Torenspitsen-gemeenteflitsen
BOSKOOP
De huidige toren van het hervormde kerkgebouw staat er nu bijna 100 jaar. De vorige moest wegens zijn vervallen staat, veroorzaakt door een grote brand, in 1896 afgebroken worden. Door een vondst bij die afbraak is Boskoop in de vaderlandse kerkgeschiedenis bekend geworden.
Op 2 april 1896 waren de slopers gevorderd tot op 12 meter boven de grond. Toen deden ze een wonderlijke, nooit vermoede ontdekking. Ze vonden in de 1 meter dikke muur van de toren een kleine ingemetselde ruimte, zowel aan de binnen-als aan de buitenzijde van de muur onzichtbaar, waarin zonder enig nader omhulsel vijf boekjes lagen. Door bemiddeling van dr. C. D. Sax jr., predikant bij de remonstrantse gemeente ter plaatse, werden ze toegezonden aan prof dr. J. G. R. Acquoy te Leiden. Deze kon al spoedig vaststellen dathet destijds verboden reformatorische boekjes waren. Het waren de volgende:
I. Een boekje van geloof, hoop en liefde en de bruid van Christus.
II. Een exemplaar van de Nederlandse Geloofsbelijdenis met het jaartal 1566.
III. Een Heidelbergse catechismus van 1566.
IV. Een boekje van 7 psalmen en 7 gezangen, eveneens van 1566.
V. Een geestelijk liedboek van 1554. Het bevat 99 liederen.
Deze vijf boekjes hadden alle een reformatorische inhoud. Het exemplaar van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zag er nog 'als nieuw' uit. Hoe kwamen die boekjes daar in die toren? Het volgende ligt voor de hand. Toende toren gebouwd werd, in 1566 of even daarna, was de reformatorische leer reeds onder de bouwers van de toren bekend. Een van hen heeft deze boekjes in zijn bezit gehad. Maar dat was toen levensgevaarlijk. De vreselijkste straffen stonden op het bezit ervan. Een van de bouwers heeft daarom die boekjes tijdens de bouw ingemetseld in die torenmuur, waarin ze ruim drie eeuwen verborgen zijn gebleven.
Het meest merkwaardige was het boekje met de 'sommighe Psalmen ende ander Ghesangen, dieme in die Christe Gheneynte in de Nederlande is gebruyckende Collossen 3 (:16)'.
Welke waren die 'sommighe Psalmen? ', Psalm 1, 2, 79, 115, 128, 130, 143. Dit boekje is nu aanwezig in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Het is te zien dat het dikwijls over de lengte in tweeën gevouwen is. Het is zo gemakkelijk in een broek-of jaszak mee gedragen. Er zal bij de hagepreken uit gezongen zijn. Prof. Acquoy schreef erover: 'Vaak heeft men zich afgevraagd: Wat en waaruit heeft de tot hagepreek samenkomende gemeente gezongen? ... De vondst in de toren van Boskoop heeft het antwoord gegeven: men heeft dit kleine boekje gebruikt...'
Hij verklaart dan verder waarom men juist de genoemde psalmen heeft gezongen. In de psalmen 2 en 79 belijdt de gemeente haar geloof tegenover haar vervolgers. Psalm 128 zal tijdens huwelijksbevestigingen gezongen zijn. Psalm 130 vertolkt enkele van de diepste geloofsbeseffen van het protestantisme, in het bijzonder het calvinisme.
We maken nu een grote sprong. We gaan naar het midden van de 19e eeuw. Toen heeft in het hervormde kerkgebouw een puur vrijzinnige prediking geklonken. Een van de vrijzinnige predikanten was ds. K. G. F. W. Ham. Hij heeft verschillende catechisatieboekjes geschreven, waarvan een aantal ligt in het archief van de hervormde gemeente, dat zich momenteel in Gouda bevindt. Als laatste vrijzinnige predikant 'stond' hier dr. P. Glas, een eerlijke en hoogstaande persoonlijkheid.
Was de gemeente in haar geheel vrijzinnig? Nee. Er waren hier twee evangelisaties, één van de Gereformeerde Bond en één van de Confessionele Vereniging. Ze stonden nogal fel tegenover elkaar. Maar in de twintiger jaren van deze eeuw begonnen ze met elkaar samen te werken. Het gevolg was dat in 1931 bij de tienjaarlijkse stemming de kerkeraad in zijn geheel rechtzinnig werd. Een grote zegen voor de gemeente is het toen geweest, dat dr. D. Jacobs in 1933 het beroep naar Boskoop aangenomen heeft. Hij was een irenische man, die een samensmelting van de beide evangelisaties tot één zichtbare gemeente heeft mogen bewerken. Hij heeft steeds gestreefd in woord en daad naar die zichtbare eenheid in overeenstemming met de volgende uitspraak in zijn dissertatie over De verhouding tusschen de Plaatselijke en de Algemeene Kerk in de eerste drie eeuwen Leiden 1927:
'Allen, die in Christus gelooven, zijn dus één, niet krachtens een overeenkomst, een wilsdaad van de geloovigen. Zij vormen geen vereeniging. Zij worden ingelijfd in een lichaam. Dat doet Christus door Zijn Geest, die de ééne ecclesia (=kerk) schept zonder aan de geloovigen te vragen, of ze bij elkaar willen behooren of met elkaar overweg kunnen. Zoodra iemand in Christus gelooft, is hij van Christuswege één met de andere geloovigen en moet het voor hem een vanzelfsprekendheid zijn die eenheid met de anderen in zijn woonplaats (!) in praktijk te brengen.'
Hij deed dan ook zijn intree met Efeze 2 : 14a: Hij is onze vrede'. En in zijn afscheidsdienst kon hij zeggen: Wij weten wel, dat wij nimmer, zolang wij in deze bedeeling leven, ook over bijkomstigheden volkomen hetzelfde zullen denken. Maar dat behoeft ook niet. Wij kunnen, als we het in de groote hoofdzaak eens zijn, toch één zijn. Naar datzelfde doel streefden alle predikanten die hem hier opgevolgd zijn: en eenheid met de andere christenen in onze woonplaats(!)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's