Globaal bekeken
Een Kerkbode heeft plaatselijk of regionaal een onmisbare functie. Op 1 december l.l. bestond de (hervormde) 'Zondagsbode', bij de opzetting bedoeld 'voor de Ned. Herv. Gemeente in den ring Schiedam (Delfshaven, Kethel en Spaland… Vlaardingen) enz. enz.', 100 jaar. Bij de huidige Zondagsbode was een exemplaar van het eerste nummer (1 december 1894) toegevoegd. Uit deze 'oude (kerkelijke) doos' knipten we de volgende stukjes:
• Arme Chineezen!
'Ja men krijgt medelijden met hen; niet alleen omdat zij zoo in den oorlog verslagen worden door de Japanners, maar als men leest van hunne blindheid. Zij kennen God niet, zij kennen den Heiland niet, en zij kennen ook de ware menschheid niet, zij weten en gelooven niet, dat wij allen van eenen bloede afstammen en alzoo broeders zijn; hetzij wij Chineezen of Europeanen heeten. Vandaar hun vreemdelingenhaat, hun trotsch, hunne liefdeloosheid en wantrouwen. Dit alles eenvoudig een staaltje van hunne heidensche blindheid. Bij de jongste gebeurtenissen is dat uitgekomen.
Vooreerst bij de pest die dezen zomer in het zuiden van China heeft gewoed. Voornamelijk in Canton en in Hongkong. In Canton stierven eerst de ratten. Bij duizenden lagen zij op de straten. Toen kwamen de menschen aan de beurt. In het geheel moeten in Canton 120.000 personen aan de ziekte bezweken zijn, in Hongkong ongeveer 3000. Nu is het zoo diep treurig, dat voornamelijk in Canton en omstreken de haat jegens de vreemdelingen zich op vreeselijke wijze geopenbaard heeft.'
• Afstanden bestaan niet meer.
'Den 1sten December zal de telefoonverbinding tusschen Weenen en Berlijn voor het publiek verkeer worden opengesteld. Verleden week is het eerste gesprek gevoerd tusschen twee hoofdambtenaren van den wederzijdschen post- en telegraafdienst Wat zijn de menschen toch knap tegenwoordig. De zeeen hebben wij door onze stoomschepen als met een brug overdekt: wij berekenen ih hoeveel tijd het licht van de zon tot ons komt; wij hebben door het electrische licht den nacht tot dag gemaakt. Maar met al onze uitvindingen, onze werktuigen, onze kunsten en wetenschappen zijn wij, blijven wij toch arme zondaren voor God, menschen die aan vrede behoefte hebben. Heil ons, de Vrede vorst, „Hij kan gebieden den vrede op aarde, en in ons hart!" Daartoe is Hij gekomen. En Hij wil het. Daartoe komt Hij!'
• Klacht van Erasmus op de Groote Markt te Rotterdam.
'waarin Erasmus sprekende wordt voorgesteld en klagende dat zijn beeld daar zoo met stof en vuil bedekt is.
'"k Ben smerig, schuim'lig zelfs en ook mijn boek 't is treurig
Is gansch onleesbaar thans, zoo vies is 't en bevlekt."
De Engelschman, de Franschman, de Duitscher, ze vinden het verschrikkelijk dat het beeld er zoo uitziet en
"Mijn eigen volk alleen, mijn lieve stadgenooten,
Zij laten mij bedaard hier in mijn smaadheid staan!
O, 'k zou hen allen wel tot pulver willen stoeten!
En was ik niet zoo stram, ik liep hier nog vandaan!"
Nu is dat "tot pulver willen stooten van zijn lieve stadgenooten" niet bepaald een zachtmoedige wensch, maar de behandeling is er dan ook naar!
Dat is zeker?'
• Advent
Somber donker zijn de dagen,
Als het jaar ten einde spoedt,
't Dorre blad is afgevallen,
Winterkoû ons hulv'ren doet.
Maar 't zijn rijke zegeningen,
Die de lente straks ons biedt,
Zij, die heenwijst naar 't verschiet
En ons spreekt van nieuwe dingen,
Ons bereid door Gods gena:
Christus leeft, Hallélujah!
Donker ook is 't in het ronde.
Overal, waar 't oog hier staart,
Wondeplekken, worstelkampen.
Waar is toch de vrede op aard?
Toch breekt na die worstelingen
't Overwinningsuur eens aan;
't Heil des Heeren breekt zich baan,
D'aarde zal haar loflied zingen,
Blijde jublend vroeg en spa:
Christus leeft, Hallélujah!
Donker is 't in 't hart des menschen,
Die zijn Heiland nog niet kent,
Die zich zelf een weg wil banen
En bedrogen staat in 't end.
Arm, ellendig, gansch verloren,
Vindt hij niets dan klatergoud.
Toch daagt redding en behoud,
Zoo hij naar zijn God wil hooren.
Dat hij tot den Heiland ga:
Christus leeft, Hallélujah!
Donker vaak is 's christens leven.
Zwaar drukt menigmaal het kruis,
Als hem smart op smart herinnert:
't Vreemd'lingsoord is geen tehuis.
Nogtans, wil hij voorwaarts streven.
Afgelegd wordt alle last,
Die den pelgrim hier niet past
En het reislied aangeheven:
God slaat steeds zijn kind'ren ga,
Christus leeft, Hallélujah!
Uit een fraai boekje over Anne de Vries (uitgave Callenbach, Nijkerk) het volgende over 'Drenthe-Bartje':
Ik bid niet veur bruune boo'n,
die viese ding'n lus ik niet,
geef mij mor'n lekker prakkie
van kool-roap, andivie of biet.
Mien Pa was heel voak sagareinig,
mor Moe kon der ook wel wat met,
't begon altied met dekselse jong,
en dan was't uutkiek'n opgelet.
Van Pa mus ik beslist alles eet'n,
mor bruune boo'n, da's zwienevreet'n,
als ik dan zee, dát eet ik niet op,
dan werd ie kwoad en vuurrood om kop.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's