Als het niet voor de hand ligt…
Ontmoetingen met jongeren
Als uit het niet doemen ze op.
Je was er niet achterheen geweest, maar ineens staat zo'n jongen of meisje voor je. Op zoek naar God. Gelet op hun opvoeding en/of op hun ontwikkeling lag het allerminst voor de hand. Integendeel. Ze zouden kwijtgeraakt zijn, als God Zelf hen niet aangeraakt had.
Een verrassend verschijnsel.
Twee punten verdienen hierbij de aandacht.
– De stille kracht die van ons gebed uitgaat.
– De stimulerende kracht die ons geloof uitstraalt.
Stille kracht
Om te beginnen gewoon enkele voorbeelden.
• Onverwacht stond hij op de stoep en belde aan. Hij was me onbekend, de catechese volgde hij al lang niet meer.
'U zult het wel raar vinden', zo zei hij wat schutterig, 'maar ik kan niet meer om God heen. Mag ik u even spreken?'
• Ineens zat ze op catechisatie. Haar gezicht was me vreemd. In een kennismakingsgesprekje na afloop van het catechese-uur vertelde ze, dat ze van huis uit bitter weinig had meegekregen en lang niks voor het geloof gevoeld had. Door contact met een gelovige jongen op haar werk was er nieuwsgierigheid gegroeid. En daarom kwam ze nu. Later vertrouwde ze me haar verhaal toe in een brief en schreef toen o.a. dit:
'Mijn familie stond niet erg positief tegenover mijn plotselinge geloofsinteresse. Toch mocht ik met die jongen van het werk mee naar een campingdienst, waarin u voorging. U beschreef een situatie, die bijna overeenkwam met de situatie bij mij thuis. Ik heb toen besloten catechisatie te gaan volgen…'
• Een ander meisje bleef op catechisatie komen en deed volop mee. Min of meer tot mijn verbazing. Het gezin kennende was het wat uitzonderlijk. Ze schreef het zelf zo:
'Ik ben de jongste uit een gezin van vier kinderen. Wij zijn alle vier groot gebracht met het naar de kerk gaan. Toen we een jaar of achttien waren mochten we zelf gaan beslissen of we nog naar de kerk of de catechisatie wilden. (…) Gezien de situatie thuis, had ik God op dat moment links kunnen laten liggen. Mijn vader werd ontslagen en kort daarna ernstig ziek. Dit gaf veel spanning en negatieve gevoelens tegenover het geloof. Mijn broer en zus hebben toen afgehaakt, maar ik had sterk het gevoel dat ik toch maar moest blijven gaan. Vanaf dat moment merkte ik, dat de Heilige Geest ook in deze tijd nog werkt. (…) Ik denk dat ik op het juiste moment ben "opgepikt" door God.'
Stuk voor stuk zijn het voor mij levende bewijzen, dat voorbede doen voor de jongeren niet voor niets is. Maar dat er een stille kracht in opgesloten ligt, waarover je keer op keer verwonderd staat…
Een taak voor ambtsdragers
Ik val nu maar gewoon even met de deur in huis.
Hoe geregeld bidden we als predikant welbewust voor de jongeren in de gemeente of als ouderling voor de jongeren in onze sectie? Dagelijks… of nauwelijks?
De ervaring leert, dat, als zo'n vraag wordt neergelegd in een kring van ambtsdragers, de 'beschaamheid van het aangezicht' voelbaar en zichtbaar is… Misschien kleurt u, al lezend, op dit moment zelf ook licht. Is dit niet een facet van de crisis der gereformeerde gezindte?
We weten immers maar al te goed, hoeveel jongeren geestelijk op de tocht staan en dat, tenzij de wind van de Geest gaat waaien, er geen redden aan is. Met dat ze 17, 18 jaar worden gaan de ramen naar de wereld steeds meer open. Het leven zonder God waait op allerlei wijze in hun gezicht. Hetzij in de vorm van wetenschappelijke scepsis, hetzij op de wijze van ordinaire verleiding. Hoe makkelijk worden ze niet meegezogen…! En je ziet het gebeuren. Temeer als er van huis uit maar weinig geestelijk houvast werd meegegeven. Er in het gezin – en hoeveel van zulke gezinnen zijn er niet? – slechts sprake is van wat los-vaste godsdienst. Hoe makkelijk laten ze dat niet schieten…!
Juist in deze machteloos-makende realiteit, waar je in je ambtelijk werk tegenop loopt, het bij menig jongere niet voor de hand ligt dat er iets goeds uitgroeit voor de Heere, zullen we ons voor alles wapenen met het gebed.
Naar het sprekende voorbeeld van de eerste gemeente (Hand. 4 : 23-31), die bedreigd in haar voortbestaan biddend de handen ineen slaat: 'Nu dan Heere, zie de dreigingen…, en dat Gij Uw hand uitstrekt!' Het is mijn diepe overtuiging – en wat meer is Gods onomstotelijke belofte –, dat op deze wijze net als toen een ongekende kracht ontketend wordt. De stille kracht van de Heilige Geest. Met als gevolg, dat bij jongeren die op de tocht staan, de wind zomaar – als een wonder! – uit de andere hoek gaat waaien.
Wie dagelijks voor jongeren leert bidden tegen de verdrukking in, zal meer dan eens versteld staan, dat de Geest daadwerkelijk veranderingen werkt. Die zal zijn oren en ogen soms nauwelijks geloven, als zo'n jongen of meisje, die 'verloren' leek, ineens op de stoep staat, in de kerk zit, op de catechisatie verschijnt. Ja, die zal geregeld precies net zo verbaasd opkijken als die mensen, die Petrus ongelovig aanstaarden, toen hij op hun gebed ineens voor de deur stond (Hand. 12 : 15, 16).
Gods Hand is niet verkort, waar wij onze tekortschietende handen vouwen. Bij alle tegenkrachten die ons verlammen, hopen we niet tevergeefs op de stille kracht van Gods Geest.
Als iemand mij nu vraagt of zulke wonderen aan de lopende band gebeuren, dan wil ik dat beantwoorden met een tegenvraag: In hoeverre zou onze biddeloosheid de oorzaak kunnen zijn, dat dergelijke wonderen zo spaarzamelijk voorkomen? Blijkens de Schrift is er namelijk een directe samenhang als er staat: 'En Hij (Jezus) kon aldaar geen krachten doen vanwege hun ongeloof'.
Een zaak voor allen
Uiteraard gaat dit niet alleen ambtsdragers aan. Wat te denken van die jongen, die op mijn vraag, hoe hij er toe gekomen was terwijl zijn ouders hem er niet in waren voorgegaan, antwoordde: 'Ik denk dat het komt, omdat mijn oma altijd voor me gebeden heeft.' Ik denk ook aan die jonge vrouw. Ze had wel ouders gehad, die sprekende voorbeelden waren van geloof. Maar had sinds haar zestiende haar hoofd tegen de wind gegooid. Was bewust getrouwd met een onkerkelijk iemand. 'Maar', zo vertelde ze me, 'op de begrafenis van mijn moeder, die zonder ophouden voor me gebeden heeft, heeft God me zo aangesproken door de preek, dat alles omkeerde.'
En niet te vergeten die jongen. Hij vertelde me: 'Ik spotte er ronduit mee, als mijn vader zei, dat hij voor me bleef bidden. Doe je best maar, zei ik, terwijl ik zondags met vrienden erop uit trok. Maar op een gegeven moment werd ik steeds onrustiger. Ik voelde steeds meer dat ik zo niet door kon. Het duurde lang, eer ik het mezelf en vooral mijn ouders wilde toegeven. Tot ik niet meer kon.' Inmiddels deed hij belijdenis.
Stuk voor stuk zijn het bemoedigingen.
Aansporingen ook om niet te vertragen in het gebed.
Gelet op dit laatste, is het zaak dat er in de pastorale zorg op huisbezoek ook welbewust aandacht gegeven wordt aan deze zaak. Zeker nu die nood aan bijna geen deur meer voorbijgaat. Hoe dat kan?
• Door welbewust er naar te informeren, hoe het in geestelijk opzicht met de kinderen en kleinkinderen gaat. Uit schaamte zal niet ieder er uit zichzelf over beginnen, terwijl het wel hoog zit.
• Door elkaar aan te vuren tot (volharding in) het gebed. Het is lang niet altijd vanzelfsprekend dat dit beoefend wordt, terwijl dit toch juist het onmogelijke vermag.
• Door samen de nood aan het eind van het bezoek welbewust bij de Heere neer te leggen, pleitend op Zijn erbarmen en trouw. Behalve dat dit het beste is wat we kunnen doen, kan ons gebed ook tot voorbeeld dienen voor hen die dit bidden nog onbekend is. En dat konden er wel eens meer zijn, dan we vermoeden…
Stimulerende kracht
Het valt elke keer weer op, dat het voor een jongen of meisje dat desondanks getrokken wordt, heel belangrijk is wat hij/zij aan een predikant of ouderling beleeft, met wie hij/zij in aanraking komt. Je wordt op geestelijk gebied voor zo iemand vaak een identificatie-figuur, waaraan hij/zij zich optrekt en spiegelt. En dat is logisch. Hebben ze een geestelijk schrale achtergrond, dan kunnen ze zich onmogelijk identificeren met hun ouders. Zijn de ouders wel voorbeelden van geloof, dan blijft het psychologisch toch moeilijk, om na een tijd waarin iemand zich bewust tegen hen afgezet heeft, zich nu ineens aan hen te gaan spiegelen.
Wat wij uitstralen zal bewust en onbewust van grote betekenis zijn. Dit blijkt ook uit wat ik her en der opving. Iemand vertelde: 'In de tijd dat ik weer naar catechisatie ging, was er een geweldige dominee. Het was heel leerzaam wat hij vertelde. Wat vooral belangrijk voor me was in die tijd, was dat ik merkte dat hij zelf leefde uit wat hij ons leerde. Dat gaf steeds herkenning. En dat was dan heel bemoedigend…'
Een ander schreef eens:
'Ik denk dat het erg goed geweest is, dat ik deze ouderling toen heb ontmoet. Ik heb veel met hem gesproken. Hij was er één met overtuiging. Hij heeft op mij een positieve invloed gehad en ik weet niet of ik zonder hem gelovig gebleven zou zijn…'
Precies tegenovergesteld is een andere reactie:
'Toen ik mijn verhaal aan die dominee vertelde, leek het wel alsof hij het alleen voor kennisgeving aannam. Ik was daardoor erg teleurgesteld. Ik dacht altijd, dat het geloof zoveel voor zulke mensen betekende, dat ze wel heel blij zouden zijn, als iemand erbij kwam. En dat ze je dan echt verder zouden helpen. Ik merkte er niets van…'
Gelet op bovenstaande zou ik voor twee dingen willen pleiten:
– Laten we – gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde! – blij en enthousiast reageren op zo'n ommekeer. Concreet kunnen we die vreugde vertalen, door tijd vrij te maken om er verder over door te praten. Vaak kunnen we dan iemand helpen, om het werk van God, van de Geest in die ommekeer beter te duiden, waardoor het voor die ander allemaal waardevoller en vaster wordt. Ontstaat er op deze wijze een geregeld contact, dan kan die ander, onder de zegen van de Heilige Geest, aan ons groeien in de kennis en genade Gods.
– Laat ons spreken meer zijn dan een betoog. Daar is alle reden toe. Wat wij zeggen is immers tegelijk ons leven! Juist als ons spreken vanuit het Woord persoonlijk doorademd is – dat is overigens wat anders dan met je geestelijk leven te koop lopen –, zal het vanwege de herkenbaarheid meer zeggingskracht krijgen. Het zal dichterbij komen, omdat woord en werkelijkheid dan één zijn. Positieve geestelijke identificatie krijgt daar zijn kans. Is dat geen gebaande weg voor een krachtige doorwerking van de Geest? Ik geloof het vast!
P. J. Visser
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's