De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Samenwerken in een gemeente

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Samenwerken in een gemeente

9 minuten leestijd

Een oud Utrechts professor schijnt eens gezegd te hebben: Wacht u voor de collega! Hij wilde daarmee te kennen geven: Zie toe, dat gij niet met één collega dezelfde gemeente dient, en als het moet, neemt u tegenover hem in acht. Vermoedelijk heeft deze geleerde heer teveel ellende in de gemeenten alom gezien, waar twee werkers dienden, om zo'n bits woord te kunnen schrijven. Wanneer u ons vraagt of wij zijn opmerking kunnen overnemen, dan moeten wij onmiddellijk antwoorden: Bijbels is deze uitdrukking allerminst. De Heere Jezus Christus zond zijn discipelen juist twee aan twee uit en wij zien ook, dat Paulus op zijn reizen gewoon was één of meer medebroeders mee te nemen. En trouwens, met name in het Nieuwe Testament vindt u veelvuldig sprake van een teamgeest, een korpsgeest, of liever een broederschap in de arbeid, waardoor de Heere veel zegen heeft geschonken.


Maar intussen, menselijke wijsheid zegt: Geen twee kapiteins op één schip en daar heeft die wijsheid ook volkomen gelijk aan. Het is de taak van de kapitein bevel te voeren en waar zou het heengaan, als daar twee bevelhebbers met gelijke macht bekleed hun soms tegenstrijdige bevelen gaven? Het schip zou er mee te gronde gaan. Nu zijn de predikanten evenwel geen kapiteins en hun taak en roeping is niet bevel te voeren over hun kudde, maar haar te dienen. En wij zien niet in, waarom twee christenen niet dezelfde gemeente kunnen dienen en waarom zij zich voor elkander wachten zouden. De broederlijke verhouding zal niet worden verstoord wanneer het vers van een oud dichter hun voor de geest staat: Kom, sluit u vaster aan! In eigen oog de kleinste word' elk ook graag de reinste op de af te leggen baan! Neen, er behoeft geen verwijdering te komen wanneer wij telkens zien op Hem, die gezegd heeft: 'Gelijkerwijs Ik u de voeten gewassen heb, zijt gij schuldig elkanders voeten te wassen'.


In de vorige eeuw leefde er een predikant in één onzer gemeenten, die het voorrecht had bijna de helft van zijn diensttijd een gemeente te dienen met twee predikanten en hij diende er achtereenvolgens met vier verschillende collega's. U verstaat, dat de ervaring dan rijk en diep is. Toch kon hij met een gerust geweten verklaren, dat de collegiale verhouding uit de aard der zaak met de één vertrouwelijker was dan met de ander; daartoe werkten ook verschil van opvatting en leeftijd mee; maar dat die verhouding over 't geheel genomen goed was en de gemeente in die tijd nimmer het schouwspel heeft gehad van twee predikanten, die elkander beoorlogden of elkaar voortdurend schichtig aanzagen.


Nu verstaat iedereen, dat er wel eens moeilijke momenten zijn. Ook collega's blijven mensen met hun zwakheden en zonden. Er wordt wel eens iets in onnadenkendheid of zelfs zonder erg gezegd of gedaan, wat aan de andere collega in een geheel ander licht wordt overgebracht, of wat deze hoog opneemt. Vooral laat zich denken, dat men met de andere collega lange telefoongesprekken voert, met het ogenschijnlijke doel van hem raad te ontvangen, maar met het eigenlijk voornemen hem argeloos te onzen gunste te beïnvloeden. Wij zwijgen nu maar van het schrijven van nijdige briefjes over en weer… Weet u, de hoofdzaak is, dat men openhartig tegenover elkaar is en met een enkel woord de zaak opheldert of het bezwaar begraaft. Dat is de beste weg.


In ieder geval, de gemeente heeft met die particuliere grieven niets te maken, zij moet er niets van bemerken. Hoe meer mensen in een ruzietje gemengd worden, des te moeilijker wordt het bijgelegd. Zo was vroegers eens een predikant gedurende enige maanden in onmin met zijn collega. Zij bleven bij elkaar in de kerk komen en ontmoetten elkaar bij derden. Dus was er voor de buitenwereld niets te bemerken. Zij kwamen alleen niet bij elkaar aan huis. De vrede werd dan ook gemakkelijk weer gesloten. Maar wanneer er hatelijke stukken komen in de kerkbode, wanneer er fanvorming optreedt, wanneer de preekstoel een steekstoel wordt – dan is er reeds opruiend werk verricht. Het doet de gemoederen hoog opstuiven en de vrede vliedt voorgoed weg.


Er zijn in iedere gemeente mensen, die graag met één der predikanten op zeer vriendschappelijke voet omgaan en dit doel, die predikant geheel voor zich in te pakken, niet beter menen te kunnen bereiken, dan door zoveel mogelijk kwaad van anderen en bovenal van de collega te spreken. Hoedt u voor deze zaak en voorkomt het, door aan zodanige personen de verzekering te geven dat al het kwaad door ons aan de ander zal worden oververteld.


Desalniettemin is het moeilijk in bepaalde gevallen de vrede te bewaren. Wij noemen een aantal zaken. Wij denken aan dogmatische verschilpunten, aan kerkordelijke onenigheden, aan karaktereigenschappen die het zwaar maken op voet van eendracht met elkaar om te gaan. Het behoeft evenwel de vrede niet te verstoren, wanneer men er maar niet op uit is, zijn eigen inzicht en standpunt de ander aan te preken en op te dringen. Dat gelukt toch niet en zet zo licht kwaad bloed. Beter is het, eenvoudig zijn eigen inzicht en gedragslijn de ander bekend te maken met de voornaamste argumenten daarbij en in geen dispuut te treden. Het is niet aangenaam in een dispuut overwonnen te worden en er behoort heel wat christelijke ootmoed toe, te erkennen, overwonnen te zijn. Het is niet aangenaam voor een predikant, wanneer hij in een gemeente de naam heeft, aan de leiband van zijn collega te lopen en daarom moeten wij zelf zorgen dat niet te doen, en ook voor het prestige van de collega zorgen, dat hij die schijn zelfs niet heeft, ook voor zijn eigen gevoel niet. Op dit punt is er plaats dus om òp te komen voor een zekere eigenheid. Wij leven in een tijd van enorme nivellering. Dat komt ook voor op de kansel. Bovendien is er een algehele malaise in de prediking, die samenhangt met de totale geestestoon van de tijd. Hier mogen wij verlangen naar een cultuur, die niet standaardtypen voortbrengt, maar rijpe persoonlijkheden. Hoe zullen wij die ontvangen?


Het is uiteraard een gave van de Heilige Geest. Maar daarnaast hebben de predikers veel tijd nodig om te studeren, ja, heel veel tijd ook. Zij moeten zich dikwijls afzonderen in hun huis, opdat zij zich wijden aan lezen en mediteren; zo kan het nut daarvan aan allen blijken. God heeft zijn dienaars verscheidenheid van gaven geschonken en roept hen tot verscheidenheid van diensten, zodat zij elkander nodig hebben; van elkander gebruik zouden maken en elkander behulpzaam zijn. Wij hebben reeds opgemerkt: dat is moeilijk en vraagt menigmaal diepe wijsheid. Stelt u zich voor: er is een collega met een wervelende veelsprekenheid, het kerkvolk stroomt van alle zijden toe. En er is een collega daarnaast, die de gave van het Woord veel minder heeft. Hij ziet allen naar de collega drommen en moet zichzelf vergenoegen met een zeer bescheiden gehoor. Welk mens blijft daar op de duur onbewogen bij? Het goede voornemen tot ootmoed mag zeker worden verondersteld. Maar hoe licht wint een al te menselijk gevoelen in onze harten de overhand. Heb ik succes in mijn gemeentearbeid, vind ik aanhang en toejuiching en hoor ik van de mensen hoeveel mijn preken voor hen betekenen, dan verheug ik mij – en reeds is het met mijn ootmoed gedaan. Ondervind ik evenwel gedurig teleurstelling, gevoel ik mij gefrustreerd of moet ik toezien, hoe de collega met voor mij goedkope en oppervlakkig toeschijnende middelen applaus behaalt, dan ben ik zo bezet met deze indrukken, dat mijn ootmoed weer op niets uitloopt. Denk ik een andere maal weer: eigenlijk moesten de mensen mijn voortreffelijke gedachten toch veel hoger waarderen dan die van mijn collega's, wier theologie toch recht mager is, dan zit ik een eind van de ootmoed vandaan. Het blijft met de ootmoed een harde zaak en toch kan per slot van rekening deze alleen een goede, de rechte oriëntering voor de omgang met collega's verlenen.


Een oude beproefde regel is een stil verdriet van zich af te schrijven in een voor niemand toegankelijk dagboek. Te streven naar de ontwikkeling van onze eigen gaven en daaraan onverdroten te arbeiden. Het blijkt maar al te vaak in de wereld dat het daverende spoedig wegdreunt: Maar het gepredikte Woord zal waarschijnlijk dan vruchtdragen als het met zachtmoedigheid komt en als het zachtjes binnendringt in de harten en gevoelens van de hoorders. Wanneer wij in de dienst van God niet doen kunnen al wat wij graag wilden, moeten wij doen wat wij kunnen en spijt gevoelen van nog niet meer en beter te kunnen doen. Het samenwerken in een gemeente heeft veel voor. Men verbeeldt zich alleen in een gemeente zo gauw boven de anderen te staan. Men krijgt zo'n air van een kapitein. Daartegen behoedt ons de teamgeest. Bij de samenwerking met anderen komt er correctie en creativiteit. Je leert ook van elkaar, al was het soms ook maar negatief – hoe het niet moet. Maar dat moet dan ook worden geschreven in het dagboek. Eén ding tenslotte – wie het niet verkroppen kan als de kerk voller is bij de ander dan bij hem zelf; wie meent dat het allemaal vijanden zijn die de collega liever dan hem horen; wie het groter aantal catechisanten niet verdraagt en vinnige opmerkingen maakt op het werk van zijn collega, die moet nooit een beroep naar een gemeente met meer predikanten aannemen. Hij onderzoeke weleer zichzelf of hij wel geschikt is een dienaar der gemeente om Christus' wil te zijn. Bekendheid met de dingen Gods en dienstvaardigheid voor het rijk Gods brengt eer over de mensen en maakt ze groot.

A. van Brummelen, Huizen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Samenwerken in een gemeente

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's