De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Terugblik op de ambtelijke dienst

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Terugblik op de ambtelijke dienst

16 minuten leestijd

Vandaag mogen we weer bijeen zijn voor de jaarlijkse predikantenconferentie. We mogen deze houden in betrekkelijke rust als we zien naar andere landen waar zoveel onrust en rumoer is. Nu ik voor de laatste maal deze conferentie mag openen, dacht ik er goed aan te doen eens terug te blikken in het verleden. Ik denk dan aan de jaren, waarin ik mocht staan in dienst van de Koning der Kerk binnen de Nederlandse Hervormde Kerk. Dat is dan vanaf mei 1959. Deze ruim 35 jaar overziende is het bijna onmogelijk alle veranderingen, die er in die tijd plaatsvonden op maatschappelijk en ethisch gebied, met name de cultuuromslag, en niet te vergeten op het kerkelijk erf, te benoemen. Enerzijds is het moeilijk met Prediker te beamen, dat er niets nieuws onder de zon is. Anderzijds is het zeker dat alles zijn bestemde tijd heeft.

Temidden van alle veranderingen, die er plaatsvonden, bleef en blijft er de vastheid en zekerheid van het goddelijke getuigenis. Boven alles, wat verging en kwam, stond en staat de Koning der Kerk. Dat is Hij, Die zit aan Gods rechterhand. Johannes mocht Hem zien als het Lam dat kwam om het boek der geschiedenis, zoals de eeuwige God dit geschreven had, te nemen en de zeven zegelen te verbreken. Hij, Jezus Christus, is en blijft de Getrouwe Getuige, de Eerstgeborene uit de doden en de Overste van de koningen der aarde. In Zijn handen is het geschiedenisboek van de Kerk in veilige handen. Hij is gisteren en heden Dezelfde tot in alle eeuwigheid. Dat is de enige hoop, die stand houdt tot in het hemels heiligdom als het anker der ziel, het enige houvast in de stroomversnelling van de tijd.

Als we dan een blik terugwerpen op het verleden en soms een vergelijking maken met het heden, is dit niet met de nostalgische verzuchting, waarmee idealiserend wordt terugverlangd naar dat wat geweest is. Hoe goed en zoet soms de gedachten aan bepaalde zaken uit het verleden ook mogen zijn, ook tóén waren er moeiten en zorgen. We doen dit nog minder uit pater-nalistische motieven, alsof wij het toen zo veel beter wisten en deden dan nu. Als u mij zou vragen: Hoe zou u het doen in uw ambtswerk, indien u het over zou mogen doen? zou ik zeggen: wel anders maar niet béter. Wij blijven mensjes uit het stof verrezen, met alle gebreken en tekorten, die daaraan verbonden zijn.

Van het beste van onze dagen kunnen we nooit verder komen dan de ootmoedige belijdenis: Door de genade Gods ben ik wat ik ben, deed ik wat ik deed.

Tijdsbeeld

Deze periode is een tijd geweest van ontwikkeling op velerlei gebied. We kunnen daarbij de vraag stellen of dit vooruitgang heeft gebracht of dat het alleen maar een voortgang van de tijd is geweest. Dit laatste kan ook betekenen achteruitgang. Zonder al te pessimistisch te zijn vrees ik het laatste. De veranderde samenleving toont steeds meer de sporen van verdergaande secularisatie. De positie van de kerk wordt steeds meer bedreigd.

Rond het begin van de zestiger jaren waren er op het gebied van de ethiek niet die vragen, die vandaag aan de orde zijn. Woorden als abortus, euthanasie, homofilie en incest stonden wel in woordenboeken, maar waren bij de gewone gemeenteleden niet bekend. Deze noden, want zo noem ik het, werden niet openlijk besproken en vaak ook in het pastoraat niet onderkend. Woorden als feminisme, gastarbeider en asielzoeker waren vreemd. Moskeeën bestonden alleen maar in het Verre Oosten. Wie wist iets af van de islam?

In die tijd werd ieders persoonlijke levensbeschouwing nog volledig gerespecteerd. Een 'Wet Gelijke Behandeling' was ondenkbaar. In de Waarheidsvriend, jaargang 1959 stond het volgende bericht: 'Aan de regering werd door de stichting "Volk en Ruimte" een adres gezonden met het verzoek: Zich te beraden over de wijze waarop de regering het Nederlandse volk rechtstreeks of indirect kan doordringen van de ernst van het probleem van de bevolkingsaanwas onder volledig respecteren van ieders persoonlijke levensbeschouwing'. Zo'n adres van een neutrale organisatie is in deze tijd ondenkbaar.

In vergelijking met het laatste decennium, waarin bovengenoemde zaken, naast het S.O.W.-proces, zoveel aandacht vroegen, was het in die tijd betrekkelijk rustig. In 1958 was de beslissing gevallen over de toelating van de vrouw in het ambt; een beslissing, die de gemoederen in hervormd gereformeerde kring bezighield. In 1965 kwam de nieuwe psalmberijming aan de orde. De leden van de classis kregen de opdracht deze te toetsen aan de onberijmde psalmen.

Prof. dr. P. J. Smits hield de synode bezig door zijn uitspraak aangaande de verzoening, totdat hij zijn predikantsrechten verloor. Toch las ik een opmerking van één van de vooraanstaande predikanten uit onze kring: 'De nieuwigheden in het kerkelijk leven zijn niet van de lucht. De kerk wordt moe "geëxperimenteerd".'

De gemeente

De betrekkelijke rust in het geheel van de kerk was ook van invloed op het leven en werk van de predikant in de gemeente. Hij kon zich geheel richten op het weiden en leiden van de gemeente, zonder opgehouden te worden door de brandende vragen van deze tijd.

Hoewel er in die tijd nog geen vormingswerk was en geen toerustingscursussen waren, was de geestelijke draagkracht van de kerkeraad er niet minder om. Dit laatste is van levensbelang, zeker in een eerste gemeente. Velen van u zullen met dankbaarheid terugdenken aan bepaalde kerkeraadsleden uit hun eerste gemeente; ambtsdragers, in het bijzonder ouderlingen, die vertrouwensmannen waren van de gemeente en van de predikant. In mijn eerste gemeente heb ik ervaren van hoe groot belang het is een ouderling te hebben, die vaderlijk met je omgaat, die met je spreekt van hart tot hart; iemand, die de gemeente kent vanuit het verleden, terwijl jezelf als vreemde binnenkomt. Een man met wie je een vertrouwensrelatie hebt en die je in persoonlijke gesprekken wijst op bepaalde tekortkomingen in je werk of in je levenshouding in de gemeente. Zo'n eenvoudige gelovige ouderling is je steun en toeverlaat. Bij alles wat er veranderd is in het kerkelijke leven, ben ik ervan overtuigd, dat de Heere zulke mannen nóg geeft. Mannen, die als een Aaron en Hur hun predikant niet alleen dragen in het gebed maar die ook met wijze raad naast je staan. Ik zeg: naast je staan. Zodra je meent boven hen te staan, omdat jezelf een theologische opleiding achter de rug hebt en zij maar eenvoudige zielen zijn, die in de wijsheid vanuit hun geloof spreken en leven, gaat het onherroepelijk fout. Ik ben er diep van overtuigd dat er minder brokken gemaakt zouden worden, minder onlust en onrust in de gemeenten zou zijn, indien er méér naar zulke ambtsdragers geluisterd zou worden. Zonder te zeggen, dat er voorheen geen moeilijkheden waren, komen in deze tijd steeds meer predikanten in hun eerste of tweede gemeente in grote nood.

Ambtelijke collegialiteit

Naast de vraag hoe wij met de kerkeraad omgaan is er die van de omgang met de collega's. Bij alles, waar wij in deze tijd moeite mee hebben, is het soms het moeilijkste de ander uitnemender te achten dan zichzelf. Ik denk wel eens, dat dit ook een geest van de tijd is. Het ik-gericht zijn! Wij waarschuwen daar de gemeente voor in de prediking, maar hoe gaan wij daar zelf mee om? Laten we niet vergeten, dat juist in de broederlijke omgang met elkaar het woord van Paulus handen, voeten en monden krijgt. 'Daarom vermaant, vertroost, elkander en sticht de één de ander, gelijk gij ook doet.' We dienen toch naast elkaar dezelfde Koning, gebruiken hetzelfde Woord, staan soms op dezelfde preekstoel. Daarbij zijn er onderscheiden gaven. Ik vrees wel eens, dat deze ootmoedige collegialiteit niet in kracht is toegenomen de laatste jaren. Dat geldt ook voor de verhoudingen der modaliteiten. Dit spreekt bijzonder in gemengde gemeenten. Soms ben je daar een eenling als hervormd gereformeerde. Hoe ga je met de andere collega's om? Sta je op je strepen, omdat je er van overtuigd bent getrouw naar Schrift en belijdenis te preken en mede leiding geeft in centraal verband? Zijn wij daar dan ook in ons leven en in ons werk op aan te spreken? Betrouwbaar? Bescheiden gezegd, ik heb mogen ervaren dat, als je in alle ootmoed, niet hooggevoelend staat voor waar je je voor uitgeeft, er bij alle verschillen, respect is voor je overtuiging. Ik weet heel goed, dat ook hier de uitzondering de regel bevestigt. Het is er in de loop der jaren ook niet gemakkelijker op geworden. De verschillen ook van levensbeschouwelijke aard nemen in de verhouding der modaliteiten alleen maar toe.

Ik denk hierbij ook aan de geestelijke eenheid en verscheidenheid in hervormd gereformeerde kring. Verscheidenheid is er altijd geweest. Rekkelijken en preciesen waren er vroeger ook. Ze zullen er ook altijd wel blijven. Paulus en Petrus konden elkaar daarin ook al niet vinden. Toch ben ik ervan overtuigd, dat dit voorheen veel minder tot polarisatie leidde dan nu. In mijn jeugd ging ik in mijn geboortedorp Delft in de week naar diensten, die niet onder kerkeraadsdiensten waren te rekenen. Daarin gingen o.a. voor ds. Pop uit Monster, ds. Van de Graaf uit Schoonhoven en ds. Dekking uit Doomspijk. Maar op zondag was en bleef er de trouw aan de plaatselijke predikanten en werd er met overgave geluisterd. Er was ontzag voor het ambt, ongeacht de gave die deze predikanten hadden. Toen in de oorlogsjaren er uit nood ook op zondag evangelisatiediensten werden gehouden, waarin meestal ds. P. Zandt voorging, ging dit met de nodige pijn gepaard. Zodra de reden voor deze diensten wegviel werden zij beëindigd en werd de kas aangewend ten dienste van de plaatselijke gemeente. Deze diensten lieten geen enkel spoor na van blijvende polarisatie binnen de gemeente. Ik ben bevreesd dat dit in toenemende mate wordt gemist. Allerwegen ontdekken we in het kerkelijke leven een toenemende polarisatie van verschillende overtuigingen, waarbij de opvatting van de ander wordt geradicaliseerd en vertekend. Zo groeien de vleugels steeds verder uiteen. Wederzijdse acceptatie wordt steeds moeilijker. Er worden soms scheuren in de gemeente getrokken, die niet meer te helen zijn. De verscheidenheid wordt meer en meer georganiseerd en leidt soms tot gevoelens van onlust en haat. Ik denk daarbij aan het woord van Paulus: 'Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de ge­ zonde leer niet zullen verdragen, maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelve leraars opgaderen naar hun eigen begeerlijkheden'.

Nu weet ik dat dit niet altijd en overal van toepassing is. Er zijn grenzen aan de gezonde leer. Maar die zouden wel eens anders kunnen liggen dan waar ze nu vaak getrokken worden. Anderzijds moeten wij als predikanten altijd worstelend bezig zijn die gezonde leer te verkondigen onder beding van Gods genade en onder de leiding van de Heilige Geest. Alleen het Woord Gods kan samenbindend werken in liefde en trouw. Dat is de 'stok lieflijkheid en samenbinding'.

Pastorale moeilijkheden

In de pastorale verzorging is er in de loop der jaren nogal wat veranderd. Voorheen moest een predikant vaak zonder professionele hulp van anderen moeilijke pastorale problemen oplossen. In vele gevallen bleek hij daar niet voor opgeleid te zijn. In deze tijd is er op velerlei terrein vertrouwde hulp te verkrijgen en kan het goed zijn daar dankbaar gebruik van te maken. Wel zal hierbij, dunkt mij, de nodige voorzichtigheid in acht moeten worden genomen. Het moet altijd gedaan worden in belang van het gemeentelid en niet om dan zelf van die zorg af te zijn. De nood is nooit onder één noemer te brengen. De pastor moet zelfde zieleherder blijven. Maar ik prijs de jonge predikanten van deze tijd gelukkig. Indien zij zichzelf onkundig en machteloos gevoelen om hulp te bieden, kunnen zij nu beroep doen op vertrouwde hulpverleners.

De psychische noden zijn ook alleen maar toegenomen de laatste decennia. Dit is mede te danken aan de verschuivingen op ethisch gebied. Veel is opengebroken wat voorheen onder de dekmantel bleef en geremd werd door sociale controle. Ik weet heel goed, dat veel verborgen leed nu pas openbaar is gekomen. Toch vrees ik dat die openbaarheid ook stimulerend kan werken ten kwade. Ik denk dan aan de mildere beoordeling aangaande echtscheiding, ook in eigen kring. Maar vooral ook aan de brandende vragen over de homofilie. Ik vraag mij steeds meer af of zij, die deze geaardheid als een kruis, een groot kruis, moeten dragen — voorheen verborgen en verdrongen — er in alle opzichten mee gebaat zijn nu dit alles zo openlijk ter discussie staat; zeker nu in de westerse samenleving de homoseksualiteit door velen wordt geaccepteerd als een verantwoorde levenshouding. De kerk zal naar mijn diepste overtuiging nooit mogen aansluiten bij het moderne levensgevoel. Eigentijdse ontwikkelingen kunnen en mogen nimmer de bron en norm zijn voor het kerkelijk leven en het beleid en het belijden beïnvloeden. Dat is iets anders dan eerlijk ingaan op de vragen, die het hedendaagse leven ons stelt.

De overdracht

Zonder het verleden te verheerlijken mag de vraag ons wel bezighouden of de stand van het geestelijk leven niet te veel te lijden heeft onder het leven in de hedendaagse consumptiemaatschappij. Enerzijds is het kennisniveau van kerkeraadsleden en veel gemeenteleden er niet minder op geworden. Velen doen mee met vormingscursussen en toerustingswerk. Deze bestonden in de zestiger jaren nauwelijks. Ik denk ook aan de pastorale handreikingen uit eigen kring. Ambtsdragers komen ook met veel ingrijpender vraagstellingen in aanraking dan een dertigtal jaren geleden. Anderzijds mag de vraag ons wel bezighouden of hierdoor ook het persoonlijke geloofsleven is verdiept. Dat mogen wij ook als dienaren van het Woord ons wel afvragen. Er is, dacht ik, een verschuiving in de prediking van de dogmatische lijn naar de pastorale. Wij moeten daarbij wel oppassen de 'orde van het heil'niet uit het oog te verliezen, ook in de tekstkeuze. De vaste spijs mag toch ook niet onbreken. Het gaat toch ook om de zorg der zielen in het opwassen van het geloof van kinderen in de genade tot vaders in de genade.

Ook in de catechese zijn er verschuivingen gekomen. Bij de velen, die afhaakten en nog afhaken, zijn degenen, die bleven en blijven en die vaak bewuster met de dingen van Gods Koninkrijk bezig zijn.

Van het docerend karakter zijn we overgegaan tot het gesprek. Hierbij spelen de brandende vragen van deze tijd een grote rol. Alsook de openheid van de jeugd. Zij zoeken naar die dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben. Toch moet ook op catechisatie de Schrift open gaan. Alleen zó is er ook voor de jongeren antwoord op de uitdaging van het geseculariseerde denken van deze tijd.

De predikant als geestelijk mens

Ook een predikant is intussen geen bovenaards wezen maar een kind van zijn tijd. Hij ontkomt niet aan het moderne levensgevoel en is niet vrij van de eisen, die het eigentijdse leven stelt. Wat dat betreft is er heel veel veranderd. Eisen, die nu soms gesteld worden tijdens een beroep, waren vroeger ondenkbaar. Laten we echter nooit vergeten, dat de gemeenten er niet zijn om ons te voorzien van een goed traktement en een dure auto. De gemeente is er niet voor ons, maar wij mogen er zijn voor de gemeente. In deze hebben wij navolgers van Christus te zijn, Die zei: 'Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen'. Ik weet heel goed, dat een kerkvoogdij ervoor moet zorgen, dat het predikantsgezin zonder zorg kan leven. Maar de dienaar van het Woord is allereerst een geestelijk mens. Niet voorop sta de vraag: wat ontvang ik, maar wat heb ik te geven, uit te delen?

Het ambt van predikant is en blijft door alle tijden heen een geestelijk ambt. Zonder eigen geloofsleven ten toon te spreiden, moet dit wel heel het werk en heel de habitua van de predikant doorademen. Dat bewaart voor alleen maar plichtmatig bezig zijn. Dat is ook de motivatie, de stuwkracht in het werk in deze tijd. Geloof, hoop en liefde vormen de kracht tot het werk. Dat is altijd zo geweest, maar dient juist ook in deze tijd onderstreept te worden. Want het predikantsberoep is de laatste jaren sterk veranderd. Het komt steeds meer aan op de persoonlijke, geestelijke draagkracht, het persoonlijke geloof in Hem, die roept en getrouw is, de Koning der Kerk.

In die overtuiging door Hem geroepen te zijn is er ook de vreugde van de bediening in pastoraat en prediking; de innerlijke blijdschap om op de preekstoel te mogen staan als een verkondiger van goede boodschap, de stem te verheffen met macht, niet te vrezen te zeggen tot het volk, jong en oud: 'Zie hier is uw God'. Dan is er geen betere werkgever dan de Koning der Kerk aller tijden. Bij alle worsteling vooraf, bij alle vrees vooraf, ontsluit Hij Zijn Woord en geeft wat nodig is om Zijn Naam uit te roepen, uit te zingen als de Middelaar Gods en der mensen.

Er is geen heerlijker ambt dan uitdeler te mogen zijn in de dienst der verzoening. Ik ben ervan overtuigd, dat ieder van u weet wat het betekent, dat het beste van onze tijden op de kansel is. Niet omdat niemand ons dan tegen kan spreken, maar omdat we daar de mond mogen zijn van Hem, die door Zijn Geest en Woord Zijn volk vergadert en verzamelt tot Zijn gemeente. Is er heerlijker werk dan door de Geest het geloof te wekken, de hoop te versterken en de liefde te kweken, in de overtuiging, dat God de wasdom geeft? Een predikant is de enige mens op aarde, die werk doet, dat blijft tot in eeuwigheid. Dat is Gode zij dank niet aan een bepaalde tijd gebonden. Dat is ook de vreugde in het pastoraat.

Terugblikkend liggen ook hier enerzijds grote verschuivingen. Juist hier spelen de veranderingen op het ethische vlak een grote rol. Ik denk aan huwelijksproblemen, generatieconflicten, ontsporingen op zedelijk gebied, worstelingen over eigen geaardheid.

Anderzijds is het pastoraat aan zieken, in het bijzonder aan ernstige zieken, aan geen tijd gebonden. Hoewel dan ook soms de vragen van de medische macht aan de orde kunnen komen, de grote levensvraag: 'Hoe vind ik een genadig God? ' is niet tijdgebonden, evenmin het antwoord vanuit Gods eeuwig blijvend Woord. Bijzondere gedachten bewaar ik dan aan begeleiding van jonge mensen op hun weg

Bijzondere gedachten bewaar ik dan aan begeleiding van jonge mensen op hun weg naar de beëindiging van hun leven op aarde, wannéér dan ook en in welke gemeente dan ook.

Terugdenkend aan die tijden staan die momenten in mijn ziel gegrift als bevestiging ervan hoe zeker het is, dat er voor zondaren verzoening is met God door het eenvoudige geloof in de Heere Jezus Christus. En ook hoe waar het is dat bij al wat er ver-andert, Hij Dezelfde blijft, èn voor Zijn dienaren èn voor Zijn gemeente.

Openingswoord op de predikantenconcio 1995 van de Gereformeerde Bond te Woudschouten, 4 januari 1995.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Terugblik op de ambtelijke dienst

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's