De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het gebed (9)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het gebed (9)

10 minuten leestijd

Kent het gebed grenzen? De vraag stellen is eigenlijk haar reeds beantwoorden. Een gebed zonder grenzen bestaat er niet.

In dit verband wil ik wijzen op het prachtige antwoord in Zondag 45, waarin de grenzen worden aangegeven. In antwoord 117 staat geschreven: Ten eerste, dat wij alleen de enige ware God, die zich in zijn Woord geopenbaard heeft, om al hetgeen Hij ons geboden heeft te bidden, van harte aanroepen. Ten andere, dat wij onze nood en ellendigheid recht en grondig kennen, opdat wij ons voor het aangezicht zijner majesteit verootmoedigen. Ten derde dat wij deze vaste grond hebben, dat Hij ons gebed, niettegenstaande wij zulks onwaardig zijn, om des Heeren Christus' wil zekerlijk wil verhoren, gelijk Hij ons in zijn Woord beloofd heeft.'

Zoals men kan constateren, valt dit antwoord in drie delen uiteen. De eerste twee delen geven overduidelijk de grenzen van het gebed aan.

Het zal wellicht nog wel bekend zijn, hoe ik in vorige artikelen hierover heb geschreven. Daarom ga ik op déze grenzen nu niet meer in.

Nog een grens

Aan het gebed is nog een grens. Zelfs een zeer belangrijke afperking. Het is om die oorzaak dat ik deze grens apart behandel. Uitvoerig heb ik in het vorige artikel geschreven over de beloften Gods. Ik heb er een zeker onderscheid in aangebracht door — wat het heil betreft — te spreken over onvoorwaardelijke en voorwaardelijke beloften. Bovendien heb ik proberen aan te tonen met diverse voorbeelden dat kinderen Gods niet altijd dezelfde beloften ontvangen. De één krijgt de belofte van een lang leven, de ander de toezegging dat men zijn nageslacht zal zien. Er zijn vele, vele beloften, maar niet alle beloften zijn voor een ieder. De Heere maakt daarin zelf onderscheid. Welke grens moeten wij derhalve in ons gebed aanhouden? De belofte! Alle dingen waarvoor wij een zekere belofte hebben, mogen wij aan de Heere vragen, in het vaste vertrouwen dat Hij ons gebed verhoren zal.

Een vraag die nu als vanzelf opkomt is déze: ls men het heeft over alle dingen waaraan moet dan gedacht worden? In zijn commentaar op 2 Cor. 12 : 8 geeft Calvijn enige voordbeelden. Duidelijkheidshalve schrijf ik eerst de tekst over waarvan hij in zijn commentaar een aantal voorbeelden geeft. 2 Corinthe 12 gaat onder andere over het hemelse gezicht en de doorn in het vlees. Inzake dit laatste horen wij Paulus in vers 8 zeggen: Hierover heb ik de Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken.'

Als voorbeelden aan welke zaken gedacht moet worden lezen wij dan in het commentaar van Calvijn: De vervulling van het rijk Gods, de heiliging van Zijn Naam, de vergeving der zonden en verder 'al wat ons zalig is'.

Nodig is dus dat wij een zekere belofte hebben. Maar als wij die belofte nu niet hebben, wat dan? Daarover laat Calvijn ons niet in het onzekere. Wanneer bepaalde beloften ons ontbreken, mogen wij de Heere niets voorschrijven. De (ontvangen) beloften vormen niet alleen de grond, maar ook de grens van ons gebed,

't Zal ons uit het bovenstaande wel duidelijk zijn dat wij maar niet met alle willekeurige verlangens en wensen bij God kunnen aankomen. Wij moeten niet meer verwachten dan wat God belooft.

In zijn commentaar op Mattheüs 17 : 19 (In die pericoop gaat het over de genezing van de maanzieke knaap. Een daad van Jezus zelf; de discipelen waren er niet toe in staat) zegt Calvijn: Immers bedoelt Jezus niet dat God ons geven zal alles wat ons onbedachtelijk in het hart óf op de lippen komt; aangezien niets meer met het geloof in strijd is dan de ongeordende wensen van ons vlees, volgt hieruit zelfs, dat men, waar het geloof heerschappij voert, niet naar alles zonder onderscheid wenst, maar naar hetgeen de Heere belooft. Deze matiging moeten wij derhalve m acht nemen, dat wij niet meer begeren dan hetgeen ons toegezegd is, en onze gebeden beperken naar de door Hem voorgeschreven regel.'

Echter... is God dan niet bij machte alles te geven? Calvijn windt er geen doekjes om als hij ons voorhoudt dat men dienaangaande de almacht Gods niet mag inperken óf beperken. Heel eenvoudig zegt hij evenwel: 'De Heere bindt Zich aan wat Hij heeft beloofd. Als wij geen zekere belofte voor iets hebben, moeten wij bidden onder een voorbehoud en onze wil ondergeschikt maken aan Gods wil. Wij moeten de Heere maar laten uitmaken wat goed voor ons is en wat niet.'

Bovenstaande bijbelse gedachte van Calvijn heb ik snel opgeschreven. Maar de beoefening in het geloofsleven duurt wel iets langer. Want onze wil conformeren aan Gods wil en het dan van harte eens zijn met Zijn wil is maar niet een zaak die men in een paar uur leert. Die les moet steeds geleerd worden. Doorgaans is het een heel pijnlijke les, omdat zij ingaat tegen onze wil.

'Uw wil geschiede' is een les voor het gehele leven. Soms denk ik wel: 't Is de moeilijkste bede in het leven, want het vraagt een totale onderwerping.

Verhoorde gebeden

Als vanzelf brengt het bovenstaande bij de vraag of gebeden worden verhoord. Heel algemeen zeg ik dat gebeden worden verhoord.

Het is niet zó dat de Heere iets belooft en dat Hij Zijn beloften niet inlost. Er wordt onder ons soms zo mooi gezegd dat God een Waarmaker is van Zijn Woord. Hij is dat inderdaad! Op de Heere kan men altijd aan. Wat Hij belooft, gaat in vervulling.

Het zal juist zijn als iemand zegt, dat God niet al onze wensen, maar wel al Zijn beloften vervult. De beloften Gods Hem dan óók voorgehouden. Op Zijn tijd en wijze vervult Hij wat Hij heeft toegezegd.

Hij verhoort de gebeden, omdat al Zijn beloften in Christus Jezus ja en amen zijn. Hem tot heerlijkheid, door ons.

Meer dan eens lezen wij in de Schrift dat er gebeden verhoord zijn. Ik geef daarvan een paar voorbeelden. Hanna, de vrouw van Elkana, wil graag kinderen. Wat een verdriet in haar leven, als zij ontdekt dat Peninna wel kinderen krijgt en zij niet. Wat doet zij? Balt zij haar vuisten? Nee, zij vouwt haar handen en buigt haar knieën. Zij bidt in de tabernakel in Silo. Haar gebed wordt verhoord. Zij brengt een zoon ter wereld, nl. Samuel, d.i. God hoort.

Ook denk ik aan Hizkia. Op een bepaalde dag is hij ziek, ernstig ziek. Hij vreest dat hij gaat sterven. Ernstig roept hij de Heere aan. Het gevolg is dat God hem verhoort en Hij hem nog vijftien jaren aan zijn leven toevoegt.

Manasse — een ander voorbeeld van gebedsverhoring — is in ballingschap. Hij zit vast in de gevangenis. Hij bidt om bevrijding. Hij wordt door de Heere verhoord. Het gevolg is dat hij uit de gevangenis ontslagen wordt en hij in zijn koningschap hersteld wordt.

Vele jaren hebben Zacharias en Elizabeth gebeden om een zoon. Toen zij dachten dat het niet meer kon — Elizabeth was niet zo jong meer — werd hun gebed verhoord, hoewel zij hun gebed om een zoon al lange tijd gestaakt hadden. Beiden mochten hun Johannes in de armen nemen: God is genadig.

Als laatste voorbeeld haal ik de discipelen aan. Na de hemelvaart van de Heiland hebben zij gebeden om de vervulling met de Heilige Geest. Wij hebben wel zoveel Bijbelkennis, dat wij weten dat na tien dagen de Heilige Geest is uitgestort door de hand van de verhoogde Christus. Let wel: naar Zijn belofte.

Voor sommige gebeden was er een belofte, voor anderen niet. Hoe het zij: de Heere verhoorde de gebeden die tot Hem werden opgezonden.

Onverhoorde zaken

Gebeden worden verhoord. Toch is de realiteit (werkelijkheid) van het leven soms heel anders. Wij zullen ze wel kennen, echtparen, die verlangd hebben naar een kind. Wat een middelen hebben zij te baat genomen! Wat een gebeden zijn er tot de Heere opgezonden. Helaas... helaas, een kind bleef uit. Het blijde lachen van een kind werd nooit gehoord in huis. Wie zal het verdriet peilen van de echtparen die samen blijven, hoewel het in hun hart leefde een groot gezin te ontvangen. Het zal duidelijk zijn dat dit in het pastoraat bijzondere aandacht verdient. Als ambtsdrager is men er althans niet mee klaar om te zeggen dat Paulus ook geen kinderen had, maar dat hij geestelijke kinderen heeft voortgebracht. Ik zeg niet dat dit laatste een onjuiste opmerking is, maar ik stel wel dat men de apostel Paulus voor kinderloosheid niet als voorbeeld kan nemen, want hij was ongetrouwd. Ik denk dat er andere 'troostelijke redenen' uit de Schrift opgehaald moeten worden. 'Troostelijke redenen' die contextueel zijn d.w.z. die beter passen bij de situatie waarin mensen zich bevinden.

Behalve aan de onverhoorde gebeden van kinderloze echtparen denk ik aan anderen die van de arts de boodschap kregen dat zij een ziekte onder de leden hadden waaraan zij waarschijnlijk zouden sterven. Wat schrokken zij tóen zij deze boodschap kregen en wat hebben zij gebeden óf de Heere déze dodelijke kwaal wilde afwenden. Zijn almacht stelde Hem toch in staat een Hizkia met een dodelijke kwaal genezing te schenken en hem nog vele jaren te doen leven? De Heere kon aan hen toch evenzo doen?

Ook legden sommige zieken met een ernstige kwaal de Heere wel voor dat zij zo slecht gemist konden worden. Zij waren nog jong. De opvoeding van de kinderen vroeg nog zoveel aandacht, omdat zij nog niet tot volwassenheid gekomen waren.

Soms kon men ook — naar eigen mening — nog niet in het bedrijf gemist worden óf op de zaak waar men een vooraanstaande positie innam. Wij moeten niet denken dat al de redenen die men de Heere voorlegt om het leven te verlengen altijd verkeerde redenen behoeven te zijn.

Meer dan eens zeggen wij tegen elkaar: 'Wat zal die óf die gemist worden. Eigenlijk kan dat kind zijn vader of moeder nog niet missen'.

Natuurlijk, niemand is onmisbaar. Maar het maakt wel een verschil of men dit zegt als men kerngezond is en men met veel plezier zijn werk doet óf dat men dit zegt als men op jonge leeftijd met een dodelijke kwaal op bed ligt. Niemand onmisbaar... maar voor de beleving is meestal een andere context nodig dan waarin het doorgaans gezegd wordt. Bovendien is het maar erg goedkoop als men dit elkaar voorhoudt zonder zelf gevoeld te hebben wat het nietonmisbaar-zijn inhoudt. Ook dat is een les die op de leerschool van Jezus geleerd moet worden.

Genoeg echter hierover. Er zijn zieken die ernstig gebeden hebben dat zij nog een poosje bewaard en gespaard mochten blijven. Zij hebben geworsteld om genezing, doch van wie het gebed niet is verhoord. Op nog heel jonge leeftijd óf in de kracht van hun leven gingen zij heen.

Ik wil nog een ander voorbeeld geven. Er zijn jonge mensen die een goede opleiding achter de rug hebben. De ene sollicitatie na de andere gaat de deur uit. Al deze sollicitaties gaan vergezeld met een ernstig gebed. Ja, zij kunnen het niet nalaten om óók deze zaak de Heere voor te leggen. Steeds krijgen zij evenwel nul op het rekest. Hun gebed wordt blijkbaar door God niet verhoord. (Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Het gebed (9)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's