Of christenen zich beledigd kunnen voelen
N.a.v. de zaak Holman
'Van elkaar meugen ze niet, met elkaar deugen ze niet'.
'Wie christenen de hand geeft moet wel z'n vingers natellen'.
'Leer ze me kennen, die lui, die altijd vooraan in de kerk zitten.'
Wanneer dit soort uitdrukkingen gebruikt worden, moeten we ons allereerst maar afvragen of ervan tijd tot tijd door christenen niet aanleiding is gegeven voor deze typeringen. Er zit uiteraard bij gebruikers van zulke uitdrukkingen een stukje overdrijving, bij schrijvers literaire overdrijving. Generaliseringen — dat zegt het woord al — kloppen nooit en nergens. Maar één en ander betekent wel, dat christenen, die anderen een hoge moraal of standaard voorhouden, de hoge roeping hebben die zelf ook voor te leven. Zo niet, dan kan men rekenen op een extra scherp oordeel. En dat mag ook. Onder het joodse volk leeft het gevleugelde woord, dat Israël niet zijn zal als de andere volkeren. Dit vanwege de hoge standaard, die het volk in de thora reeds aangereikt heeft gekregen; bedoeld ook om gerechtigheid in de wereld uit te stralen. Zo is het zeker ook gesteld met christenmensen. Gods volk zondigt niet goedkoop. Telkens weer wanneer er sprake is van ontsporingen in de christelijke gemeente — zeker bij ontsporingen, die publiek worden gemaakt — moeten we ons niet eerst tegen diegenen keren, die er schande van spreken, maar is er reden tot dubbele schaamte. De Naam des Heeren wordt dan om onzentwil gelasterd. En de zaak des Heeren wordt krachteloos gemaakt en uitgehold.
Liefdeloosheid in de gemeente van Christus is altijd erger dan liefdeloosheid in de wereld. Dat geldt ook voor wetteloosheid. Aan wie veel gegeven is, van dien zal veel worden geëist (Luk. 12 : 48). 'En die dienstknecht, welke geweten heeft de wil zijns heren, en zich niet bereid, noch naar zijn wil gedaan heeft, die zal met vele slagen geslagen worden' (vers 47).
Andere kant
Er is ook een andere kant aan de medaille. Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. 'Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen', zegt Christus (Joh. 15 : 20). Dat woord van Christus is ook waar geworden de eeuwen door. Soms nam dat woord vormen aan van letterlijke vervolging. Vaker nog kreeg dit woord gestalte in vijandige bejegeningen van de wereld jegens het volk Gods.
Hier dient echter wel goed te worden onderscheiden. Maar al te vaak komt het ook voor, dat voor vijandschap wordt aangezien datgene wat de wereld — in smallere of bredere zin — laakt wanneer christenen zich komen te ontgaan. Niet alle kritiek van de wereld is vijandschap jegens de christenen. Het christendom mag immers ook getoetst worden.
De echte vijandschap komt nog altijd openbaar als vijandschap tegenover het Evangelie. Die vijandschap kan overigens dan ook openbaar komen in smaad jegens de gestalte van de kerk of de gemeente van Christus als zodanig. Die vijandschap kan zelfs ook van binnenuit in de kerk gestalte krijgen.
In het begin van deze eeuw woedde in de Hervormde Kerk de gezangenkwestie. Het vrijzinnige halfmaandelijkse blad Insulinde bevatte toen het volgende fragment in een artikel onder de titel over 'Christelijke jongelinchen':
'Lieden, die altijd liederlijk de beest uithingen, die je gekend hebt als dronkaards, scharrelaars en zwijnsjakken, vertellen je op een goede dag met zalvende glimlach, dat ze geroepen zijn, dat ze nu tot de uitverkorenen behoren. En dan zie je ze later met hopen bij elkaar zitten, psalmen blèren, hetgeen een zeer onesthetische bezigheid is, waar het meestal doet denken aan het gejammer van een schorre water-en vuurvrouw met een verstopte neus. Ja, 't is me voor 't grootste deel een onguur zootje.'
Zo'n citaat uit een ver verleden, toen de strijd tussen rechtzinnigheid en vrijzinnigheid hoog oplaaide, toont aan hoe zelfs het orthodoxe christenvolk vijandschap kan ondervinden van verlicht of vrijzinnig christendom. In andere, soms verfijnder vormen komen we dat ook vandaag nog tegen. Maar voordat in het algemeen over vijandschap wordt gesproken, is het toch altijd maar beter zich af te vragen of er ook aanleiding gegeven is tot die vijandige houding. Dient een chnsten, die weet wat schuldbesef is, niet altijd de weg ook eerst naar eigen hart of eigen kring te vinden? Feit is intussen, dat naarmate christenen orthodoxer zijn, ze ook gemakkelijker het woord vijandschap in de mond nemen bij bejegeningen door diegenen, die minder rechtzinnig zijn dan zij zelf, ook al heeft men zelf alle aanleiding tot kritiek gegeven. Dat geldt ook voor de smaad van de wereld. Mensen uit de wereld kunnen door de houding van christenen soms ook heel teleurgesteld zijn.
Dit alles laat onverlet, dat er een vijandschap der wereld is, die de tegenpool vormt van de vijandschap Gods inzake 'vriendschap der wereld' (Jacobus 4 : 4).
Holman
Deze opmerkingen moesten vooraf gaan aan de zaak, waarop ik hier ook kort wil ingaan, namelijk die van de columnist van Het Parool, Theodor Holman. "Nog steeds vind ik iedere christenhond een misdadiger', zei hij mét zijn humanistische vaderen en in kritiek op verslapt humanisme vandaag. Vanwege die uitspraak is een klacht tegen hem ingediend wegens belediging. De amsterdamse politieman P. Tieleman heeft als eerste zich gevoegd in de strafzaak, die mr. J. Cordia, journalist bij het Nederlands Dagblad tegen Holman heeft aangespannen. Vervolgens hebben zich ook anderen — gevraagd en ongevraagd — bij deze zaak gevoegd. Dat geldt ook voor ondergetekende.
Er kunnen zéker gerede bezwaren worden ingebracht tegen de gerechtelijke procedure, die nu is begonnen. Het voornaamste bezwaar ligt wel in de tegenwerping, die gemaakt is, dat het veel erger is wanneer de Naam van Christus wordt gelasterd dan wanneer christenen worden beledigd. Dat zal waar wezen. Maar is daarmee alles gezegd?
Het lasteren van die Naam in woord en geschrift is in ons land al lang geen uitzondering meer. Processen wegens 'godslastering' worden al lang niet meer gevoerd in ons land, hoewel de wet er ruimte voor laat. Sinds het Tweede Kamerlid wijlen ir. C. N. van Dis (SGP) en wijlen de senator H. Algra (ARP) in het geweer kwamen tegen geruchtmakende uitingen van de schrijver Gerard Reve, is het aan dit front helemaal stil geworden. Sindsdien is wél het lasteren van de Naam, met name in de literatuur en via de media, echter met rasse schreden voortgegaan. Als het dan ook om processen zou gaan, is er geen beginnen meer aan, omdat er geen einde meer aan zou zijn. Men kan zich vandaag in ons land zó grof niet meer uiten of één en ander valt toch nog onder vrijheid van meningsuiting.
Beledigen?
In dat licht bezien is belediging van christenen een zaak, die slechts een afgeleide vormt van vijandschap jegens Christus. Een christen moet zich dan ook maar niet zo snel beledigd achten. In de versmaadheid van Christus ligt zelfs rijkdom (Hebr. 11 : 26). Wanneer het om echte vijandschap vanwege het Evangelie van Christus gaat, moet het een christen een eer zijn om terwille van die Naam smaad te lijden.
Wanneer mij persoonlijk dan ook wordt toegevoegd, dat ik een christenhond en misdadiger ben, zal ik er niet om naar de rechter stappen. Wanneer de Naam van Christus wordt gelasterd, snijdt dat veel dieper door mijn ziel. Godslastering raakt een waarachtig christen in het diepst van zijn hart, zijn gemoed en gevoel. Zijn liefde wordt gekrenkt. Dat gaat veel dieper dan wanneer hij persoonlijk, of ook in collectief verband beledigd wordt.
Weliswaar is de Koning onschendbaar, maar de liefde van de zijnen tot hun Heere en Zaligmaker kan diep worden gekwetst. Dan nóg stapt men overigens niet naar de rechter omdat gevoelens gekwetst zijn. Eerder heeft de overheid, in een rechtsstaat, die verworteld is in een bijbels genormeerd verleden, de plicht om publieke lastering van de Naam van de Koning als zodanig te beteugelen. Vandaar dat onze rechtsstaat een wet tegen Godslastering dient te hebben. Vanwege het goddelijk recht!
De zaak waarom het gaat
Terug dan nu naar de zaak Holman. Pas in tweede instantie gaf ik persoonlijk mijn naam aan deze strafzaak. De eersten, die desgevraagd hun naam eraan gaven, waren prof. dr. J. Douma (vrijg. geref.) en ds. A. Moerkerken (Geref. Gemeenten). Op grond van alle overwegingen, hierboven genoemd, meende ik het aanvankelijk niet te moeten doen. Totdat ook mr. R. Evers, de joodse rabbijn, zich bij de zaak voegde. Op zo'n moment springt een vonk over. Wat zou ik hebben gedaan wanneer er een dergelijk proces zou zijn aangespannen wegens antisemitische uitlatingen en mij zou zijn gevraagd adhesie te betuigen?
Welnu, is antichristelijk dan minder erg dan antisemitisch?
Ongetwijfeld heeft het antisemitisme in de geschiedenis ongekend hevige vormen gekend, waarbij de massamoord op de joden onder het Hitlerbewind het absolute dieptepunt vormde. Maar er zijn delen in de wereld en er zijn tijden in de geschiedenis geweest, waarin christenen ook massaal slachtoffer werden van antichristelijke propaganda. Ook christenen zijn en worden collectief vervolgd vanwege hun geloof in de Ene Naam. Zo ver is het hier niet, kan worden tegengeworpen. Desalniettemin springt vandaag in ons land eenjóód in de bres wanneer christenen collectief gesmaad worden. Hij weet kennelijk wat ervan komen kan. In die zin mag ook een christen, dunkt me, aanschuiven bij de zaak, waarom het hier gaat.
Minderheid
Onze samenleving is een samenleving van minderheden geworden. Ook het christendom werd in dit land een minderheid. Maatschappelijk en politiek gezien genieten de minderheden in onze rechtsstaat wettelijke bescherming van overheidswege.
Terecht worden strafbaar gesteld uitingen van haat jegens allerlei minderheden in dit land. Terecht wordt ook allergisch gereageerd op publieke uitingen van antisemitisme. Het antisemitisme heeft immers een spoor van vernietiging getrokken in deze wereld. Dan is dunkt mij nu ook de tijd gekomen om een teken te stellen bij publieke antichristelijke uitingen. Vandaag geldt een zogeheten antidiscriminatiewet. Christenen moeten zich al meer en meer gaan verdedigen wanneer ze bepaalde levenspraktijken uit hun midden willen (blijven) weren. Dan mag toch ook zeker een teken worden gesteld tegenover toenemend taaibederf, dat tot uitdrukking komt in het plaatsen van christenen als collectiefin de hoek van de misdadigers. De samenleving moet dit niet willen tolereren, ook niet als zulke uitlatingen worden gerekend tot journalistieke of literaire overdrijving en als zodanig binnen de vrijheid van meningsuiting vallen. Christenen mogen, dunkt mij, aandacht vragen voor dit soort discriminerende bejegeningen. Die bejegeningen zijn in hun sóórt minder zwaarwegend dan godslasterlijke uitingen. Maar ze kunnen in hun consequenties op de lange duur van toenemend gewicht worden als het om tolerantie gaat.
De vloed van smadelijke godslastering lijkt in dit land al niet meer te keren, tenzij in de weg van be-kering. Het is in onze samenleving minder erg geworden om God te lasteren dan om mensen te beledigen. Laat dan in ieder geval ook duidelijk worden, dat smadelijke bejegeningen van het christendom evenmin te tolereren zijn dan smadelijke bejegeningen van andere groepen in de samenleving. Voor we het weten zitten we in een sfeer van geleidelijk toenemende haatgevoelens. Daar is ook de samenleving zelf niet mee gediend. En verder moeten christenen maar niet wakker liggen van het feit, dat ze persoonlijk behoren tot een sekte, die altijd wordt tegengesproken (Hand. 18 : 22).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's