De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Gerechtigheid en barmhartigheid (6)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gerechtigheid en barmhartigheid (6)

Diakonia

9 minuten leestijd

De gemeente van Christus onderscheidde zich in de eerste eeuwen van onze jaartelling duidelijk van de haar omringende wereld, niet alleen door haar evangelie, maar ook door de manier, waarop de christenen zich aan elkaar verbonden wisten en naar buiten toe de liefde van Christus uitstraalden. Hoewel de Bijbel ons laat zien, dat ook hier de zonde veel kwaad stichtte (Ananias en Saffira) en de apostelen telkens vermanen barmhartigheid te beoefenen en waarschuwen voor liefdeloosheid, kan men toch zeggen, dat de gemeente van Christus een stad op een berg was, waarvan het licht in de duisternis reizigers aantrok. Er zijn talrijke voorbeelden van armenzorg, hulp aan zieken, vreemdelingen en gevangenen. Daarbij kwamen, naar analogie van 2 Kor. 9, de gemeenten elkaar onderling te hulp. Bisschop Dionysios van Korinthe dankt bijvoorbeeld de gemeente van Rome voor ontvangen hulp, bestemd voor christenen, die als dwangarbeiders in de mijnen werkten. Dat medeleven van de gemeente te Rome was geen uitzondering, want de bisschop schrijft: 'Van het begin af had u de gewoonte, alle broeders op veelvuldige wijze te helpen en vele gemeenten in alle steden hulp te verlenen'.
A. Harnack geeft talrijke voorbeelden van onbaatzuchtige hulpverlening. Hij citeert ook een uitspraak van Tertullianus: 'Het is onze zorg voor de hulpelozen, ons betonen van barmhartigheid, die ons kenmerkt in de ogen van velen van onze tegenstanders'. Die hulpverlening werd mede mogelijk gemaakt door de sobere levensstijl van de eerste christenen. Ze deden vanwege hun geloof niet mee met allerlei heidense feesten, maar besteedden hun geld ten dienste van anderen. Tertullianus noemt de vrijwillige bijdragen voor de dienst van de Heere dan ook: 'Spaarpenningen van de godsvrucht. Niets daarvan wordt uitgegeven voor eetpartijen, drinkgelagen of nutteloze braspartijen, maar tot onderhoud en begrafenis van behoeftigen, voor hulp aan arme jongens en meisjes, die geen ouders meer hebben, voorts voor bejaarden die aan huis gebonden zijn. Evenzo komen gelden ten goede aan schipbreukelingen en tenslotte aan dwangarbeiders in de mijnen, bannelingen en gevangenen, die, zover hun lidmaatschap van de kerk Gods de oorzaak daarvan is, op grond van hun belijdenis recht hebben op ondersteuning'. Er ging een geweldige aantrekkingskracht uit van zulke actieve, levende gemeenten, waar Woord en daad samengingen en men zich bij grote rampen of epidemieën met gevaar voor eigen leven inzette voor de naaste.
Daarbij gaf men niet zozeer aandacht aan de oorzaken van de armoede, maar zocht men, allereerst naar mogelijkheden om die te lenigen. Dat zal gedeeltelijk samenhangen met de ondergeschikte plaats, die de meeste gemeenteleden in de maatschappij innamen. Velen waren slaaf of waren arm; bovendien had men te lijden van vervolgingen en was men ook in betere tijden een kleine minderheid, die zich het beste stil kon houden. De vervolging om het geloof, die hen soms tot bittere armoede bracht en zelfs het leven kon kosten, werd door talrijke christenen ook ervaren als een teken van de eindtijd. Waar het beest regeert, worden alle volgelingen van Christus uit de samenleving gebannen (Openb. 13).
Daarom zoch men niet zozeer naar allerlei sociale vernieuwingen, maar volgde men veel meer het spoor van Hem, Die het kruis verdroeg en de schande verachtte en het overgaf aan Dien, Die rechtvaardig oordeelt. Wanneer dr. A. Noordegraaf meent, dat de vroege kerk een voorbeeld is voor het functioneren van de gemeente in deze post-christelijke tijd, heeft dat ook gevolgen voor de waardering van allerlei eigentijdse visies op gerechtigheid en barmhartigheid, zoals door verschillende organen binnen onze kerk en de oecumene naar voren worden gebracht. Juist de concentratie van de vroege kerk op de verkondiging van het evangelie in woorden en daden, heeft ons veel te zeggen over het gemeente-zijn in een wereld, die van Christus niet weten wil.
Met name in onze tijd is het denken over gerechtigheid en barmhartigheid volop in beweging. Het wordt sterk beïnvloed door politiek, sociologie en filosofie. Dat betekent een duidelijke koersverandering ten opzichte van het verleden. Eeuwenlang heeft in de dienst van de kerk de barmhartigheid centraal gestaan. Veel van deze hulpverlening was binnenkerkelijk gericht, het was vooral kérkelijke armenzorg. Veleij zagen het lidmaatschap van de kerk dan ook als een middel om te delen in de diakonale zorg. Maar al te vaak werd echter bij de dienst der barmhartigheid uitgegaan van de situatie zoals die was: 'God heeft rijken en armen geschapen'. De oorzaak van de dikwijls schrijnende verschillen werd niet gezocht; men probeerde sommige symptomen te bestrijden en te verzachten. Dat God opriep om recht te doen op alle terreinen van het leven, dreigde nogal eens onderbelicht te blijven.

Liefdadigheid
Wel deden velen via de kerk en privé aan liefdadigheid. Het geven van aalmoezen gold als een goed werk, maar met name de Reformatie waarschuwde voor de bedelarij, die toen exorbitante vormen had aangenomen. De oproep aan de gemeente in het oude bevestigingsformulier voor diakenen om de broeders van middelen te voorzien, moet tegen die achtergrond gelezen worden, evenals de vermaning aan de armen om niet te murmureren, dankbaar te zijn, Christus niet te volgen om het brood en waar mogelijk te werken, zodat men anderen zou kunnen meedelen. Toch geldt: 'Voor de Franse tijd was de armenzorg naar verhouding uitstekend: de armen kregen onderdak, er waren scholen met gratis onderwijs voor de armen, gezondheidszorg voor bedeelden, etc. Maar er waren ook nadelen: in de kerken moesten de armen in bepaalde banken plaatsnemen (sommige steden kenden een zogenaamde "armenkerk"), men reikte broodpenningen uit, etc.'.
De opkomst van de industie in de negentiende eeuw en de daarmee gepaard gaande verstedelijking van ons land bracht voor velen bittere armoede. Er vormde zich een maatschappij van have's en have-nots, bezitters en bezitslozen. In die tijd ontstond het communisme van Karl Marx: 'Proletariërs aller landen, verenigt u!' Van groot belang was echter ook de hulp, die vanuit piëtistische kringen in talrijke vormen gegeven aan mensen, die aan de onderkant van de samenleving te vinden waren.

Réveil
In ons eigen land waren de aanhangers van het Réveil voor velen een lichtend voorbeeld. Zij lenigden noden en probeerden metterdaad iets te doen aan de sociale misstanden door scholing, kinderbescherming en sociale zorg. Ook van hen valt voor de kerk van vandaag veel te leren, met name ook van de wijze, waarop zij hun geloof in de Heiland eenvoudig in praktijk brachten. Ze vergaderden niet voortdurend over de armen, maar zochten hen op en stonden hen bij op allerlei gebied. Daarbij werd niet alleen naar de maatschappelijke kant gekeken. Kenmerkend voor het Réveil is de verbinding tussen Woord en daad. Men sprak van Gods gerechtigheid in Christus, maar hielp tegelijk in maatschappelijke problemen. Het Woord van God was geen hindernis, maar de stuwkracht bij hun werk. Vanuit de dienst der verzoening als het hart van het kerkelijk leven, kwam de dienst van de naaste aan de orde. Juist die volgorde dreigt in onze tijd bij sommigen in onbruik te raken.

Wereldoorlogen
In de twintigste eeuw kwamen de sociale vragen des te sterker onder de aandacht van de kerken. Twee wereldoorlogen met hun gevolgen, de opkomst van het communisme, de wereldwijde crisis van de jaren dertig, de onafhankelijkheid van voormalige koloniën en daarmee samenhangend de groeiende aandacht voor mensenrechten, de ontwikkeling van de massamedia en de toenemende mondigheid van de mensen zorgden ervoor, dat de vragen van gerechtigheid en barmhartigheid opnieuw en veel pregnanter dan voorheen aan de orde gesteld werden. Daarbij was de invloed van de oecumenische beweging een doorslaggevende factor. Bij het zoeken naar de globale eenheid van de kerken vroeg de plaats van de kerk in de wereld volop aandacht. In de discussie daarover kwam het accent steeds meer te liggen op het diakonale vlak. Zag men na de Tweede Wereldoorlog de taak van de kerk vooral in het getuigen van Jezus Christus als het Licht der Wereld; in de jaren zestig trad, om met Berkhof te spreken, een diakonale wending in. Het gaat sindsdien niet zozeer om het evangelie van Jezus Christus de Gekruisigde, dat de kerk aan de wereld te brengen heeft, maar veel meer om de vraag, wat de kerk met haar dienst in en voor de wereld betekent, waarbij politieke en maatschappelijke vraagstukken de agenda van de kerk bepalen. De kerk moet zich allereerst als een pressiegroep inzetten voor de armen en ontrechten in onze wereld en solidair zijn met de zwakken in de samenleving.

Verzoening
Dr. A. Noordegraaf schrijft in zijn 'Oriëntatie in het diakonaat': 'De kijk op de reikwijdte van het diakonaat wordt voornamelijk bepaald door de visie die men heeft op de kerk, de verhouding kerk-wereld, de plaats van het geloof in de heilsbemiddeling, de reikwijdte van Gods verlossend handelen'. Daarmee geeft hij ons een waarderingsgrondslag voor de huidige theologische ontwikkelingen, ook wat betreft de vragen rond gerechtigheid en barmhartigheid. Naarmate de verzoening door voldoening, de noodzaak van wedergeboorte, bekering en persoonlijk geloof meer op de achtergrond komen, krijgen andere vragen voorrang. Daarbij gaat het niet langer om de vraag wat Christus voor mij gedaan heeft, maar om wat ik voor Hem en mijn naaste doe. Sinds de jaren zestig is die visie op het kerk-zijn bepalend geworden voor de oecumenische beweging. Men trekt de praktische consequenties uit de theologie van Karl Barth en gaat daarbij een aantal stappen verder dan hij. In een functionele ecclesiologie (leer van de kerk) wordt het dienstbetoon van de kerk aan de wereld het een en al. Kerk-zijn wordt beperkt tot diakonaal handelen, waarbij het doen van gerechtigheid als het bouwen aan een wereld van vrede centraal staat. Dat is niet alleen een eenzijdigheid, die verlammend kan werken (Noordegraaf), maar leidt ook tot een herwaardering van de bijbelse gegevens. Als de wereld en haar nood de agenda van de kerk bepaalt, heeft dat gevolgen voor de inhoud van haar verkondiging. Wat de Bijbel zelf als hoofdzaak aan de orde stelt is dan niet langer relevant, het gaat om alles wat betekenis heeft voor de oplossing van de vragen, waarmee wij op aarde geconfronteerd worden. Daar is het zicht op Gods recht verblind door het schelle licht van mensenrecht en is de kerk niet langer een bode van het evangelie van Jezus Christus de Gekruisigde, maar een 'partijganger der armen'.

A. W. van der Plas, Waddinxveen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Gerechtigheid en barmhartigheid (6)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's