Uit de Pers
Bijbelvertaling
Wekelijks valt de laatste maanden de advertentie van de 'International Bible Society/Holland' in de kerkelijke pers op: Levensbelangrijk! Parallelbijbel: de Statenvertaling in de linkerkolom en de jongste verwoording van de Schrift 'Het Boek' in de rechterkolom. 'Voor meer begrip', zo wordt deze uitgave aangeprezen. Wie een enquête zou houden onder de lezers van 'de Waarheidsvriend' hoe vaak aan tafel of bij het naar bed gaan of ter voorbereiding op de bijbelkring naast de Statenvertaling of misschien zelfs wel alleen uit Het Boek wordt gelezen, zou weleens verbaasd kunnen zijn over het grote aantal onder hen. Je kunt daar je vragen bij stellen, maar de feiten liegen er niet om. Wat steekt daar achter? Waarom grijpen veel jongeren, maar ook veel ouderen naar Het Boek? Is dat een modegril of komt dat voort uit zucht naar nieuwigheden? Ik denk dat het veel meer te maken heeft met het feit dat de Statenvertaling voor velen al ontoegankelijker is geworden. En dan hebben we het nog over hen die bij de bijbel zijn opgevoed en groot geworden.
Intussen gaat er gewerkt worden aan wat heet een 'Vertaling 2002'. Uit zo breed mogelijke kerkelijke kring wordt om support gevraagd voor deze poging om de Heilige Schrift zo getrouw en zuiver mogelijk opnieuw te vertalen voor de generatie die nu en straks hopelijk nog in de bijbel wil lezen. Eén van de aangezochte supervisoren van deze vertaling is prof. dr. J. van Bruggen, hoogleraar Nieuwe Testament aan de Theologische Hogeschool (Broederweg) in Kampen. Hij hield zich al eerder bezig in enkele publikaties met de zaak van de bijbelvertaling. Hij schreef o.a. 'De toekomst van de bijbelvertaling', Amsterdam 1975 en had de redactie van het boek 'Wegwijs in bijbelvertalingen', 's-Gravenhage 1981.
Het reformatorisch opnieblad Koers (24 november 1994) vermeldt een gesprek dat medewerker Arie Verhoef met hem had over de vraag 'Wat is de waarde van de Statenvertaling…?'
Hoe verklaart u dat velen binnen de rechterflank van de gereformeerde gezindte nog steeds zo 'n grote liefde koesteren voor de Statenvertaling?
'Er is een spiritualiteit gegroeid, een dictie, een manier van spreken die heel erg samenhangt met de vertaling.
De liefde voor de Statenvertaling kan natuurlijk ook wel eens een gevolg zijn van een stukje immobiliteit: Men is wel sterk in het bewaren van de vertaling van de vaderen, maar daarin is men tot stilstand gekomen, terwijl die vaderen zelf voort bleven gaan.'
Heeft die spiritualiteit te maken met wat Jacobus Revius destijds al opmerkte dat het een vertaling is met een heilig karakter?
'Het lijkt me moeilijk om een vertaling heilig te noemen, omdat het woord "heilig" betekent: "geheiligd", "aan de Heere toegewijd". De mensen die een vertaling maken, zijn hopelijk de Heere geheiligd. En wat de Statenvertaling betreft: De Dordtse Synode heeft nooit gevraagd om een heilige vertaling, maar om een betrouwbare vertaling. Daaraan moet je ook nu nog een vertaling afmeten.'
Maar wat zou Revius daar dan mee bedoeld hebben?
'De vertaling krijgt natuurlijk vanwege zijn inhoud, het Evangelie, een geliefde plaats in de harten van gelovigen en wordt dan om zijn inhoud gerekend tot de heilige dingen. Maar we moeten toch onderscheiden: het Evangelie is heilig en een vertaling niet. Die moet je alleen beoordelen op de vraag of die dat heilige goed en betrouwbaar doorgeeft. Ik kan me ergens wel voorstellen dat dit in de beleving van de mensen vaak in elkaar schuift. Die vertaling is voor hen het Evangelie. Toch moeten we die twee dingen wel goed van elkaar onderscheiden. Generaties lang hebben die twee dingen aan elkaar geplakt gezeten. Wil je een vertaling op zijn merites kunnen beoordelen, dan moet je die twee zaken – het Woord Zelf en de vertaling daarvan –, eerst van elkaar losmaken.
U moet niet vergeten, tijdens de Synode in Dordrecht was er een vertaling voorhanden, de Deux-Aesbijbel, die diep gewaardeerd werd door de gelovigen. Toen de Statenvertaling kwam, was het echt niet zo dat alle kinderen Gods in Nederland stonden te juichen dat ze eindelijk een heilige vertaling hadden. Integendeel, er was een zekere weerstand. De Deux- Aesbijbel werd de mensen afgenomen door iets wat ze niet kenden en waar ze onwennig tegenover stonden, een nieuwe vertaling. De Statenvertaling is niet geboren als oude vertaling, maar als nieuwe vertaling. Pas na een paar generaties krijgt de Statenvertaling de plaats van de oude vertaling.
Wat de mensen dan daarvan maken is te vergelijken met een steen waar allemaal korstmossen aangegroeid zijn. De steen en de mossen kun je moeilijk van elkaar scheiden. Wat er door de tijd omheengroeit aan extra waardering, gevoelens, gebruiken, dat moet je niet negeren alsof het niet bestaat, maar je moet het wel onderscheiden als latere toevoegselen aan de vertaling.'
Had dat voorkomen kunnen worden?
'Ik denk het wel. Als de Synode van Dordt in 1618/1619 had besloten dat de nieuwe vertaling waaraan gewerkt zou worden, om de vijftien jaar een beetje aangepast moest worden aan de nieuwe eisen van de taal, dan hadden we haar in de vaart gehouden. Dan zouden we nu een Statenvertaling hebben die in goede staat van onderhoud verkeerde. Wat we nu hebben, is een Statenvertaling die in slechte staat van onderhoud verkeert. Het lijkt wel, doordat men hem in folie heeft ingepakt, alsof zij prachtig bewaard is, maar zij is verwaarloosd.
Het klinkt misschien wat scherp, maar eigenlijk vind ik dat de mensen die zo prat gaan op de handhaving van de Statenvertaling, een zeer slechte dienst bewijzen aan de echte waarde van de Statenvertaling.
In de kanttekeningen leggen de Statenvertalers vaak uit hoe ze onzeker zijn over een vertaling, welke andere mogelijkheden er zijn. Het is dus lang niet zo evident allemaal als het zou lijken, wanneer je die kanttekeningen weglaat.
Nu zie je in de praktijk gebeuren dat die openhartige onzekerheid later helemaal gaat ontbreken. Dan lijkt het wel of ieder woord een gegoten plaats heeft in de vertaling en absoluut niet meer vervangen kan worden door enig ander woord. Zo'n latere waardering van de Statenvertaling is nou zo'n korstmos om de eigenlijke steen heen.
Die herwaardering heeft juist schade toegebracht aan het voorwerp van verering, omdat de eigenlijke vertaling veel meer bescheidenheid kende dan er later aan werd toegekend. Dan kun je die bijbelvertalers wel heilige mensen noemen, maar – zou ik dan zeggen – als het dan zulke godzalige mensen waren, volg dan hun voorbeeld na en ken aan zo'n vertaling niet een waarde toe die de vertalers er nooit aan toegekend hebben.'
Prof. Van Bruggen legt de vinger bij de zwakke plekken van de verering van de Statenvertaling, ook al weet hij dat het onder hen die deze vertaling zeer hoog houden, vooral gaat om zorg om de inhoud van het Woord Gods. Men is argwanend tegenover het nieuwe, omdat men vreest dat het 'oude' van de boodschap wordt afgezwakt of zelfs verminkt. Het gaat in het vasthouden aan de Statenvertaling om het bewaren van de gereformeerde theologie, waarin de toenmalige vertalers verworteld waren. Vertalen heeft immers altijd iets van vertolken.
In de loop van het gesprek snijdt prof. Van Bruggen de kwestie van de inhoud ook aan. In zijn boek uit 1975 stelde hij o.a. dat het verleden niet normatief is. Er kunnen redenen zijn om nieuwe wegen in te slaan en oude paden te verlaten. Want ieder tijdvak draagt zijn eigen verantwoordelijkheid. Je kunt niet zomaar het verleden blijven verlengen. Maar wie dan nieuwe wegen inslaat en aan een vertaling wil werken voor de toekomst die afwijkt van die van het verleden, die dient zich daarbij wel te bezinnen op zijn argumenten. Want, aldus prof. Van Bruggen, echte verantwoordelijkheid voor de toekomst gaat gepaard met bescheidenheid: de wijsheid begint ook inzake bijbelvertalingen niet bij onze eigen generatie (a.w. blz. 42).
Dan zeggen mensen natuurlijk: met al die veranderingen is de zuiverheid in het geding. Is dat begrip zuiverheid dan niet meer te bewaken?
'Het zou toe te juichen zijn, wanneer de voorstanders van de Statenvertaling vanwege zijn zuiverheid actief betrokken zouden zijn bij de totstandkoming van een nieuwe vertaling. Ik wil ook graag die zuiverheid. De op stapel staande Vertaling 2002 moet daaraan gemeten worden of ze acceptabel zal zijn of niet. Daarin deel ik het principe van de mensen die zo sterk vast willen houden aan de Statenvertaling. Maar waar blijven zij in het bewaken van die zuiverheid? Zij bevriezen een oude vertaling, maar ze laten verstek gaan als het bewaken van de zuiverheid van een nieuwe vertaling aan de orde is. Dan denk ik: wat zouden zij gedaan hebben in 1618? Dan zouden zij de Deux-Aesbijbel verdedigd hebben en niet de toen spiksplinternieuwe Statenvertaling.'
Zuiverheid wordt vereenzelvigd met het geïnspireerd zijn. Dat waren, in de ogen van velen, de Statenvertalers…
'De Statenvertalers waren niet geïnspireerd. Dat hebben ze zelf, noch hun opdrachtgevers, de Synode van 1618/1619, ooit gezegd. Dat is een mythe, die achteraf ontstaan is.'
Vaak onbewust ligt daar de achtergrond van het soms bijna krampachtig vasthouden aan de Statenvertaling. Als zouden niet alleen de bijbelschrijvers, maar ook de bijbelvertalers regelrecht door de Heilige Geest geïnspireerd zijn en dat laatste is onjuist. Van Bruggen constateert dat mannen van de Nadere Reformatie in hun geschriften soms heel andere woorden gebruiken dan de reformatoren. Ze waren dus in hun doordenking en vertolking van geloofsvragen vernieuwend met de taal bezig. Hun nazaten echter van vandaag vriezen de taal in en zeggen: daar moet het voor eeuwig bij blijven.
Onderhoudspogingen: revisie
Wij kennen recent de pogingen van ds. W. L. Tukker c.s. in de zogeheten 'Tukkerbijbel', een gereviseerde editie van de Statenvertaling die in 1977 op de markt is gebracht door het Nederlands Bijbel Genootschap.
Om nog even terug te keren bij het beeld van het groot onderhoud: Er zijn in het verleden toch pogingen ondernomen om de Statenvertaling zo'n onderhoudsbeurt te geven. Denk maar aan A. Kuyper (1895), Esser en Kijne (1947) en Tukker (1977) Zijn die pogingen dan mislukt?
'Hoe goed bedoeld ook, die pogingen kun je niet erg geslaagd noemen. Het is natuurlijk ook de vraag of je kunt volstaan met een onderhoudsbeurt, wanneer bijvoorbeeld je huis erg lang verwaarloosd is. Als je maar lang genoeg je kozijnen laat wegrotten, moet je ze laten vervangen. Dan is een verfbeurt niet meer toereikend.
Ik denk dat de praktijk heeft bewezen dat het niet meer meevalt om de Statenvertaling nu nog over tweehonderd jaar heen zo in de twintigste eeuw te tillen, dat hij precies weer dezelfde functie gaat krijgen als toen hij in 1637 gloednieuw in Nederland ging functioneren.'
Veel generaties voor ons hebben zonder moeite de Statenvertaling kunnen lezen. Zijn wij de laatste decennia dan zo in een stroomversnelling geraakt wat taalontwikkeling betreft, dat blijkbaar die communicatiekloof onoverbrugbaar is geworden?
'Wij hebben in de eerste plaats veel meer dan vroeger een gedemocratiseerde onderwijsvorm. Je moet ervan uitgaan dat iedereen op hetzelfde niveau de Bijbel moet kunnen lezen. De groep lezers van de Bijbel was in de zeventiende eeuw beperkter dan de leesdoelgroep in de twintigste eeuw. Dat betekent dat de moeilijkheidsgraad die men nu aan kan, lager is dan in de zeventiende eeuw.
In de tweede plaats was men in de zeventiende eeuw meer dan vandaag ingesteld op het luisteren. Nu is men ingesteld op het zelf lezen. Dat maakt ook al verschil voor hoe een tekst functioneert.
In de derde plaats wil ik erop wijzen, dat de taalverandering in een stroomversnelling gekomen is. Het aantal woorden dat een andere betekenis en gevoelswaarde heeft gekregen, is sneller toegenomen in de laatste vijftig à honderd jaar, dan in de twee, drie eeuwen daarvoor.' (…)
Er gaapt een communicatiekloof tussen de Bijbel en met name de jonge lezers. Maar onderschatten we dan niet de functie van de ouders? Hebben de opvoeders niet de grote taak om dat oude erfgoed over te dragen op de kinderen?
'Dat hebben ze zeker. Maar het oude erfgoed is het Evangelie van onze Heiland en de grote daden van God die Hij verricht heeft. Die zullen we onze kinderen vertellen: "de roemrijke daden des Heeren". Maar brengt dat met zich mee dat we ook een oudere vertaling aan de kinderen gaan overdragen? Waarom gaan we dan niet een stapje verder en leren we onze kinderen geen Grieks en Hebreeuws?
Natuurlijk zeggen we dan in grote meerderheid dat dat niet nodig is. Maar als wij in de twintigste eeuw zeggen: "We hebben hier een vertaling van de Bijbel; zij is wel ruim drie eeuwen oud, maar we kunnen het er nog goed mee doen…", dan konden we ook wel eens nalatig zijn.
En waarom zou je een brug slaan naar die oude vertaling? Dat is een overbodige moeite. Als ik zie hoe in het blad van de Gereformeerde Bijbelstichting (GBS) woordenlijstjes verschijnen om de oude berijming bijvoorbeeld duidelijk te maken, omdat zonder meer door de auteur, de heer Scholten, erkend wordt dat die woorden vandaag een andere betekenis hebben gekregen, dan belast je de kinderen met twee dingen: je leert ze het Woord. Dat is essentieel, maar je moet ze ook Oudhollandse woordjes leren. En ik kan niet zien dat bij de geloofsopvoeding ook het leren van uudhollandse woordjes hoort.'
Je kunt ouders wel opdragen woorden en begrippen toe te lichten, maar veel ouders kennen en verstaan ze zelf ook niet meer.
De heer Scholten heeft zijn eigen GBS-bijbel. Er zijn verder nog verschillende andere edities van de Statenvertaling in omloop. En als je de Schriftlezing in de kerk te moeilijk vond, kun je hem later thuis nog eens rustig doornemen in Het Boek. Je kunt alle kanten op. Toch bent u daar bepaald niet gelukkig mee. Waarom niet?
'Nee, ik vind het van groot belang dat je als kerken één vertaling hanteert. Je groeit zeker uit elkaar als je verschillende vertalingen accepteert. Wanneer je signaleert dat mensen tijdens de kerkdienst de Schriftlezing horen uit de Statenvertaling en thuis zelf lezen uit Het Boek of uit de "1951", dan mag je daar nooit tevreden mee zijn. Dan signaleer je een uiteengroeien van gezinsbijbel en kerkbijbel en dat lijkt me een slechte zaak. Dat kan nooit de bedoeling zijn. Wij moeten in gezin, kerk en school een en dezelfde bijbel hanteren. Als dat niet meer zo is, dan moet men daar toch aan gaan werken. Anders drijven gezin en kerk uit elkaar en dat is zeer slecht voor het geestelijk leven.'
Die ene bijbel is voor u duidelijk niet de Statenvertaling?
'Zoals de Statenvertaling nu in de huidige staat van onderhoud is, kan zij daar niet voor dienen. Dat zeg ik niet alleen, dat wijst ook de praktijk uit aan alle kanten. Dat wijst zelfs zo'n verklarend woordenlijstje in het GBS-blad uit.'
Wat is voor u dan wel de waarde van die Statenvertaling?
'Wanneer je het niveau hebt om de Statenvertaling en de kanttekeningen goed te kunnen lezen, dan is het een heel waardevolle vertaling met een schat aan gereformeerde geleerdheid in de kanttekeningen. Maar zij kan niet de functie hebben van gezinsbijbel, kerk- en schoolbijbel.'
De praktijk in onze gezinnen en op de christelijke scholen geeft aan dat velen toenemende moeite hebben en krijgen met de weergave van Gods Woord in een vertaling uit 1637. Het initiatief om tot een zuivere en verantwoorde vertaling te komen, zou eigenlijk breed vanuit de gereformeerde gezindte moeten worden gedragen. Ik weet dat hier een heel teer punt ligt omdat voor velen van ons hun geestelijk leven zo nauw verweven ligt met de woorden van de Statenvertaling.
Zelfs wanneer men flexibel hiermee omgaat, treft men mensen in het hart. Velen zijn gestorven met een gedeelte van de Statenvertaling op hun lippen. Die gehechtheid aan de zo vertrouwde vertaling ontneem je mensen, wanneer je als kerk besluit over te gaan op een nieuwe vertaling…
'Je neemt niemand iets af In 1640 zijn er nog mensen gestorven die op hun doodsbed hele stukken uit de Deux-Aesbijbel citeerden. De vraag is alleen: Wat geef ik nu door aan het volgende geslacht? Laat ik een nieuwe generatie weer de Statenvertaling leren of kom ik met een nieuwe vertaling? Als het een andere vertaling wordt, dan moet het er wel een zijn die duur heeft. Dus niet het ene moment de Tukkerbijbel, dan de Voorhoevebijbel, dan Het Boek en dan weer wat anders en de een zus en de ander zo…'
U schetst hier de huidige situatie.
'Zeker, en het zou veel waard zijn als we uit die situatie van divergentie weer uitkwamen door als kerken te zeggen: Laten we de rijen sluiten en een vertaling gebruiken die betrouwbaar is en rust garandeert, zodat je weer een generatie ermee kunt laten leven en sterven.
Zoals het nu ligt, met al die verschillende edities en vertalingen, is het altijd schadelijk. Er moet een continuïteit blijven bestaan van het geestelijk bezit. Dat betekent enerzijds dat je niet zo maar in het wilde weg moderne woorden kan gaan zetten op de plaats van die "oude waarheid".
Maar bevries je een vertaling, dan krijg je anderzijds gegarandeerd vroeg of laat een geweldige breuk tussen de generaties. De gulden middenweg is om voorzichtig vernieuwend met de bijbelvertaling bezig te zijn. Dat is een kunst, misschien moet ik zeggen een genade die heel belangrijk is. Ik weet wel: er is maar één schrede tussen de vernieuwing van de vertaling en de vernieuwing van de inhoud. Maar dat mag ons er niet toe verleiden om dan maar alle vernieuwing weg te drukken en in een egelpositie te gaan zitten.'
Inderdaad, een gulden middenweg van voorzichtige vernieuwing van de vertaling van de bijbel. Blijven we achter en blijven we staan, dan ontgroeien nog meer mensen aan de kennis van de inhoud van de Schrift omdat ze onverstaanbaar is geworden. Wie durft dat op zich te nemen? Juist omdat de weergave van 'Het Boek' de bijbel niet is en ook niet bedoelt te zijn, maar voor een toenemend aantal mensen wel aan het worden is, dient een verantwoorde en zorgvuldige vertaling van de bijbel onze instemming en ondersteuning te krijgen.
J. Maasland
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's