Het gebed (8)
Een vorig keer heb ik geschreven over de beloften van het heil. Ik heb gepoogd vanuit de Schrift aan te tonen dat er onderscheid in deze beloften aangebracht kan worden. Deze beloften zijri mèt of zónder voorwaarde.
De beloften met een voorwaarde zijn voor een ieder bestemd, die zonder voorwaarde alleen voor de kinderen Gods. Inzake het welmenend aanbod der genade in de prediking maakt dit onderscheid in de beloften niets uit. Terecht hebben Justus Vermeer (een ouderling in de vorige eeuw) en ds. Appelius (een predikant in de achttiende eeuw) in hun geschriften daarop de nadruk gelegd. Ruim, zeer ruim schrijven zij daarover. Wat dat betreft kan ik nog verder teruggaan en zeggen dat Calvijn in zijn 'Institutie' ook hierover Bijbelse opmerkingen heeft gemaakt en eveneens zeer ruim.
Soms denk ik wel eens dat in vroeger tijden men ruimer was in z'n spreken en schrijven en meer conform de Schrift dan menig theoloog in onze dagen.
Om de verschillen in spreken en schrijven aan te tonen tussen reformatie, nadere reformatie en het heden, zou echter een aparte studie vragen met als gevolg een nieuwe artikelenreeks, 't Zou intussen wel interessant zijn om dit door een deskundige eens uit te laten zoeken. Er konden nog wel eens verrassende dingen open en bloot op tafel komen te liggen.
Echter... ik beperk mij tot het onderwerp waarin het gaat over het gebed. Wanneer ik het vorige artikel kort samenvat, schrijf ik het volgende op: De beloften van het heil zijn mèt een conditie of zónder. Wel wil ik met nadruk stellen dat niemand zich daardoor moet laten afschrikken. Ook moet niemand zich afvragen of de belofte zonder een voorwaarde wel voor hem bestemd is.
Het is precies als bij de verkiezing! Achteraf zal men roemen in de verkiezing Gods. Wanneer men verzoend is, zal men het van harte beamen als er zo staat geschreven: 'Het is niet desgenen die wil noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods'. De dichter zegt: 'Ik roem in vrije gunst alleen'. Hij zingt het wel na die gunst Gods in zijn leven ervaren te hebben.
Zo is het ook met de belofte inzake het heil. Zolang men niet weet met God verzoend te zijn, moet men maar erg voorzichtig zijn met een onderscheid aan te brengen in de beloften in de zin van onvoorwaardelijk of voorwaardelijk.
Wie de Heere nog niet kent, moet roepen om Hem te leren kennen. Men moet daarbij uitgaan van Gods geopenbaarde wil. Hoe luidt Zijn geopenbaarde wil? Heel eenvoudig: 'de Heere wil niet dat enigen verloren gaan, maar allen tot kennis der waarheid zullen komen'.
Het onderscheid in de beloften inzake het heil is er. Zij is er van God uit gezien. Dat houdt in dat als wij de Heere kennen, wij Hem zullen groot maken om de vervulling van Zijn onvoorwaardelijke belofte aan ons.
Nog één ding zeg ik van dit alles. Wellicht dat ik er iemand mee help, een mens die in grote nood is en die niet weet óf Gods gena de wel voor hem is. Ik schrijf voor hem het volgende: het aanbod van Gods genade is welmenend. Men behoeft daaraan nooit te twijfelen of te wanhopen. Alles wat uit Gods mond uitgaat, blijft vast en ongebroken.
Het is natuurlijk niet mijn bedoeling om onderuit te halen wat ik tot nu toe op papier inzake de beloften van het heil heb gezet. Toch zou ik dit willen zeggen tot een mens die in geestelijke nood is: vergeet maar een ogenblik het onderscheid dat ik daarin heb aangebracht. Laat niet af hart en oog op te heffen naar omhoog. Dan zal men zien wat God doen zal die het van hem verwacht.
Een allerlaatste opmerking in dit verband is er één die ik meerdere keren uit de mond van ds. L. Vroegindeweij heb gehoord: 'een mens gaat niet verloren, omdat men te veel tot God geroepen heeft, maar wel omdat men dit te weinig heeft gedaan'.
Dogmatici zouden hierop het een en ander kunnen afdingen. Ik daarentegen wil het graag overnemen en een ieder aansporen om bij dagen en bij nachten God als het allerhoogst en eeuwig goed te zoeken.
Geen onderscheid
Wanneer twee dingen ons uit de Schrift duidelijk zijn is het wel dat God de Zijnen nooit of te nimmer verlaat. Hij laat in hen niet varen het werk van Zijn handen. Dat wil intussen niet zeggen dat hun leven altijd zo gemakkelijk is. Want — en dit is het tweede — er staat ook geschreven: 'Enerlei wedervaart de rechtvaardige en de goddeloze, zowel die God dient als die God niet dient'.
De kinderen Gods worden geboren, leven en sterven als alle anderen. Zij sterven aan dezelfde ziekten als de ongelovigen. Soms zelfs onder onduldbare pijnen. Ook kinderen Gods komen om bij verkeersongelukken. Aan aardbevingen en overstromingen ontkomen zij werkelijk niet altijd.
Wie kent geen voorbeelden uit eigen omgeving, hoe mensen soms de oordelen Gods zien aankomen. Zelfs waarschuwen zij anderen ernstig tegen die oordelen. Maar zelf worden zij door die gerichten Gods weggeraapt.
Ik denk aan Leen Potappel (Stavenisse) die in januari 1953 ernstig waarschuwde tegen het naderend gericht van God. Op 1 februari van datzelfde jaar ging dat gericht in de vorm van een watersnood over een groot deel van ons land heen. De ouderen onder ons zullen nog wel weten, hoe er toen bijna tweeduizend jongeren en ouderen in het water zijn verdronken. Onder hen was óók Leen Potappel. Hij werd zelf weggeraapt door het gericht dat hij had zien naderen.
Meer dan eens gaat de Schrift in vervulling als daarin staat geschreven: 'enerlei wedervaart de rechtvaardige en de goddeloze'. Samen in het oordeel, zowel de rechtvaardige als de goddeloze. Toch is er wel enig verschil. De kinderen Gods kunnen omkomen in het gericht dat God laat uitgaan, doch nooit ofte nimmer kunnen zij uit de doorboorde hand van Jezus Christus vallen. Die hand is groot genoeg — zoals K. Runia in een interview zei — om alle kinderen Gods te bewaren.
Zij vallen nooit uit de hand van Christus. Waarom niet? Omdat déze belofte voor al Gods kinderen is dat niemand ze uit Zijn hand kan rukken.
Een ding moeten wij afleren. Wat dat is? Het is de gedachte dat de Heere niet op dezelfde manier het leven van zijn kinderen kan beëindigen als dat van anderen.
Nogmaals voorwaardelijk/onvoorwaardelijk
Ook in wat ik hierboven schreef zullen wij het onderscheid moeten aanhouden tussen voorwaardelijk-én onvoorwaardelijke beloften. Het is mij bekend dat het gebrekkige woorden zijn: voorwaardelijk/onvoorwaardelijk. Maar deze gebrekkige woorden willen ons duidelijk maken, dat de Heere bijvoorbeeld niet aan al zijn kinderen een lang leven geeft. Het gebeurt wel dat Gods kinderen soms heel jong heengaan. Ik denk aan die jongen van 12 jaar die in volle vrede is gestorven. Nog hoor ik hem zeggen: 'Ik ga naar huis om de Heere groot te maken, want ik weet dat de Heere Jezus mijn Zaligmaker is.' Hij was een veelbelovende jongen. Hij zou voor de samenleving en voor de kerk veel hebben kunnen betekenen. Maar God haalde hem thuis. De belofte van een lang leven die wij in de Schrift letterlijk aantreffen, was voor hem niet bestemd. Men mag zeggen een belofte die voor hem niet onvoorwaardelijk was. Anders zou deze belofte zeer zeker in vervulling zijn gegaan.
Wij zien kinderen Gods in hun jeugd, maar ook wel in de kracht van hun leven heengaan. Wij denken — met name als dit is in de kracht van het leven — dat zó'n man of vrouw maar moeilijk gemist kan worden. Wat zouden zij nog van betekenis hebben kunnen zijn voor hun gezin óf voor anderen. Maar de Heere haalde hen thuis. In vervulling deed Hij de belofte van het eeuwige leven gaan door ze in de kracht van hun leven een plaats te geven aan de bruiloft des Lams! Mijn raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen. Ook met de Zijnen kan God doen wat Hij wil. Hij is aan hen evenmin als aan anderen enige verantwoording verschuldigd,
't Zal duidelijk zijn dat wat dit laatste betreft een kind Gods dat in de kracht van zijn leven sterft, ervoor ingewonnen moet worden om te zeggen: 'Gods raad zal bestaan'. En ook hiervoor: 'De HEERE is recht in al Zijn weg en werk'. Dit laatste komt doorgaans vlot over de lippen, maar om het in waarheid toe te vallen en te beamen kost veel strijd, veel geween en veel gebeên.
God roept Zijn kinderen op in hun jeugd en in de kracht van hun leven, maar het komt ook wel voor dat Hij ze in goede ouderdom thuishaalt.
Ik schrijf niet dat het altijd gebeurt, maar het komt wel voor dat iemand — soms door diepe wegen heen — een belofte heeft ontvangen dat men in goede ouderdom begraven zal worden.
Men zal begrijpen dat zo'n belofte heel persoonlijk is en dat deze belofte alleen wordt vervuld aan de persoon aan wie zij is gegeven.
In dit verband geef ik nog één voorbeeld. In Psalm 91 lezen wij: 'Die in de Schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, zal vernachten in de schaduw des Almachtigen. Aan uw zijde zullen er duizend vallen
en tienduizend aan uw rechterhand; tot u zal het niet genaken.' Kan men nu stellen dat deze belofte Gods voor een ieder geldt? Kan ieder kind des Heeren er staat op maken dat de Heere deze belofte aan hem óf aan haar zal vervullen?
Ik denk niet dat iemand van onze lezers dit zal durven beweren. Niettemin kan de Heere iemand zeer krachtig bepalen bij deze belofte, die dan ook wonderlijk vervuld wordt in dagen van grote nood. Toen ik predikant in Kesteren was, heb ik meer dan eens gehoord, hoe zwaar er gevochten is in de omgeving van Rhenen, op de Grebbeberg. De strijd was zo hevig, dat de bewoners van Kesteren geëvacueerd moesten worden. Als een vader trok de toenmalige predikant J. T. Doornenbal met de jongeren en ouderen weg. In die dagen was hij van zeer veel betekenis voor allen. Maar waar het mij om gaat is het volgende: op de Grebbeberg vocht een jonge officier die al van kindsbeen de Heere vreesde evenals Obadja. Hij vocht met ware doodsverachting. Deze jonge officier wist dat het kwaad tot hem niet zou genaken. De kogels vlogen weliswaar om zijn oren en de bommen vielen pal naast hem neer, maar de Heere spaarde zijn leven. Ofschoon verschillende van zijn collega's werden getroffen door de kogels, óp hem werden zij wel afgeschoten, maar zij raakten hem niet. De officier ontving een onvoorwaardelijke belofte van God, waarvan de voorwaarde door de Heere werd vervuld.
Ik wil met dit alles maar zeggen dat de voorwaardelijke beloften Gods niet ieder kind des Heeren gelden. Wel is de onvoorwaardelijke belofte des Heeren inzake de vergeving der zonden voor iedere gelovige. Deze belofte geldt een ieder die de Heere vreest.
Op géén van de beloften Gods zou ik iets willen afdingen, niettemin is de onvoorwaardelijke belofte van de vergeving der zonden de voornaamste. Een vraag: mogen alle beloften Gods een plaats hebben in ons gebed èn worden alle gebeden wel altijd verhoord? Daarover graag een volgende keer. (Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's