Uw Koninkrijk kome (2)
Het Onze Vader
We zagen de vorige keer, hoe er in onze tijd kritische woorden gericht worden aan de uitleg van de tweede bede door de Reformatoren. We constateerden in de Bijbel aandacht voor de universele, op de ganse schepping gerichte betekenis van de komst van Gods Koninkrijk.
Niet tegen elkaar uitspelen
Toch is de reformatorische uitleg daarom niet zonder betekenis. Wij moeten het werk van God in de wereld en het op de enkeling en de gemeente gerichte heilswerk niet tégen elkaar uitspelen. Dat gevaar zien we in de moderne theologie keer op keer gebeuren. De nadruk werd dan zozeer gelegd op het allesomvattende en universele van het rijk van God, dat de noodzaak van bekering en geloof, de levensheiliging, maar ook de eigenheid van de kerk als vergadering van de Christgelovigen onvoldoende, ja soms ternauwernood gehonoreerd werd. Alle aandacht werd gevraagd voor het handelen van God in de wereld(politiek). Menigmaal leidde dat tot een vervlakking van de prediking, tot horizontalisme en politiek moralisme. We mogen de heerschappij van God en zijn Christus niet vergeestelijken tot een zaak tussen God en de ziel. We mogea de, bijbelse prediking van het rijk Gods evenmin verkerkelijken.
Maar we moeten rijk Gods en kerk ook niet van elkaar losmaken. De Koning ower de ganse aarde, om wiens glorierijke komst wij bidden, is het Hoofd van zijn lichaam, de gemeente. De kerk is de plaats waar Christus' heerschappij erkend en beleden wordt. Hij heerst door Zijn Woord en door Zijn Geest.
Daarom is de pneumatologische aandacht van de reformatoren in hun uitleg van de tweede bede, dat wil zeggen de verbinding met het werk van de Geest in de gemeente en de enkeling onopgeefbaar. Wij bidden om de komst van Gods nieuwe wereld. Maar we moeten tegelijk bedenken dat die vernieuwing begint in het mensenhart. Het gaat om vernieuwde mensen op een door God vernieuwde aarde. Het wereldwijde en het persoonlijke dienen we daarbij te verbinden. In de komst van Gods Koninkrijk neemt de kerk een eigen plaats in.
A. A. van Ruler
Daarom word ik altijd weer geboeid door wat Van Ruler over ons thema zegt. Als geen ander onder de na-oorlogse theologen legde hij nadruk op de universele aspecten van het komende Rijk, op het apostolaat, de kerstening (die in deze bedeling altijd een torso, een fragment blijft), op de gangen van God door de geschiedenis en de cultuur.
Maar tegelijk wist Van Ruler aangrijpend te schrijven over de vernieuwing van het mensenhart in de wedergeboorte en de bekering.
Ik wijs op zijn meditaties over het Onze Vader in de bundel Laat heel de aard een loflied wezen. Met deze bede bewegen we ons, zegt Van Ruler op de voor hem zo kenmerkende wijze, in de droom van God over de aarde en over het mens-zijn. Die droom van God, dat wil zeggen, de daad van zijn heerschappij, roept ons weg uit de droom van de romantiek en het idealisme. God richt zijn troon op. God vestigt Zijn Koninkrijk. Niet wij doen dat. De geschiedenis is troonsbestijging van God. Maar de mens is er in het handelen van God door Zijn Geest voluit bij betrokken.
God worstelt met de mens en met de wereld. Want mens en wereld zijn weerbarstig materiaal, mensen met een opstandig hart, vol verzet tegen Gods aanspraken. 'Daarom bidden wij ook; uw Koninkrijk kome. Dat wil zeggen: het breke door, het moge met overmacht over ons komen en zich door ons heen doorzetten. (...) Daarom is dit een hoogst eigenaardige bede: wij bidden om onze eigen nederlaag in ons verzet tegen Gods raad en wil'.
Om dit gebed te bidden moeten we dan ook bij de Heere Jezus in de leer gaan. Hij leert ons deze bede. Uit onszelf zetten we, tot soms in het bidden toe, ons koningschap door. 'Wij moeten radicaal en grondig worden wedergeboren', aldus Van Ruler, om metterdaad te kunnen bidden om onze eigen ondergang. Dan bezwijken wij. Dan ruimen wij plaats in voor God'.
Bewaren en vermeerderen
Het mag ons bovendien niet ontgaan, dat de reformatorische uitleg toch ook verder strekt dan de grenzen van de kerk. In de Heidelberger wordt er, als het gaat over de kerk, met twee woorden gesproken: bewaren en vermeerderen. Daar licht toch iets op van een zendingsperspectief Al moeten we er dan direct aan toevoegen dat pas de grote zendingsbewegingen uit de vorige eeuw in de praktijk er echt ernst mee gemaakt hebben. Dan wordt ook — we zagen dat in de aanhef van deze artikelen — in de bezinning op de zendingstaak een lijn getrokken naar deze bede van het Onze Vader.
Het is ook niet toevallig, dat de pioniers van de zending vaak ook bezield waren van een sterk verlangen naar de openbaring van Gods Koninkrijk. Is dat ook niet de kracht van vele evangelicale bewegingen: een sterk besef van de toekomst die wenkt, ja een diep verlangen naar deze toekomst dat gepaard gaat met een groot missionair elan. En zodra de zending in het vizier komt, komen ook de vragen rondom de kerstening van de cultuur, alsmede de betekenis van het evangelie van het Koninkrijk voor alle terreinen van Gods wereld onder onze aandacht.
Juist bezinning op zending kan ons ervan doordringen, hoe breed en wijd de actieradius van deze tweede bede is.
Antwoord aan de machten
Wij bidden dit gebed in de tijd tussen hemelvaart en wederkomst, tussen de D-day van Christus' eerste komst en de V-day van zijn verschijning in heerlijkheid, zoals kort na de oorlog nogal eens gezegd werd.
De geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog laat ons zien hoe juist de periode tussen D-day en V-day voor de door de Nazi's bezette volken uitermate donker was. Het was een tijd van meedogenloze terreur. Stuiptrekkend verzette het Nazi-heidendom zich tegen zijn nederlaag.
De komst van Gods Rijk roept het verzet van de duivel en zijn aanhang op. De kerk leeft nog altijd in bezet gebied. In allerlei uitleggingen van deze tweede bede wordt dan ook op de strijd tegen de anti-machten, de duivel en zijn rijk, sterke nadruk gelegd. Er zijn machten die zich tegen Gods koningsaanspraken verzetten. Er zijn donkere, demonische tegenkrachten die Gods schepping kapot maken en wier regime het einde van de menselijkheid en de gerechtigheid betekenen. Barth sprak tekenend van 'herrenlose Gewalten', machten die geen Heer boven zich erkennen.
In elke tijd nemen deze machten weer een andere gedaante aan. De Reformatoren hebben daarbij stellig heel concreet gedacht aan de dreiging van het pausdom en de met Rome verbonden vorsten, die zich teweer stelden tegen de prediking van het evangelie.
Vandaag dragen de machten weer andere namen. Maar ze zijn er en ze oefenen hun schrikbewind uit. Economische en technologische machten maken miljoenen slachtoffers. De macht van het nationalisme, het racisme, het fundamentalisme in sommige islamitische landen vormen een bedreiging voor waarachtige menselijkheid, vrede en naastenliefde. Criminaliteit en normloosheid oefenen hun terreur uit.
In de strijd tegen deze machten is het gebed een krachtig wapen. Uw Koninkrijk kome: in dit gebed bidden wij om hun definitieve nederlaag. Het is een bede van een aangevochten gemeente in een bezeten wereld. Een roep uit de diepte.
Maar tegelijk een bede vanuit de zekerheid van Gods overwinning.
Pelgrim of hereboer
Uw Koninkrijk kome! De geschiedenis van de kerk stelt ons voor de vraag of we dit verlangen en die verwachting niet vaak hebben overgelaten aan allerlei bewegingen buiten de kerk.
Ooit hoorde ik prof Van Niftrik in een radiopreek eens zeggen, dat de kerk vaak weinig van een pelgrim had, maar meer leek op een gezeten hereboer. Dat is een trefzeker woord. Want we kunnen ons zo nestelen in de gegevenheden van deze wereld, tevreden en zelfvoldaan, dat de eschatologie, de verwachting van Gods toekomst gaat tanen. We kunnen ons gedragen als trotse bezitters van geestelijke goederen en kerkschatten, traditie, liturgie, orthodoxie enz. Ik weet wel, we mogen niet miskennen wat de Geest hier en nu schenkt. Maar nooit mogen we vergeten dat deze Geest onderpand en eersteling is van de komende erfenis.
Juist daar waar we door de Geest leven, komt er in ons leven dat lijden aan de tijd, die heilzame onrust, dat roepen uit diepe nood, omdat we beseffen, dat de wereld nog niet verlost is. Het is juist de Geest die de Bruid leert roepen: Kom, Heere Jezus.
Adventsbode
Ik schrijf deze bijdrage midden in de Adventstijd, op weg naar Kerst. Het is wel bij uitstek een adventsgebed, deze bede om de komst van Gods Rijk. Luther spreekt over een onmetelijke schat, te groot dan dat een menselijk hart het zou durven begeren indien God zelf niet geboden had zó te bidden. 'Maar', zo vervolgt Luther, 'omdat Hij God is, wil Hij er ook de eer van hebben.
dat Hij veel meer en rijkelijker geeft dan iemand beseffen kan, als een eeuwige, onvergankelijke bron, die hoe meer er uitvloeit en overloopt, des te meer hij geeft'.
Zo is de keerzijde van onze armoede die ons doet roepen in angst en pijn, de rijkdom van Gods beloften, die op Zijn tijd alle in vervulling gaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's