De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers

11 minuten leestijd

De tweede dienst

In toenemende mate begint ook in hervormd-gereformeerde gemeenten de middag-of avonddienst onder druk te staan. Het slechts éénmaal per zondag naar de kerk gaan wordt almeer een gewoonte. Nu zijn er altijd gemeenten geweest waar de tweede kerkdienst matig werd bezocht. In de meeste gemeenten is dat de avond-of middagdienst, al zijn er plaatsen waar juist de avonddienst een groter aantal kerkgangers telt dan de morgendienst. Hoe het ook zij, twee keer op een zondag naar de kerk gaan slijt als gewoonte meer en meer uit. In De Wekker van 10 februari somt D. Koole in zijn rubriek Nader bekeken een aantal veelgebruikte argumenten op en noemt daarna een reeks mogelijke oorzaken. Ik begrijp uit zijn artikel dat ook de Christelijke Gereformeerde Kerken met dit probleem te maken hebben.

Onder één keer kerkgaande leden, bij wie geen duidelijke verhinderingen bestaan om het twee keer te doen, is een verscheidenheid aan oorzaken aan te wijzen en zijn allerlei verontschuldigingen te horen. Om met de laatste te beginnen. Mensen stellen:

1. Nergens in de bijbel staat dat een christenmens twee keer naar de kerk moet gaan om een goed christen te zijn. Er wordt wel eens gewezen op wat in Hebreeën 10 staat over het niet verzuimen van de eigen bijeenkomsten, maar daaruit is niet af te leiden dat tweemaal per zondag een 'must' is. Dat hebben mensen bedacht.

2. Sinds lange tijden is het in ons land eigen aan de gereformeerde kerkelijke cultuur om twee keer te gaan, maar kijk eens naar de landen om ons heen. Daar is één keer kerkgang heel normaal, eenvoudig omdat een tweede dienst niet wordt gehouden. Men bezoekt de morgendienst en de rest van de zondag krijgt bij velen een vulling, die wij er vanuit onze visie op de zondag nog niet zo gauw aan zullen geven.. Zijn dat daar andersoortige christenen dan wij? Mogen die meer en moeten die minder dan wij?

3. De zondag is toch bij uitstek ook een gezinsdag en een dag voor sociale contacten in de familiesfeer? Het kan toch geen zonde zijn als men de middagdienst verzuimt en tijd besteedt aan die sociale contacten? Het gejaagde leeftempo van elke week biedt er in deze tijd nauwelijks ruimte voor. Wie die ruimte op zondag neemt en de middagdienst er voor laat schieten, kan misschien op afkeuring van de kerkelijke leiding rekenen, maar het is volgens ons nog maar zeer de vraag of men er ook Gods ongenoegen mee over zich afroept.

4. Als ik één goede preek heb gehoord is dat méér dan voldoende om er het verdere van de zondag mee bezig te zijn. Een tweede preek zou de indrukken van de eerste alleen maar verdringen. Is de praktijk niet dat al die mensen die zo gedisciplineerd twee keer gaan, dat uit gewoonte of onder stille dwang van de kerkelijke omgeving doen? Ze gaan, ondergaan wat naar vaste formules en regels in de kerk gebeurt, maar of ze er nu ook werkelijk zo veel vreugde aan beleven is nog maar de vraag voor mij.

5. Eén keer is ons méér dan genoeg. We luisteren nu al zoveel jaren achtereen naar dezelfde dominee. Het heeft niets nieuws meer voor ons. We brengen het eenvoudig niet op om twee keer te gaan. Men kan beter n/er in de kerk zitten dan met verveling of ergernis. Ja toch?

Er zijn ook oorzaken, die in meer of mindere mate in relatie met de vorengaande verontschuldigingen zijn te brengen.

1. Over de mensheid als geheel en dus ook over kerkmensen, worden dagelijks niet te verwerken hoeveelheden woorden (informatief, inzichtelijk, aanbevelend, op politiek, economisch, wetenschappelijk en religieus gebied) uitgestort. Het gesproken en geschreven woord is gedevalueerd en aan die waardedaling lijdt ook de kerk en haar prediking. Er heerst een zekere moeheid van woorden over de mensen. Tot in de kerk toe...

2. Het overvloedige aanbod van ontspanning en recreatie in allerlei vorm en de behoefte van mensen om de inspanningen van het maatschappelijk bezigzijn, elke week weer, te compenseren met enige vorm van ontspanning, hebben in onze welvaartssamenleving buitenproportionele vormen aangenomen. De hoge graad van mobiliteit is daarin een aandrijvende factor. De ontspanning bij de beeldbuis domineert er waarschijnlijk in...

3. Tenslotte — maar niet in de laatste plaats — de kortsluiting die in veel mensenlevens geleidelijk aan is ontstaan tussen hun werkelijkheidservaring en dat wat zondags vanaf de preekstoel op hen toekomt Méér dan men misschien zelf beseft en dan door de kerk wil worden onderkend, valt het vooral veel jonge mensen moeilijk om de betekenis en de actualiteit te zien van de noties van het Woord van God voor het leven, zoals het door hen in de hectische samenleving van nu wordt geleefd. Korter gezegd: de zondagse prediking sluit doorgaans te weinig aan bij de zingevingsvragen waarmee heel veel jonge mensen (en ook wel oudere) vandaag bewust of onbewust rondlopen. Intussen ontgaat het opmerkzame jonge leden van de kerk niet dat, weliswaar nog niet overduidelijk waarneembaar maar toch steeds sterker, ook in de reformatorische kerken van orthodoxe signatuur een bijstelling van de visie op de bijbel als Gods Woord in mensenwoorden gaande is.

De consequenties daarvan in het denken over en in de beleving van de dingen van het geloof zullen in prediking en pastoraat goed moeten worden opgevangen, wil men voorkomen dat ook dèt de band aan de kerk losser maakt

Dhr. Koole geeft toe dat je nergens in de bijbel expliciet de oproep leest om tweemaal per zondag naar de kerk te gaan. Wel wordt op verschillende plaatsen het grote verlangen weergegeven om in de nabijheid van God te mogen verkeren in Zijn huis. Te denken valt aan sommige psalmen als 42, 27 en 84 bv.

De verwijzing naar de gewoonte in omliggende landen om per zondag maar één keer kerkdienst te houden is niet sterk. Er zouden veel méér dingen te noemen zijn, waaruit blijkt dat wij gereformeerden in dit goede land, in een andere traditie staan. Het mag in landen om ons heen zijn zoals het is, maar is het — als we eerlijk zijn — echt zo dat in deze gejaagde tijd onze omgang met het Woord door de kerk zó frequent en intensief is dat we die tweede dienst (meestal ook nog een leerdienst) niet nodig hebben?

De sociale contacten op zondag hoeft men zichzelf en anderen niet te ontzeggen, maar regel afspraken op het punt van aankomst en vertrek zó, dat de tweede dienst er niet bij inschiet.

Eén preek per zondag is méér dan voldoende om er het verdere van de dag mee bezig te zijn. Dat is aardig gevonden en op zichzelf ook nog niet eens onjuist, aangenomen dat het een preek was die 'hout sneed'. Maar de samenkomst van de gemeente omvat méér. Werkelijk geestelijk deel hebben aan alle andere onderdelen van de dienst is ook verrijkend en dus niet zonder betekenis. Dat mag ook worden bedacht door die broeders en zusters en de jonge­ ren, bij wie de prediking misschien niet (altijd) meer vermag te boeien.

Tenslotte: Als het op trouwe waarneming van de zondagse samenkomsten aankomt, ligt er ook grote verantwoordelijkheid bij de kerkeraad en de predikant. Zij roepen de gemeente elke zondag weer samen en dragen er zorg voor dat de eredienst die inrichting en de prediking die inhoud heeft dat door de gemeente elke zondag opnieuw wordt ervaren: 'God is in ons midden, laat ons diep in 't stof aanbidden'. En waar God is, daar zal elk rechtgeaard christen niet gemakkelijk absent zijn.

Er is weleens gezegd dat het verval van een gemeente begint bij het loslaten van de tweede dienst. Je kunt in aansluiting daarop tegelijk zeggen dat het verval doorzet, waar de kerkgang afneemt. Verval en vervlakking vinden hun oorzaak mede in het gebrek aan kennis van de inhoud van het christelijk geloof. Een ander zal liever wellicht willen benadrukken dat het verval komt door gebrek aan doorwerking van de Heilige Geest. Maar waar geen kennis is kan de Geest ook nauwelijks werken. Niet zonder reden hebben de opstellers van de Heidelberger bij de uitleg van het sabbatsgebod o.a. geschreven dat deze dag bedoeld is 'om de Heere door Zijn Geest in ons te laten werken'.

Zondag een geschenk

In de rubriek Reflexen in Theologia Reformata van december 1994 besteedt dr. A Noordegraaf o.a. aandacht aan de bedreiging van de zondag door de inbreuk op de Winkelsluitingswet door het huidige 'paarse' kabinet. Om allerlei redenen acht hij dat een te betreuren ontwikkeling. Voor de christelijke gemeente geldt deze zondag nog altijd als een geschenk.

De christelijke gemeente viert de zondag als de dag van de Heere Jezus, de Opgestane. We mogen daarbij niet vergeten, dat rondom de invulling van de zondag al eeuwenlang verschil van mening heerst. Voetianen en Coccejanen stonden in het verleden scherp tegenover elkaar. Het patroon van de viering is onder christenen heel verschillend. En berucht zijn de discussies in menig gezin over wat wel en niet mag op zondag.

Toch is er in de christelijke traditie wel een lijn. Toen Constantijn de Grote in 321 een wet uitvaardigde die rechters, werklieden en de hele stadsbevolking gebood op de zondag te rusten, werd er als motief aan toegevoegd dat de mensen vrij van aardse zorgen en werk hun dag konden wijden aan de dienst van God. Naast dit religieuze motief kwam al snel een sociaal motief op: de weldaad van een vrije dag voor loonarbeiders en slaven. Ook in de zondagswet van 1920 speelde dit sociale motief, dat werknemers tegen economische uitbuiting beschermd moesten worden, een rol.

Calvijns opvattingen over de heiliging van de rustdag staan in het teken van de christelijke vrijheid en de liefdedienst jegens God en de naaste. Wetticisme en moralisme waren Calvijn vreemd. Ik verwijs naar het artikel van Balke in het septembernummer van dit blad.

Er is een tijd geweest dat we in de prediking stelling moesten nemen tegen wetticisme. Vandaag de dag zullen we als kerk op moeten komen voor de zegen en het geschenk van de rustdag. In een cultuur, waarin de economie tot een Moloch dreigt uit te groeien, is de viering van de zondag als heenwijzing naar Pasen een teken dat een mens geen slaaf van de produktie en de consumptie is, noch van enige macht, maar door Christus bevrijd is en van ophouden mag weten.

Christenen hebben hierin een exemplarische functie! Dat is een groot woord. Heeft ook binnen de kerken het individualisme niet toegeslagen? Lijden we niet aan een stuk binnenkerkelijke secularisatie?

Voor mij zijn de diepste dingen over de zondag in onze tijd geschreven door Miskotte. Naast de drie preken onder de titel In ruimte gezet noem ik een meditatie uit 1948: 'Sabbat en zondag'. Daarin spreekt hij over de ontlediging van de zondag. 'Het ligt niet aan de vervelende preek, het ligt niet aan het noodzakelijke verzet tegen wettische opvattingen, het ligt eenvoudig hieraan, dat we niet geloven; "daarom zegende de Heere de sabbatdag en heiligde die". Daarom wordt ons de tijd zelf te véél, want de tijd wordt gemarkeerd door het ritme van Gods tred door de geschiedenis van de wereld en de geschiedenis van ons leven. Zolang we deze pure tijd moeten gaan vullen, moet het ons niet verwonderen, dat de andere dagen leeglopen.'

Ik vond in de poëziekalender van Hans Warren op zondag 26 maart het volgende treffende gedicht van Bertus Aafjes. Het gaat niet expliciet over de zondag als dag van God, maar wel over de rust die een mens soms overal zoekt en nauwelijks vindt. De bekende woorden van Augustinus klinken in de laatste regels door. Is niet de zondag bij uitstek de dag waarvan we in de oude psalmberijming gewend zijn te zingen: Hier wordt de rust geschonken. Wie op zoek is naar rust, naar blijvende rust, vindt deze slechts in God, in Zijn Woord, in het altijd weer zo wonderbaarlijke Evangelie van Christus.

Als in de vroege voorjaarsnachten

Als in de vroege voorjaarsnachten
nog laat de dwaze merel fluit:
tot niets dan poëzie bij machte
stort hij zijn ziel in fuga's uit,
want aan de witte berkebomen
heeft zich het eerste groen gezet; —
dan gaan ook wij teloor in dromen,
dan zoekt de ziel haar bruiloftsbed.

En toch, van alle gouden reizen
keert men terug, arm en ontdaan;
het nieuwste van de paradijzen
blijkt morgen weer de jongste waan;
geschud, bespeeld door alle winden,
een vootjaarsberk gelijkt ons lot,
en daar is nimmer rust te vinden
totdat gij rust, o hart, in God.

uit: Verzamelde gedichten 1938-1988 Meulenhoff, Amsterdam 1990

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1995

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1995

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's