De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

10 minuten leestijd

Op de vorige week gehouden, druk bezochte concio van G.B.-predikanten werd gerefereerd over 'De almacht Gods' (dr. G. van den Brink en prof. dr. G. G. de Kruif) en over 'Het Koninkrijk Gods en de machten' (prof. dr. W. J. Ouweneel over 'de hemelse machten' en drs. C. Blenk over 'de aardse machten'). Uit elk van de vier bijdragen, die elders zullen worden gepubliceerd, volgt hier een korte passage.

• Dr. G. van den Brink

'De aanduiding "almachtig God" heeft binnen de christelijke gemeente eeuwenlang gefunctioneerd als een van de meest gangbare manieren om God aan te roepen in het gebed; in veel gevallen functioneert zij nog altijd als zodanig. Soms wordt de titel "almachtig" in de gebedsaanroep gecombineerd met "barmhartig" of met aanduidingen van andere eigenschappen, maar zonder twijfel is almacht in de kerkelijk-liturgische traditie de meest prominente van alle eigenschappen die aan God worden toegeschreven. Zowel in het Apostolicum als in het Niceanum is het de enige van alle goddelijke eigenschappen die expliciet vermeld en beleden wordt; in beide symbolen heeft de aanduiding voorzover na te gaan reeds van 'het begin af aan een plaats gehad. Het is moeilijk om de invloed van deze opvallende positie van de almachtsbelijdenis in de meest oecumenische van alle belijdenisgeschriften op de christelijke spiritualiteit en het christelijke denken te overschatten. Dit is temeer het geval, daar de belijdenis van Gods almacht vanaf de veroordeling van Mardon in de dogmengeschiedenis gedurende vele eeuwen nauwelijks omstreden is geweest, en zodoende hecht verankerd is geraakt in de fides quae van de gemeente. In onze eeuw heeft deze situatie zich echter ingrijpend gewijzigd.' (...)

'Het is opvallend, dat de Bijbel juist in relatie met het kruis van Christus behalve macht ook zwakheid aan God toeschrijft (1 Cor. 1:25). Het is uit de context intussen direct duidelijk dat deze zwakheid op geen enkele manier in mindering komt op de macht van God, maar juist het zeer specifieke karakter ervan in het licht stelt. Het kruis toont niet dat God niet in staat is Zijn bedoelingen te realiseren (dat misverstand . wordt door Pasen rechtgezet!), maar wel dat de wijze waarop Hij dat doet geheel haaks kan staan op al ons menselijke machtsdenken, en daarom vanuit het gangbare perspectief als zwakheid en dwaasheid beschouwd wordt Naar conventioneel-menselijke maatstaven gemeten was Christus' zelfvernedering en zelfovergave aan het kruis een daad van zwakheid. Maar deze zwakheid vormt nu juist de macht van God: uist in het kruis realiseert God Zijn diepste heilsbedoelingen met mensen. Ook zó is God machtig. Almacht is in de Bijbel dus iets anders dan tot in het oneindige uitvergrote menselijke macht. Gods macht wordt geheel bepaald en gevuld door Zijn wezen.'

'Het hoeft ons nu ook niet meer te verbazen, dat in de Bijbel regelmatig gesproken wordt over handelingen die God niet kan verrichten. Hij kan bijvoorbeeld niet zweren bij iemand hoger dan Zichzelf (Hebr. 6:13), Hij kan niet liegen (Hebr. 6:18), Hij kan Zichzelf niet verloochenen (2 Tim. 2:13) en Hij kan niet verzocht worden door het kwade (Jac. 1:13). In al deze gevallen gaat het niet om handelingen die in zichzelf logisch onmogelijk zijn. Integendeel, het zijn alle handelingen die mensen dagelijks verrichten. Alleen: God kan ze niet, omdat ze in strijd zijn met Zijn wezen en karakter: iemand is hoger dan God zelf. God is volmaakt goed, volstrekt trouw aan zichzelf, niet vatbaar voor het kwade etc. Gods almacht houdt volgens de Bijbel dus niet in dat Hij "tot alles in staat is" — een uitdrukking die in ons spraakgebruik niet zonder reden een negatieve klank heeft — maar wordt beperkt èn gevuld door Zijn unieke karakter Door het klassieke almachtsbegrip langs deze lijnen te kwalificeren kan mijns inziens aan de waarheidselementen in de "minimaliserende" interpretatie recht gedaan worden, zonder dat dat leidt tot een ontkenning van de bijbelse verworteling van de almachtsleer. Die laatste is namelijk onloochenbaar. Samenvattend kunnen we stellen dat de wijze waarop Gods almacht in de Bijbel ter sprake komt goed verwoord wordt in de regels van een bekend gezang:

Wat zou ooit Zijne macht beperken? 't Heelal staat onder Zijn gebied En wat Gods liefde wil bewerken ontzegt Hem Zijn vermogen niet.' (Gez. 291:1)

• Prof. dr. G. G. de Kruif

• Prof. dr. G. G. de Kruif 'De belijdenis van de almacht van God hangt nauw samen met de belijdenis dat God leeft. Hij is vita. Hij doet dingen, Hij stelt daden. En Hij is daartoe ook in staat De wezenlijke vragen liggen niet in het bijvoegsel al besloten, maar in het hoofdwoord macht. Dat heb ik aan de bespreking van vG willen laten zien. De vraagt is of God macht heeft om Zijn wil te volvoeren, of dat Hij slechts een beeld is, een visioen van mensen. In dat laatste geval zou ik geen venveer weten tegen de oppositie van Feuerbach. Barth heeft de theologie uit een gereduceerd ethisch godsbeeld teruggeroepen tot een overdenken van zijn daden: Gottes Sein ist in der Tat Dat betekent niet dat God in Zijn daden zou opgaan, het is niet zelf weer een reductionistische uitspraak, het betekent dat Gods zijn in daadkracht bestaat.

Het is voor mij altijd weer verrassend om na vele theologische omzwervingen tot conclusies te komen, die reeds bij Augustinus helder geformuleerd zijn. Dat geldt ook met betrekking tot ons onderwerp. In De Civitate Dei schrijft hij (boek V, 10):

"Het levend-zijn van God immers en Gods voorkennis onderwerpen wij niet aan de noodzakelijkheid als we zouden zeggen dat God noodzakelijkerwijze altijd leeft en alles vooruit weet. En aan Gods macht wordt ook geen afbreuk gedaan, als men zegt dat Hij niet kan sterven en zich niet kan vergissen. Dit niet-kunnen is namelijk van dien aard dat God, als Hij wel kon, zeker minder machtig zou zijn. Ja, Hij wordt terecht de Almachtige genoemd, terwijl Hij toch niet kan sterven en zich niet kan vergissen. Men noemt Hem namelijk almachtig, omdat Hij doet wat Hij wil en niet ondergaat wat Hij niet wil. Overkwam Hem dit laatste wel, dan was Hij helemaal niet almachtig. Juist omdat Hij almachtig is, kan Hij dus bepaalde dingen niet."'

• Drs. C. Blenk

'Wij hebben tegenwoordig de wereld in huis. De discussie gaat dan over het "wereldse" ervan. Het journaal wordt daarbij als onschuldig ervaren. Maar dan komt de wereld in huis als "wereldgebeuren ", als wereldnieuws. En wat werkt dat uit? De wereldmachten, de wereldrampen. Je ziet de wereldleiders life, je ziet ook de wereldlijders life. Het wereldleed. Een aanslag op ons menselijk gevoel — en op ons stille en geruste leven. De één schermt zich al aardig ai "Regulatiemechanisme", heet dat. De ander—niet de minste, je kind soms — voelt een aanslag op zijn geloof, ons voorzienigheidsgeloof: regeert God deze wereld? Waarom laat God toe dat...? Ik hoorde van een kind dat over de slachtoffers vroeg: pappa, waren dat christenen? gaan die mensen nu ook verloren?

Vragen aan kerk en theologie. Wij preken 's zondags over het Koninkrijk Gods, dat gekomen is en komen zal. Maar de gemeente leeft een week lang midden in de wereld en hoort en ziet een week lang ook iets heel anders dan het Koninkrijk Gods, namelijk de internationalejungle: na het einde van de koude oorlog weer lokale brandhaarden. Waarom, waarom? Geen nieuwe wereldorde, machteloze blauwhelmen overal. Machteloze toeschouwers erbij. Wat zijn dat allemaal voor machten in deze wereld? Die vraag raakt niet alleen ons apostolaat, maar ook onze reguliere prediking, onze catechese, ons pastoraat. Of theologiseren wij met de rug naar het wereldgebeuren toe? Wij theologiseren over Verbond en verkiezing, over Schriften belijdenis, over kerk en Israël, over reformatorisch en evangelisch, over kontekst en bevinding. Maar over kerk en wereldgebeuren?

Intussen wordt onze gemeente daar wel voortdurend mee geconfronteerd! Door krant en radio, afstandelijker Door de tv directer. Wij hebben niet gedaan wat anderen deden: verbieden. Maar hebben wij dan wel begeleiding gegeven, toerusting, bezinning? Niet alleen over het wereldse, maar ook en juist over kerk en wereldgebeuren? Het Koninkrijk Gods en de machten!

Maar wij zijn er zelf niet voor toegerust. Waar komt dit thema aan de orde bij de theologische studie aan de universiteit? '

• Prof. dr. W. J. Ouweneel

'Er is een verband (...) tussen de boze geestelijke machten en de staten (of staatsleiders). Dat vereist enige nadere toelichting. Satan, de grote afvallige engelvorst, wordt in het Nieuwe Testament de "god van deze wereld" genoemd (2 Kor 4:4). Volgens de Schrift hebben aardse staten achter de schermen elk hun eigen engelvorst (zie Dan. 10:13, 20v), dat zijn de "goden", die de geschiedenis van hun respectieve volken leiden, net zoals de Heere de geschiedenis van Zijn volk leidt. Duidelijke voorbeelden daarvan zien we in Num. 21:29 en Richt 11 : 24 (vgl. Ps. 58:2; 69:6-8). Maar net als satan zelf zijn ook deze "goden" slechts pretendenten, usurpators, gevonnisde rebellen (vgl. noot 3). In Ps. 82 zien we hoe God over deze "goden" gericht houdt Hij is de God der goden (Ps. 136:2), geducht boven alle goden (96:4; vgl. 95 .\3; 97:7, 9; 135:5), niemand onder de goden is Hem gelijk (86:6; 89:7).

Behalve met de naam "goden" — dat is:hemelingen, hemelwezens (vgl. Ps. 29:1; Job 1 en 2; "zonen Gods") — worden deze machten ook aangeduid als "overheden, machten, krachten, heerschappijen, tronen" (Rom. 8:38v; Ef 1:21, 3:10; Kol. 1:16; 1 Petr. 3:22). In verreweg de meeste nieuwtestamentische plaatsen waar deze termen voorkomen, is het direct duidelijk dat het om engelmachten gaat, hetzij goede of kwade. Verscheidenen uitleggers hebben daarom het vermoeden uitgesproken dat dit in alle betreffende plaatsen het geval is, dus ook in Rom. 13:1-7 en Tit 3:1. Daar gaat het zeker (ook) om aardse overheden, maar de gedachte zou dan zijn dat deze aardse overheden geleid worden door engelmachten, hetzij goede of kwade. Ook bij de overheden van deze wereld zouden wij dan niet alleen maar met "vlees en bloed" te maken hebben, maar met de geestelijke "overheden" die erachter schuilgaan (vgl. Ef 6:12). Ook bij de "beheersers dezer eeuw" in 1 Kor 2:6, 8, die Christus gekruisigd hebben, zou dan primair aan de geestelijke machten gedacht moeten worden de machten échter aardse overheden als Pilatus, Herodes en Kajafas.

Aardse koningen werden vaak als "goden" vereerd, en wel vanwege hun zeer nauwe relatie tot de geestelijke engelvorsten "achter" hen, die de feitelijke machthebbers waren. Zo zien wij in Jes. 14 "achter" de aardse koning van Babel het beeld van zijn engelvorst ("Lucifer") oprijzen, en hetzelfde gebeurt in Ezech. 26 met de koning van Tyrus. Vaak is in deze twee hoofdstukken aan de satan gedacht Dat is wel niet nauwkeurig, maar als de "goden" van Babel en Tyrus staan zij kennelijk toch wel onder de "god van deze wereld", de satan. Al de koninkrijk van het "aardrijk" oikoumené eigenlijk het Romeinse rijk: vgl. Luk. 2:1) zijn hem overgegeven en hij beschikt over hun macht en heerlijkheid (Luk. 4:6). In Openb. 12, 13, 17 en 19 is satan als de "draak" dan ook dé engelvorst van het "Romeinse rijk", dat is de eschatologische wereldmacht, die uiteindelijk door Christus vernietigd wordt

Ook vandaag al regeert Christus, die boven alle "overheden en machten" verheven is over de "goden" van deze wereld, en daarmee ook over de aardse overheden. Door welke geestelijke machten de aardse overheden ook al beheerst mogen worden, Christus heeft de suprematie over zowel de aardse overheden als over de geestelijke machten daarachter. Al zijn de overheden naar hun eigen verantwoordelijkheid dienaren van deze geestelijke machten, ja, van satan zelf, dat verandert niets aan het feit dat zij in wezen dienaren zijn van God, die immers de God der goden is. Jezus Christus heeft op het kruis door Zijn dood hem die de macht over de dood had, onttroond (Hebr. 2:14) en heeft de werken van de duivel verbroken (1 Joh. 3:6). Daarom zal de duivel uiteindelijk met al zijn engel(vorst)en in de poel des vuurs geworpen worden (Matth. 25:41; Openb. 20:10). Dat zal het hoogtepunt zijn in de triomf van het koninkrijk Gods.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's