De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het gebed (7)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het gebed (7)

9 minuten leestijd

Het zal misschien nog wel bekend zijn dat ik een vorige keer het artikel besloot met te stellen dat men altijd met twee woorden moet spreken. Dit werd door mij geschreven met het oog op de beloften.

Dit laatste had ook zo weer zijn aanleiding. Iemand vroeg mij naar aanleiding van wat ik in deze reeks reeds had geschreven öf de beloften Gods allen gelden. Of moet er wat de beloften aangaat toch wat onderscheidelijker gesproken worden? Moet er gesproken worden over voorwaardelijke èn onvoorwaardelijke beloften? En worden alle beloften wel altijd vervuld? U ziet: een scala van vragen waarop ik deze keer hoop in te gaan. Zijdelings hebben al deze vragen zowel met de prediking als met het gebed te maken.

Voorwaardelijk

Het lijkt mij niet verkeerd om te spreken over voorwaardelijke èn onvoorwaardelijke beloften. Daarin hebben wij dan niet alleen Calvijn, a Brakel en Appelius (een predikant uit de achttiende eeuw) mee, maar vooral de Schrift. En deze laatste is toch de belangrijkste, want hoe uitnemend de genoemden over dit alles hebben geschreven, maar wij luisteren allereerst naar de Schrift. Het Woord Gods is onze leidraad en vervolgens kijken wij naar wat anderen op grond van het Schriftgetuigenis hebben gesproken en geschreven. Inzake de aanbieding van het heil staan er in de Schrift beloften die men niet anders dan voorwaardelijk kan noemen.

Een voorbeeld van zo'n voorwaardelijke belofte kunnen wij lezen in Openbaring 22 : 17b: En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet'. De voorwaarden worden in deze tekst duidelijk opgesomd: dorsten, komen, willen en nemen. Wanneer er aan deze voorwaarden wordt voldaan, kan men het water des levens krijgen. In die zin is het aanbod onvoorwaardelijk. Daaraan behoeft geen twijfel te bestaan.

Ook Jeremia 18:8 kan als een voorwaardelijke belofte worden beschouwd. De tekst luidt: Indien datzelve volk zich van zijn boosheid bekeert, zo zal Ik berouw hebben over het kwaad, dat Ik hetzelve gedacht heb te doen'. Hier is de voorwaarde: zich bekeren. Wanneer deze bekering er is, behoeft het volk niet te wanhopen of de HEERE hen genadig zal zijn. Hij zal het wezen. Ik zou deze enkele voorbeelden met nog velen kunnen uitbreiden. Ik laat het bij deze twee voorbeelden.

Wel schrijf ik van deze beloften neer, dat zij uit Gods mond uitgaan. Dat wil zeggen, dat zij betrouwbaar zijn. Zij zijn vast en zeker, want wat uit Gods mond uitgaat is èn blijft vast en ongebroken.

Wanneer aan de condities (de voorwaarden) wordt voldaan, zullen deze beloften in vervulling gaan. De Heere is geen man dat Hij liegen zou.

Niettemin is ook dit waar: het staat helemaal niet vast en het is volstrekt niet zeker dat deze beloften vervuld zullen worden. Dat ligt weliswaar niet aan God, doch aan hem öf haar tot wie deze belofte komt. Men voldoet niet óf men wil niet voldoen aan de voorwaarden.

Let wel: de oorzaak dat deze belofte niet in vervulling gaat is de schuld van de mens! Wij moeten er namelijk voor oppassen, dat wij niet aan de Heere gaan toeschrijven waarvan wij de oorzaak zijn. Ook in de zogenaamde voorwaardelijke beloften maakt de Heere Zich vrij van ons.

Als laatste schrijf ik ervan, dat wij deze beloften niet moeten afdoen met te zeggen, dat wij aan die voorwaarden toch niet kunnen voldoen.

Ik bedoel het niet grof, maar door de bank genomen is zo'n gezegde een dooddoener. Men verschuilt zich achter zijn onmacht, terwijl men er nooit over heeft gedacht dat de onwil eraan voorafgaat. Wij horen immers de Zaligmaker zeggen: 'Gij wilt tot Mij niet komen'.

Onvoorwaardelijk

Meer dan eens komen wij in de Schrift onvoorwaardelijke beloften tegen. Door Appelius worden deze beloften de eigenlijke genoemd.

Deze beloften worden... als God ze gegeven heeft, altijd vervuld. Dit in tegenstelling tot de beloften waaraan een voorwaarde verbonden is.

De onvoorwaardelijke beloften zijn een verklaring van wat God zeker doen zal. Nu is een vraag voor wie die onvoorwaardelijke beloften zijn bestemd. Is het mogelijk dat men een belofte verkeerd toepast? Ja, kan men zelfs een belofte naar zich toehalen die volstrekt niet bestemd is voor degene die dit doet en dientengevolge als een sneeuwklok in de hand wegsmelt,

't Moet gezegd worden dat Wilhelmus a Brakel erg duidelijk is in zijn antwoord op deze vragen. Met name als het gaat om de onvoorwaardelijke beloften.

Hij wijdt een heel hoofdstuk aan 'Het leven des geloofs op de beloften'. Hij zegt in par. 55 dat er voor een onbekeerde geen beloften zijn in de Bijbel. Iemand die geen geloofsgemeenschap met de Heere kent kan zich wel een belofte toe-eigenen, maar nooit ofte nimmer zal die belofte in vervulling gaan. De oorzaak is: en is zonder Christus, vreemdeling van de verbonden der belofte, geen hoop hebbend. Naar Hebreeën 6 : 17 zijn alleen de gelovigen erfgenamen der beloftenis.

Met dit alles wil a Brakel dus zeggen dat niemand mag rekenen op de goederen van het genadeverbond, dan die door een waarachtig geloof Christus is ingelijfd (Zondag 7).

Kort samengevat schrijf ik neer: voor allen die de Heere niet kennen zijn er geen eigenlijke of onvoorwaardelijke beloften.

Nu kan ik mij levendig voorstellen dat er lezers zijn die het hiermee van harte eens zijn, maar die zich toch afvragen of a Brakel in dit verband niet meer gezegd heeft. Laat hij de onbekeerden aan hun lot over? Mogen zij niet om bekering vragen en ergens op pleiten? Is er voor hen dan helemaal geen belofte? Moeten zij dan maar niet meer bidden?

Het is goed om bij al deze vragen toch nog even naar a Brakel te luisteren. Hij gaat op al die vragen pastoraal in als hij schrijft: 'Het einde dat God voorheeft met de niet-uitverkorenen het Evangelie te laten ver­ kondigen, is om de mens de weg der zaligheid voor te stellen en bekend te maken, om de mens te bevelen die weg in te slaan; om zijn goedheid te tonen, met hem alle beweegredenen voor te stellen en met hem de zaligheid te beloven, indien hij zich bekeert en in Christus waarlijk gelooft, 't welk Hij ook doen zou, indien de mens die voorwaarde vervulde, waartoe hij gehouden, en 't welk de menselijke natuur, heilig in Adam geschapen, heeft kunnen doen; volbrengt hij die niet, dat is niet omdat God het hem verhindert, of krachten beneemt, maar omdat de mens niet wil, zodat het zijn eigen schuld is'.

Wat a Brakel schrijft, heb ik op een andere manier omschreven toen het ging over de voorwaardelijke beloften.

Als ik nu alles heel kort samenvat, schrijf ik dat de onbekeerde geen beloften heeft zonder conditie, doch wel beloften heeft met voorwaarden.

In geen geval mag er dus gezegd worden dat er geen beloften zijn voor hen die de Heere (nog) niet kennen. Zij zijn er wel. Zelfs is het aantal daarvan groot. Maar... er is aan die beloften iets verbonden waaraan men allereerst zal moet voldoen.

Calvijn

Omdat van Godswege zelfs aan de niet-uitverkorenen de zaligheid wordt beloofd, zo mag men zeggen dat deze belofte aan allen is gegeven.

Ook Calvijn heeft over deze zaak het één en ander geschreven. In boek III, 24, 17 laat hij ons lezen dat de beloften der zaligheid algemeen zijn. Zij komen niet tot de uitverkorenen alleen, doch zij komen tot allen. God doet zijn beloften aan allen.

Nadat Calvijn geschreven heeft over de tegenstelling van verkiezing en beloften van het Evangelie zegt hij letterlijk: 'Laat ons nu zien of deze dingen tegen elkaar strijden, te weten, dat God gezegd wordt van eeuwigheid af ge-ordineerd te hebben, wien Hij met zijn liefde omhelzen en tegen wie Hij zijn toorn oefenen wil; en dat Hij allen zonder onderscheid de zaligheid verkondigt en voorstelt. Ik zeg voorwaar dat ze zeer wel overeenkomen. Want als Hij in zulke voegen Zijn beloften doet, zo wil Hij niet anders aanduiden, dan dat Zijn barmhartigheid openstaat en bereid is voor al degenen, die maar dezelve begeren en verzoeken, 't Welk geen anderen doen dan alleen die, die Hij verlicht. En Hij verlicht die, die Hij ter zaligheid verordineerd en geschikt heeft... Maar waarom spreekt Hij tot allen in 't algemeen? Hij doet zulks opdat de gewetens der gelovigen te vreedzamelijker zouden rusten, wanneer zij verstaan dat God geen onderscheid maakt tussen de zondaren, indien ze maar geloof hebben; en opdat de goddelozen niet zouden klagen dat zij geen toevlucht hebben, waarheen zij van de dienstbaarheid der zonde hun wijk nemen mochten, dewijl zij de toevlucht, die hen voorgedragen wordt, door hun ondankbaarheid verwerpen. Hieruit volgt dan, nadien hun beiden de barmhartigheid Gods door het Evangelie wordt aangeboden, dat het geloof, dat is de verlichting Gods het onderscheid maakt tussen de gelovigen en de goddelozen, zodat de gelovigen de kracht en de nuttigheid van het Evangelie vernemen en dat de goddelozen daaruit geen vrucht bekomen'.

Het zal een ieder van ons wel duidelijk zijn dat Calvijn klip en klaar stelt dat God in de aanbieding van de beloften van zijn genade tot alle hoorders komt.

Men lette er slechts op. hoe Calvijn in de bovenstaande aanhaling zegt dat God zijn beloften doet aan allen zonder onderscheid, als Hij hen de zaligheid verkondigt en voorstelt. Wel moet eerlijkheidshalve geschreven worden, dat die belofte voorwaardelijk is (niet de aanbieding) en dat niemand er acht op slaat, tenzij de Geest van God krachtig in het leven van een mens werkt.

Wie nu mocht denken dat het niet van belang is, dat Christus aan alle mensen wordt aangeboden vergist zich ernstig. Het is van het allergrootste belang dat Hij wordt aangeboden, welmenend wordt aangeboden. Of om het met de Erskines te zeggen: 'Aan aller voeten mag Christus welmenend worden neergelegd'. Zelfs mag er bij gezegd worden, dat men Hem kan krijgen als men Hem wil hebben.

Aan alle kinderen van het Verbond is Christus beloofd. En deze belofte is in de doop betekend en verzegeld.

Beloften voor onbekeerden?

Op deze vraag kan ik alleen maar positief antwoorden. Er zijn voor hen zelfs zeer vele beloften in de Schrift. Beloften weliswaar met een conditie. Ik denk onder andere aan: 'Bidt en u zal gegeven worden'. Dat is een belofte voor een ieder die de Heere niet kent en zegt dat hij nog altijd onbekeerd is. Dat deze belofte voor onbekeerden bestemd is blijkt ook hieruit dat er eerst wordt gezegd: 'Zoekt eerst het Koninkrijk Gods'. Wie een begeerte naar het Koninkrijk van God heeft moet maar bidden. En welke belofte is er dan? Deze belofte: '... want een iegelijk die bidt, die ontvangt'. (Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Het gebed (7)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's