Een stille hulde
'En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kindje met Maria, zijn moeder, en neervallend, hebben zij Het aangebeden...' Mattheüs2:11
Voor aanbidding zijn maar weinig woorden nodig. Het kan zelfs zonder woorden. Als de wijzen uit het Oosten na een lange zoektocht eindelijk in Bethlehem het huis gevonden hebben en het Kind zien, met Maria zijn moeder, dan vallen zij op de grond en brengen Hem hulde. Een stille hulde, want woorden horen we niet. Dat is best opvallend. Zo zijn wij het doorgaans ook niet gewend. Als we iemand huldigen, maken we juist veel drukte. Dan roepen we luid: 'Léve de Koningin' en: 'Hulde aan het bruidspaar' en: 'Hartelijk gefeliciteerd'. En als we in de eredienst God eens van harte willen loven, dan moet de organist alle registers openzetten! Maar als de wijzen, die geleerde horoscopenmakers uit het Oosten, het Kind zien, dan zijn ze blijkbaar eerst vooral stil. Ze zeggen niets. Net als de herders uit Lucas 2. Die stonden ook alleen maar stil te kijken naar het Kind in de kribbe. Pas toen ze de staldeur uitgingen, zetten ze een psalm in. Een psalm van David, denk ik. 'De HEERE is mijn Herder, mij ontbreekt niets.' Maar zelfs dat hoor je niet bij deze vreemdelingen. Zij moeten de eerste psalm dan ook nog leren. Alleen maar: stille aanbidding. Een huldiging zonder woorden. Zó gegrepen zijn ze door dit Kind, deze Koning van God.
Neervallend, hebben zij Hem aangebeden. Dat is een heel bekend plaatje. De eeuwen door heeft het ook vele kunstenaars geïnspireerd. En nog altijd is het een kleurplaat, waar bijna elk kind veel plezier aan beleeft. Meestal getekend als drie Koningen, waarvan minstens één zwart. Mannen met kronen op hun hoofd. Hun rijkbeladen kamelen op de achtergrond. Al heel vroeg wist men hun namen te vertellen. En ook wat zij onderweg allemaal hadden meegemaakt. Maar voor de evangelist Mattheüs is dat allemaal niet belangrijk genoeg er ook maar iets van te melden. Hij zet hen neer, zonder namen, zonder kronen en zonder kamelen, alleen maar: in stille aanbidding van het Kind van Bethlehem. De Koning van de stralende ster. En daar gaat het om: het Kind vinden en hulde bewijzen als de Koning van Gods reddende liefde. En dat doen deze vreemdelingen. Echte buitenstaanders, de naam van Jezus kennen ze nog niet eens, en toch: de evangelist zet hen meteen bij het Kind en vertelt hun aanbidding.
Vreemdelingen, die de Koning der Joden huldigen. Net als in de tijd van koning David. Ook toen kwamen uit allerlei volken uit de omgeving deputaties naar Jeruzalem om koning David hulde te brengen. Want zijn koningschap droeg de belofte in zich het heil en de vrede van God ver over de grenzen van Israël te brengen. Alle mogelijke vorsten en koningen, van die Arafatachtige typen, bogen zich dan voor Israels koning neer. Prachtig! Ook voor Salomo, bepaald niet alleen de koningin van Scheba. Voor hem (en van hem) zong men immers: 'Ja, elk der vorsten zal zich buigen en vallen voor hemneer/ al 't heidendom zijn lof getuigen, dienstvaardig tot zijn eer'. En ook later, wanneer het met het koningshuis van David inmiddels volkomen bergafwaarts gegaan is, die verwachting bleef! Dat koningen naar Jeruzalem zouden optrekken met een overvloed aan geschenken. Om de lof van God te verkondigen en Zijn macht te erkennen. Een perspectief, waarvan ook het laatste bijbelboek getuigt: koningen der aarde zullen hun eer en heerlijkheid inbrengen in de stad Gods, het nieuwe Jeruzalem. Begrijpelijk, dat bij zoveel verwijzingen naar koningen en machthebbers, men onwillekeurig van de wijzen koningen maakte.
Zover is Mattheüs nog niet. Maar wel zet hij hen bewust vooraan. Deze vreemdelingen vormen een soort missie namens alle volken om nu meteen, nu Jezus geboren is. Hem als de Koning hulde te bewijzen. Een hoopvolle afvaardiging! Zij banen ook voor ons de weg. We hoeven hen slechts te volgen. En wie we ook zijn, rond de kribbe van Jezus Christus gaat het duidelijk heel ruimhartig toe. Er is ruimte voor' de vreemdste vogels en de meest afgedwaalde typen, want: de Koning der Joden is de Heiland der wereld. Kom er vooral bij staan! Blijf niet buiten! Kijk, dat wil deze evangelist zeggen met dit aanstekelijke, uitnodigende plaatje, direct aan het begin van zijn evangelie. Bij God gaat het heel ruimhartig toe. Reden voor ons de deuren en ramen van ons gemeente-zijn ook maar wijd open te houden en niet al te zuinig te doen, als vreemde snuiters dichterbij komen.
En dan? Aanbidding! Neervallend hebben zij Hem aangebeden! Er is blijkbaar geen moment van twijfel bij deze mensen. Er wordt geen woord bij gesproken. Geen gesprekken waarin brandende vragen eerst opgehelderd moeten worden. Niets daarvan. Misschien vinden we dat wel wat vreemd. Aan het Kind is immers niets te zien, wat op een Koning wijst? Nee, dat klopt! De evangelist beschrijft het Kind niet. Geen lichtglans of iets dergelijks. Ook het huis beschijft hij niet. Weliswaar hebben ze de stal blijkbaar al verlaten — we zijn hier ook al weer even verder —, maar het is toch maar een armelijke woning. Met één kamer, je valt er letterlijk met de deur in huis. En het Kind zelf? We horen alleen: zij vonden (lett.: zagen) het Kind met Maria, zijn moeder. Vooral die toevoeging: zijn moeder, en de afwezigheid van Jozef, dat maakt dit Kind wel heel erg klein, wel heel teer, wel heel afhankelijk ook. Wel heel, heel menselijk. Een Kindje met zijn moeder! Meer mens kun je toch niet worden. 'Het Woord is vlees geworden', zo schrijft Johannes. Ja, dat is helemaal waar. God heeft Zijn glorie wel heel diep verborgen in dit Kind-bij-zijn-moeder. In dit Kind is God in Zijn ontferming en diepe bewogenheid wel heel diep in ons midden gekomen. Onder ons. Met ons. En vooral om ons! In onze menselijke hopeloosheid, onze volstrekte verlorenheid en aangrijpende schuldigheid.
Zij zagen het Kind met Maria zijn moeder! Maakt niet juist dit Kind je zo sprakeloos? Deze ontfermende God overstijgt alle, alle gedachten en verwachtingen. En juist dit Kind doet alle twijfel, voor zover nog aanwezig, als volkomen niet ter zake wegstromen. Zij vallen op hun knieën en aanbidden Hem als de Koning der koningen, wiens Ster eenmaal stralen zal als geen ander.
Aanbidding: dat is met stijgende verbazing en verwondering, met vreugde en dank, terwijl er iets van trilling en respectvol beven door je heen trekt. Hem eren. Hem groot maken als de Koning en Redder van God. In aanbidding zit iets van: overgave aan Hem en prijsgave van jezelf. Zoals men in het Oosten neerknielde voor een koning en diens voeten kuste. Met zo'n kus leverde je jezelf helemaal uit. Meestal onder dwang natuurlijk, je had geen keus. Zo is het hier niet! Nee! Als vanzelf gaan zij op de knieën. Als verblind door Zijn schoonheid, majesteit en luister. Juist in dit Kind speur je een liefde, die niet uit te zeggen is. Een luister, waar geen woorden voor zijn. Stil knielen ze neer. Een stille hulde! Nee, zeg nu eens even niets. Woorden zijn zo beperkt, zo ontzettend arm. Om hiervan echt iets uit te drukken. Want al onze hulde is deze God en de Zoon van Zijn liefde waard. Eeuwig waard! 'O Zon die door het donker breekt/en 't ware licht in mij ontsteekt, / hoe heerlijk zijn Uw stralen.'
Rotterdam-Delfshaven P. L. de Jong
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's