Godsverlichting versus Godsverduistering (2)
Godsverduistering en atheïsme
Al wil Ouweneel met zijn boek Godsverlichting eraan bijdragen, dat de Godsverduistering en in ieder geval het spreken daarover ophoudt, dat betekent niet, dat hijzelf zich er niet grondig in heeft verdiept. Daarover gaan de twee eerste hoofdstukken, die een derde deel van zijn boek beslaan. Hij geeft daarin niet alleen een actuele beschrijving en analyse van de moderne secularisatie, maar hij probeert ook de historische wortels ervan bloot te leggen. Uiteraard komt dan vooral de Verlichting ter sprake en het atheïsme, dat als een van de meest verwoestende vruchten daarvan kan worden beschouwd.
Ouweneel ziet dit atheïsme vooral als een praktisch atheïsme. Niet zozeer de theoretische verloochening van God heeft een stempel op de moderne samenleving gezet, maar veeleer het God niet meer nodig hebben in de praktijk van het leven. God is overbodig geworden. De mens kan het zelf klaarspelen.
Opvallend is daarbij, dat de nadruk in dit boek dan gaat vallen op de kerkelijke mens. Dat ongelovigen leven alsof God niet bestaat, is veelal met de handen te tasten. Ouweneel laat echter zien, dat ook de kerkelijke mens zo leeft. God is er nog wel in zijn godsdienstige wereld, maar niet in zijn wereld van alle dag. Dan leeft hij op een zelfde wijze als ieder ander. Die tweespalt wreekt zich. Want het gevolg daarvan is, dat God ook in het leven van deze kerkelijke mens niet meer echt aanwezig is. God alleen voor je ziel nodig hebben en voor al het andere kunnen missen, dat kan niet. Dat laat God zelf niet toe. Daarom laat God het afweten, ook als het om de geestelijke afdeling van het bestaan gaat.
Het moderne consumptiegedrag, buiten en binnen de kerk
Ouweneel maakt dit duidelijk, wanneer hij over het consumptiegedrag van de mens spreekt. Dat dat gedrag overheerst in de samenleving, is overduidelijk. Als mensen maar kunnen genieten, hun behoeften kunnen bevredigen, dan is het goed. En dat moet dan op staande voet gebeuren. Grijpen, wat je grijpen kunt. Zo is het antieke 'brood en spelen' ook nu voor tallozen gedragsbepalend.
Onthullend is echter, wanneer dit ook bij de kerkelijke mens wordt gesignaleerd. Ouweneel spreekt over het 'consumptiegedrag' in de kerkdienst. 'Is de realiteit niet dat we ook in de dienst of samenkomst zitten te "consumeren"? We nemen een preek tot ons. Na afloop beoordelen velen of die preek hun aanstond of niet (...) of dat de nabijgelegen "concurrent" wellicht betere waar levert' (71).
Vele, vooral moderne mensen en gezinnen gebruiken 'instant'-artikelen. Gemakkelijk, gauw en smakelijk. Zo is er ook een 'instant-consumentisme' in de kerk, een 'instant-religie', 'instant-geestelijke ervaring' (76 vv.). Ouweneel ontdekt ze vooral in charismatische kring, hoewel daar niet alleen.
De zegen valt in de evangelische gemeenten
Ouweneel wil dus niet alleen kritisch naar onze kant kijken. Zijn analyse brengt hem ook tot een eerlijke doorlichting van de evangelische beweging. Wel wil hij een duidelijk onderscheid aanbrengen tussen extreme en gematigde pinkster-en evangeliegemeeiiten. Bij de eerste vooral ontdekt hij het bovengenoemd instant-christen-, dom: een op de wenken van de religieuze behoeften worden bediend. Bij de gematigden ligt dat anders. Het is zijn overtuiging, dat daar 'veel zegen' op rust.
Met name constateert hij, dat de meesten, die uit de wereld tot bekering komen en gaan geloven, in deze evangeliegemeenten terecht komen. 'Ze groeien zo hard, dat negen van de tien mensen die vandaag uit de wereld tot bekering komen, in deze gemeenten belanden, en volgens sommigen wel 99 van de 100' (78).
Ik vermoed, dat dit wat overtrokken is. Recente studies geven juist aan, dat de aanwas van de evangelische gemeenten vooral bestaat uit mensen, die de traditionele kerken zoals de Ned. Hervormde Kerk en de Gereformeerde en Chr. Geref Kerken verlaten. Onze kerkverlating is voor een groot deel kerkverandering, richting evangelische gemeenten.
Toch ben ik het met Ouweneel eens, dat als er mensen tot geloof komen, zij zich dan inderdaad doorgaans het meest thuis voelen in de evangelische gemeenten.
Dat moet ons wel tot nadenken stemmen. Ik denk daarbij o.a. aan de tv-uitzendingen van Feike te Velde 'God verandert mensen'. Daarop wordt in onze kring vaak negatief gereageerd. Toch is het duidelijk, dat de meesten van hen, die in deze uitzendingen vertellen over hoe God in hun leven is gekomen, zich gewend hebben tot de pinkster-of evangelische gemeenten. Maar zelden hoor je, dat zo iemand in onze gemeenten zijn of haar plaats heeft gevonden.
Nogmaals, daarop wordt vaak negatief gereageerd van onze kant. Maar is dat niet veeleer een stukje kerkelijke afgunst, een afweermechanisme, dat wij onbewust in werking stellen om onze kerkelijke afgeslotenheid en gebrek aan uitstraling te vergoelijken? Het moet ons toch iets zeggen, dat de Geest in het roepen van mensen uit de duisternis kennelijk aan onze deur voorbij gaat. Hoe komt dat? Vindt Hij bij ons de deur gesloten, omdat wij te veel op onszelf en niet op de 'buitenstaander' zijn ingesteld? Of is het soms zo, dat het klimaat in onze kerkdiensten zo'n hoge drempel is geworden, dat mensen die uit de wereld komen daardoor op geen enkele manier worden aangesproken en na misschien een poosje het geprobeerd te hebben toch weer verdwijnen en het elders gaan zoeken?
Scholastiek als 'evocatie van God'
In het derde hoofdstuk gaat Ouweneel uitvoerig in op wat hij noemt de 'evocatie van God'. Dat is een van de weinige moeilijke woorden, die in dit boek voorkomen. Het betekent, dat er allerlei pogingen worden gedaan om God weer erbij te halen, in de kerk, in het leven van mensen en in de samenleving. Ze vormen a.h.w. de thera pieën, die de kwaal van de Godsverduistering moeten genezen.
Ouweneel noemt er heel wat op. In de eerste plaats ziet hij het rationalisme als zo'n therapie. In het rationalisme speelt de ratio, het menselijk denken, de voornaamste rol. Dat denken is ook in de kerk aangewend om God tegenwoordig te stellen, om Hem a.h.w. in onze macht, binnen ons bereik te krijgen.
In dit verband gaat het boek uitvoerig in op de betekenis van de scholastiek. Daarmee wordt niet allereerst de middeleeuwse scholastiek bedoeld, hoewel deze wel op de achtergrond staat. Ouweneel denkt vooral aan de gereformeerde scholastiek, die na de Reformatie is ontstaan en die een grote invloed heeft gekregen op onze hele kerkelijke en theologische traditie.
Wat de waarde en de on-waarde van deze scholastiek is geweest en nog steeds is, wordt duidelijk gemaakt door haar te plaatsen in het licht van de Reformatie zelf Het meest kenmerkende van de Reformatie is, dat toen de 'onmiddellijkheid' van de sprekende God in en door zijn Woord is ervaren. Dat heeft toen een enorme schok teweeggebracht. Allereerst, omdat de werkelijkheid van God zich daarin present stelde, waardoor levens van mensen en groepen van mensen diepgaand werden veranderd en vem^ieuwd.
Vanuit deze onmiddellijke Godservaring door Woord en Geest viel er ook licht op het kerkelijke en maatschappelijke leven en is er een her-vorming tot stand gekomen, die ingreep zowel in het hart van mensen als van volken en culturen. Ouweneel legt op die 'onmiddellijke' Godservaring in en door het Woord grote nadruk. Het is de ervaring van wat hij noemt de 'sjechina', de wolk en het vuur van de presentie van God onder zijn volk Israël. Die sjechina openbaarde zich in de Reformatie opnieuw in en door het Woord, vervuld als het was met de Geest van God.
De leer in de plaats van het leven
Maar wat heeft daarna de scholastiek gedaan? Zij heeft dat levende, van God zelf vervulde Woord ingepakt, omzwachteld met een zorgvuldig, logisch doordacht leersysteem, en toen 'was de angel eruit' (84). 'En opnieuw week God weg uit onze wereld, nu ook uit onze protestantse wereld, toegedekt door het rationalisme van de scholastiek. De Reformatie was een werk van God; het resulterende protestantisme was een werk van mensen.' Dat zijn woorden, die hard aankomen. Zeker bij ons, bij wie de gereformeerde, orthodoxe leer zo hoog staat aangeschreven. Ik denk ook, dat dit oordeel van Ouweneel eenzijdig is. Onze orthodox-gereformeerde vaderen hebben inderdaad overvloedig hun verstand laten werken bij het nadenken over het reformatorisch geloof en daarbij de toen gangbare Griekse filosofie met graagte gebruikt. Maar we mogen toch ook geloven, dat hun denken gedragen werd door een levend geloof in de God der Schriften.
Maar ook al erkennen wij dit voluit, is het toch goed om ons door deze scherpe analyse van Ouweneel te laten gezeggen. Want wat hij zegt is ook waar, namelijk dat de levende kracht van het reformatorisch geloven in onze traditie tot een leersysteem is geworden, dat nog steeds door velen wordt aangehangen, zonder dat het echter ge-
paard gaat met een vernieuwende en bevrijdende Godservaring. De leer is nog veelal wat intact, maar het leven wordt er niet in gevonden. Ook dat kan een reden zijn, waarom mensen die vandaag tot geloof komen het bij ons niet zien zitten. Ze vinden wel de leer, maar niet het leven. En daardoor ontmoeten zij zoveel kilheid en verdeeldheid en liefdeloosheid, en zo weinig liefde en wervend getuigenis en jaloersmakende blijdschap en vrijmoedige zekerheid.
Dit zal ook Ouweneel bedoeld hebben. Want het gaat ook bij hem er niet om, dat het verstand buiten werking wordt gesteld. Zelf is hij een fervente aanhanger van de wijsbegeerte van de Wetsidee. En hij past deze filosofie ook toe op zijn eigen geloofsdenken. De ratio ontbreekt ook bij hemzelf dus bepaald niet.
Scholastiek, zusje van de liberale theologie
Maar het is iets anders om na-te-denken over wat het hart gelooft, vanuit wat het God zelf in zijn Woord heeft horen zeggen, dan dat wij met onze systematiek gaan heersen over de Schrift en het aftreksel daarvan weer laten heersen over ons geloof en onze prediking en over de gemeente en de kerk.
Onthutsend is het, wanneer Ouweneel daarin evenzeer een uiting van secularisatie ziet als in de liberale theologie van de Verlichting. Want ook de laatste was een vrucht van het menselijk verstand. Daarin is de scholastiek haar gelijk.
Daarom, wil het tot een werkelijke terugkeer van de levende God komen in ons persoonlijk en ons gemeentelijk en kerkelijk leven, dan moet ook onze scholastiek, zelfs onze gereformeerde scholastiek eraan geloven. We moeten terugkeren tot het naakte, levende Woord van de sprekende God. Dus..., niet minder dan een nieuwe Reformatie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1995
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1995
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's