De Hervormde Kerk in revolutietijd
Nieuw licht op de geschiedenis van Bestuur en Beheer
Op het eerste gezicht lijkt de studie waarmee ds. W. H. den Ouden de graad van doctor in de godgeleerdheid heeft mogen verkrijgen een niet direct zo aantrekkelijk onderwerp te behelzen. Voor een compleet beeld van de kerkhistorie zal het ongetwijfeld een nuttige zaak zijn om precies te weten hoe de kerkelijke financiën geregeld waren gedurende een bepaalde periode van onze geschiedenis, en we bewonderen de volhardende speurzin van de onderzoeker die, gezien zijn bekendheid met financiën als oud-voorzitter van de landelijke hervormde geldwerving, een onderwerp gekozen heeft dat hem op het lijf geschreven is. Als we echter de conclusie zouden trekken dat we dit boek vervolgens met deze eerste impressie wel weer terzijde kunnen leggen hebben we het toch goed mis. De inhoud geeft ons namelijk een dermate belangrijk zicht op een verwaarloosde periode uit onze vaderlandse (kerk)geschiedenis, dat wij om onze huidige kerkelijke situatie goed te verstaan niet mogen nalaten om er kennis van te nemen. De kwestie van de regeling van het kerkelijke beheer na de revolutionaire scheiding van kerk en overheid is meer dan een financiële, maar heeft alles te maken met de gehele structuur van de Nederlandse Hervormde Kerk. Deze studie laat zien hoe de lijnen van het kerkelijke beheer van voor deze scheiding convergeren, en verder doorlopen tot in onze tijd toe, waarin de kwestie van bestuur en beheer de Hervormde Kerk tot op de dag van vandaag bezig blijft houden.
Scheiding van Kerk en Staat
Op 23 april 1798 bepaalde de Nationale Vergadering van de Bataafse Republiek in een nieuwe constitutie dat elk kerkgenootschap in Nederland moest zorgen voor het onderhoud van haar eigen predikanten en goederen. Daarmee kwam een einde aan de bevoorrechte positie waarin de Hervormde Kerk tot de revolutie had verkeerd, toen de overheid de taak van het beheer van de kerkelijke goederen en de betaling van de traktementen voor haar rekening had genomen. Men kreeg nog een aantal jaren om de financiering van de traktementen en het theologisch onderwijs zelf rond te krijgen, en al de kerkelijke goederen in Nederland zouden min of meer genationaliseerd en vervolgens naar ratio van het zielental verdeeld worden onder de verschillende kerkelijke gezindten.
De scheiding van Staat en Kerk bracht de kerk in een staat van ontreddering. Het was echter ook de ervaring van een gemeenschappelijke nood in dezen, die een sterk federaal gestructureerde kerk tot noodzakelijke eenheid dwong. Het wordt in deze studie bijzonder duidelijk hoezeer de Hervormde Kerk tot aan de negentiende eeuw 'gekluisterd' werd door het federalisme, dat eigen was aan de Republiek. Dat wordt ook duidelijk geïllustreerd in de wijze waarop de financiële organisatie in de diverse gewesten geregeld was.
De auteur is uitvoerig nagegaan hoe er in de provincies gereageerd werd op de nieuwe revolutionaire maatregelen die dreigden te worden ingevoerd, waardoor alle banden tussen Kerk en Staat tot het verleden zouden gaan behoren. De gewesten waar het geestelijk goederenbezit door de overheid centraal geregeld was, via een overheidskantoor, reageerden het snelst. Hun zorgen waren acuter dan die van de overige gewesten waar het geestelijk-goederenbeheer, hoewel onder overheidstoezicht, in principe aan de geestelijkheid gelaten was. In 1798 zou de overheid in de westelijke provincies eenvoudig de geldkraan kunnen dichtdraaien en de zaak stond droog, terwijl in andere gewesten de situatie wat gecompliceerder lag.
Verzet en vereniging
Den Ouden stelt dat de kerkelijke organen op deze draconische maatregelen meer adequaat hebben gereageerd dan tot dusver wel is aangenomen. Vanaf het moment dat duidelijk werd wat de revolutie zou gaan betekenen voor de toekomst van de Hervormde Kerk, en hoezeer de nieuwe maatregelen, in welke vorm dan ook, een eensgezinde reactie van de Hervormde Kerk zou vereisen, waren er predikanten die zich inzetten om te redden wat er te redden viel. Op instigatie van de Haarlemse predikant A. Rutgers werd er in Noord-Holland een financiële commissie opgericht, die de taak zou krijgen om de toekomstige financiële belangen te behartigen, waar de overheid de handen van zou aftrekken. Dit voorbeeld werd ook in de andere provincies gevolgd, en vanuit de ontstane commissies kwam men tot een gemeenschappelijk beraad om zich tegen de komende grondwet te verzetten in de zogenaamde 'Utrechtse Coetus'. Deze nietkerkordelijke vergadering, die echter wel een officieel karakter had vanwege de afvaardigende ressorten, heeft zich in een aantal vergaderingen beraden om naar de overheid toe te protesteren tegen het naderend onheil, en om de kerkelijke gemeenten te stimuleren om de nodige maatregelen te nemen. Een zeer belangrijke uitkomst van deze vergadering was het voorstel om naast de kerkeraden in de gemeenten over te gaan tot het vormen van gemeentecommissies, die zich bezig zouden gaan houden met de fondsvorming met het oog op de lokale behoeften, en de voorziening van de algemene behoeften der kerk. Deze commissies zouden zich ook bezig gaan houden met de verdediging van de belangen van de gemeenten in het licht van de naasting van de kerkelijke goederen door de overheid. Het ging daarbij om gekwalificeerde commissies die de gemeenten democratisch vertegenwoordigden en die het beheer voor de rekening zouden nemen, zonder dat ze gesteld waren onder de bestuurlijke hiërarchie van de ambtelijke vergaderingen. De kerkeraden waren daarvoor niet echt gekwalificeerd, hun democratisch gehalte schoot meestal te kort. Dit is een interessant en opmerkelijk gegeven, dat ook een bepaald licht werpt op de discussie over de verhouding van bestuur en beheer, die tot heden toe nog voortduurt. Kennelijk werden de kerkeraden opgeroepen om niet te trachten om de zaken van het beheer zelf ter hand te nemen, maar via oprichting van commissies zo goed mogelijk voor deze zaken zorg te dragen. Het werd dus goed mogelijk geacht dat in een gemeente door de ambtelijke vergadering gestimuleerd, de financiële en juridische belangenbehartiging in handen is van een niet-ambtelijke commissie die vanwege de gemeente gekwalificeerd is. Hier ligt de oorsprong van de kerkvoogdijen, die als niet-ambtelijke vergadering het beheer van de stoffelijke zaken, namens de gemeenten moesten behartigen. Voor 1798 was de kerkeraad nooit belast geweest met de beheerszorg. Na 1798 zou het beheer een zorg worden van de kerk zelf, een zorg die de gemeenten in een gescheiden regeling van verantwoordelijkheden gestalte gaven. De kerkeraad het ambtelijk bestuur, de gemeentecommissie het beheer in privaatrechtelijke zin. Het zou een vraag kunnen zijn, naar aanleiding van de uitkomst van deze studie, of men zich van deze historische constellatie in de Hervormde Kerk wel voldoende bewust is geweest, toen men in de recente ambtelijke besluitvorming aangaande de opheffing van elk 'vrij beheer' een definitief einde meende te moeten maken aan deze mogelijkheid van scheiding van bestuur en beheer. In het licht van de discussie en de juridische procedure die nog gaande is, waarin de opheffing van vrij beheer wordt aangevochten, is stelling 14 van Den Oudens proefschrift voor de kerkelijke besluitvorming hoogst interessant:
'Het probleem van bestuur en beheer in de Nederlandse Hervormde Kerk is zonder vrijwillige medewerking van gemeenten onder "vrij beheer" of "beheer onder oud-toezicht" onoplosbaar.'
Als deze stelling houdbaar is, en dat lijkt mij op grond van historische gegevens die in deze studie aangevoerd worden heel waarschijnlijk, dan valt te vrezen dat de uitkomst van het proces dat tegen de synode is aangespannen door kerkvoogdijen van gemeenten die zich niet gedwongen willen laten aanpassen, de kerk in een grote impasse zal brengen, waarvan de gevolgen niet te overzien zijn. De gang van zaken in de besluitvorming van de synode en de discussie daar rondomheen laat m.i. een schrijnend gebrek zien aan werkelijke kennis van de historie van onze kerk. Een en ander onderstreept alleen nog maar meer de actualiteit en onmisbaarheid van het historische onderzoek voor de beoordeling van de processen waarin de kerk verkeert.
Eenheid van de kerk
Een enkel gegeven uit deze belangwekkende studie wil ik nog naar voren brengen. Het viel mij op dat het de jonge gemeentecommissies waren die vooral de stoot gegeven hebben die tot een grotere eenheid van de Hervormde Kerk heeft geleid. Deze commissies gevoelden een sterke behoefte aan een onderling samenwerkingsverband. Vanuit Dordts initiatief is in 1799 het zogenaamde 'Stedenberaad' ontstaan, dat naar de landelijke overheid toe de beheerszofgen moest gaan behartigen, en dat zich ook wilde beijveren om binnen de Hervormde Kerk meer eenheid in organisatie te krijgen. Een nieuwe centrale organisatie van het beheer, waardoor het kerkewerk op alle niveaus geregeld werd moest ook in relatie staan met het bestuur. Dat zou dus ook gecentraliseerd moeten worden, wilde de eenheid en vastigheid van de kerk werkelijkheid worden. De 'paradoxale ontwikkeling' volgde echter, dat het bestuur drastisch gecentraliseerd werd door de vorming van een nationale synode, maar dat het beheer door de van oudsher versplinterde situatie toch weerbarstiger bleek te zijn, en uiteindelijk via provinciale reglementen werd geregeld. Uiteindelijk werd de soep niet zo heet gegeten als die werd opgediend. De Staatsregeling van 1801 bleek opmerkelijk gunstiger te zijn dan aanvankelijk gevreesd. De traktementen zouden gewoon door dé overheid uitbetaald blijven worden en de kerkelijke fondsen en kassen werden onverlet gelaten. Ondanks de welwillendheid van de overheid bleef echter de scheiding van Kerk en Staat. De Kerk zou toch meer voor zichzelf moeten gaan zorgen. Men had overigens voldoende ervaring met fondswerving etc. opgedaan, een ervaring die na 1810, toen men zelf voor de gebouwen moest gaan zorgen, goed ten nutte kwam. Deze studie werpt overigens ook ander licht op het Algemeen Reglement van 1816. Het ontstaan van dit reglement, dat door velen om allerlei redenen is verfoeid, komt in het licht van de ontwikkelitigen die in dit boek beschreven zijn toch in een gunstiger licht te staan. De bestuurlijke verwarring van een federalistische kerk had de Hervormde Kerk ten tijde van de Bataafse Republiek langs de rand van de afgrond doen gaan. De officiële bestuurlijke organen van de kerk grepen zelf de gelegenheid die zij na de losmaking van Kerk en Staat hadden om zich op een eensgezinde wijze te organiseren niet aan. Het is een wonder dat de kerk de stormvloed van de revolutiejaren 1795-1813 heeft overleefd. Het Algemeen Reglement wordt door Den Ouden gezien in het licht van de pogingen on na de Franse tijd zo goed mogelijk orde op zaken te stellen voor het behoud van de eenheid van de Kerk: 'Bedacht moet dus worden dat dit Reglement het sluitstuk vormt van plannen om de schade van de revolutiejaren te herstellen en daarnaast om toekomstige schade te voorkomen'. Een opmerkelijk gezichtspunt, dat in de beoordeling van de latere ontwikkeling meegenomen dient te worden. Hoe ongelukkig men met dat Algemeen Reglement - ook kan zijn, er was in die jaren kennelijk niets beters om de Hervormde Kerk in haar organisatie bijeen te houden.
Kerk onder patriottenbewind geeft een boeiend en indringend beeld van een cruciale fase van de geschiedenis van de Nederlandse Hervormde Kerk, die tot nog toe veel te onbekend is gebleven. Wij kunnen er in de huidige kerkelijke crisis zeker ons voordeel mee doen om van deze geschiedenis grondig kennis te nemen om ervan te leren, gedachtig aan het bekende woord: 'In het verleden ligt het heden, in het nu wat worden zal'.
Boekbespreking van dr. W. H. den Ouden, Kerk onder patriottenbewind. Kerkelijke financiën en de Bataafse Republiek 1795-1801, uitgeverij Boekencentrum, 377 pag., ƒ49, 50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1995
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1995
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's