteiten opzetten buiten de kerkeraad om niet mogen plaatsvinden zonder instemming van de kerkeraad (ds. M. Oostenbrink);
– dat de functie van regio-consulent overbodig is, waar immers de dienstverleners reeds direct contact met de betrokken kerkeraad hebben (W. W. Veenhof);
– dat de term 'budgettair-neutraal' in het rapport onvoldoende beschreven en onderbouwd wordt (W. W. Veenhof);
– dat benoeming van commissies van de RDC's door de Algemene Classicale Vergaderingen dienen te geschieden, waarbij er tenminste 4 ambtsdragers, waaronder twee predikanten, zitting hebben in elke commissie (ds. B. J. van Vreeswijk);
– dat de voorgestelde opzet van de regionale dienstencentra te omslachtig, te bureaucratisch, te hiërarchisch en te kostbaar is (ds. L. den Besten);
– dat het aan de regio's overgelaten wordt of zij wel of niet regioconsulenten zullen aanstellen (ds. C. B. Elsinga);
– dat er geld beschikbaar gesteld dient te worden voor het gedeeltelijk vrijstellen van de voorzitter van de visitatoren-provinciaal (ds. D. J. Hefting);
– dat omschreven zal worden welke dienstverleningen aan met name financieel zwakke gemeenten niet op contractbasis via het profijtstelsel worden gefinancierd, maar uit quota (ds. L. den Besten);
– dat de criteria betreffende de positie van de modalitaire organisaties in het besluitvoorstel worden opgenomen
(oud. A. D. Drost);
Ouderling Drost verwees hierbij naar de criteria die GZB/IZB/HGJB hadden aangedragen. De moderamina vonden dat zij met het overnemen van de aanbevelingen van de Commissie van Rapport de plaats van de modalitaire organisaties voldoende hadden vastgelegd. Een verdere detaillering zou te veel duiden op het blijvend karakter van deze organisaties. Men hoopt op meer integratie ten dienste van het geheel van de kerk.

Tenslotte
Vervolgens kwam het gehele besluitvoorstel in stemming, dat met drie stemmen tegen werd aangenomen. De praeses sprak zijn grote dankbaarheid uit over deze uitkomst van de vergadering, die door velen met angst en zorg tegemoet was gezien.
De Commissie Structuurvragen (met haar adviseurs van KPMG) werd onder dankzegging ontheven van haar taak. In zijn afscheidswoord noemde de voorzitter van de Commissie Structuurvragen nog een aardig voorbeeld van het verschil in kerkelijke cultuur zoals hij dat in de praktijk ervaren had: hervormden zijn als de landman, die zaait en wacht op de vrucht; gereformeerden zijn als de timmerman: wat hij wenst, dat maakt hij…
De gezamenlijke moderamina zullen voor de verdere procedure betreffende de vormgeving van de toekomstige arbeidsorganisatie verantwoordelijk zijn.
Toen het besluit betreffende het rapport 'Mensen en Structuren' genomen werd, was het op de klok van 'De Blije Werelt' ongeveer kwart voor twaalf. Dat was ook het gevoel dat de meeste synodeleden hadden over de stand van zaken in het SoW-proces.

B. van Bokhoven, Linschoten

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1994

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Synodebesluit 'Mensen en structuren': van voorbarig naar voorlopig

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1994

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's