Godsverlichting versus Godsverduistering (3)
Leer en leven
Wij zagen in ons vorige artikel, dat Ouweneel de (gereformeerd-scholastieke) orthodoxie afwijst. Dat moeten wij wel even verwerken, maar de argumenten, die worden aangevoerd, hewbben een diepe achtergrond. In wezen gaat het bij Ouweneel om een uit elkaar houden van het geloof en de theologie, de kerk en de universiteit. En dat heeft weer te maken met zijn visie op het geloof zelf. Dat geloof kenmerkt zich door wat Ouweneel noemt het 'bovenrationele'. Hij schrijft: 'Het bijbelse grondmotief is de bovenrationele drijfkracht die de Schrift door de Heilige Geest in het wedergeboren menselijk hart uitoefent' (90). De eigenlijke werking van Woord en Geest is niet rationeel te vatten. Ze grijpt veel dieper en hoger, in de totale existentie van het menselijk hart.
In de theologie ligt dat anders. Daarin krijgt de ratio, het denkend verstand zijn overheersende rol. Theologie 'is het produkt van wetenschappelijke arbeid'.
Terug tot de belijdenis is geen begaanbare weg
Die twee moeten dus volgens Ouweneel uit elkaar gehouden worden. Het is de fout van de scholastiek geweest, dat dit niet is gebeurd. Trouwens, niet alleen de scholastiek is daaraan debet, maar de hele gereformeerde traditie. Zij wordt gekenmerkt door een vermenging van die twee, waarbij het zwaartepunt steeds meer op de rechte leer is komen te liggen.
Welke consequenties dit heeft, maakt Ouweneel duidelijk in wat hij schrijft over de belijdenis. Zoals het rationalisme van zowel de liberale verlichtingstheologie als van de gereformeerde orthodoxie een poging is om God binnen menselijk/kerkelijk bereik te krijgen, zo geldt dit ook van wat genoemd wordt het 'confessionalisme'. Ook dat is een (rationele) vastlegging van de leer, die de bedoeling heeft om Gods aanwezigheid in te roepen.
Zo waardeert Ouweneel dan ook het appèl van het orthodoxe deel van de kerk om terug te keren naar de belijdenis. Alsof dat de oplossing zou geven van de geestelijke nood, waarin de kerk zich bevindt. Terug naar de belijdenis: het krijgt iets van een 'bezweringsformule waardoor de geweken God geëvoceerd moet worden'.
Het is duidelijk, dat voor Ouweneel dit niet de juiste weg is. Zo keert God niet terug in de kerk van vandaag. Niet alleen, doordat ook hier weer de leer en het geloof met elkaar vermengd worden, maar ook omdat de belijdenis zelf daarvoor ten ene male tekort schiet. De belijdenis geeft immers 'helemaal geen antwoorden op de noden van onze tijd'.
De belijdenis en de geseculariseerde christen
Natuurlijk worden er heel belangrijke zaken beleden, zoals het goddelijk gezag van de Schrift, de Godheid van Christus enz. Maar daar heeft volgens Ouweneel niemand de confessie voor nodig. De evangelische wereld houdt deze grondwaarheden van het christelijk geloof evenzeer vast misschien nog wel meer dan de 'gemiddelde calvinist', en dat 'zonder enige geschreven, kerkelijk bindende confessie'.
Maar wat biedt deze belijdenis de geseculariseerde christen, die zich bevindt midden in de gevarenzone van deze moderne tijd? De confessie waarschuwt tegen Pelagius en Arius enz., dwalingen uit de eerste tot de zestiende en zeventiende eeuw, maar niet tegen Darwin, Marx, Nietzsche, Freud en Sartre en de meeslepende dwalingen van onze eeuw. Geen enkele verwijzing is er in de belijdenis te vinden, die een antwoord geeft op de oorzaken van de secularisatie, laat staan op de secularisatie zelf, de Godsverberging in onze moderne cultuur.
Dat zijn kritische geluiden, waarvoor wij toch niet onze oren moeten dichtstoppen. Daar zijn ze te klemmend voor! Waar slaat het nog op, wanneer wij nog steeds het terugkeren tot de belijdenis blijven zien als het panacee (geneesmiddel) van alle geestelijke en kerkelijke kwalen? Ouweneel stelt het heel duidelijk: terugkeer tot de confessie is geen therapie tegen de Godsverduistering, want ze geeft geen antwoorden op de noden van deze tijd (92).
Het wetticisme en de echte wereldgelijkvormigheid
Op eenzelfde kritische wijze wordt ook het wetticisme door hem besproken. Want ook het nauwgezet reguleren van het leven naar allerlei geboden en vooral verboden, zoals hij dat vooral in de reformatorische wereld ziet plaatsvinden, geeft geen soelaas voor de Godsvervreemding, die ook in de reformatorische wereld steeds dieper doordringt. Het brengt wel een krampachtig isolement en nog meer een veruitwendiging van het christelijke leven. Maar de werving en werking, die ervan uitgaan, zijn meer negatief dan positief
Ouweneel ziet het zelfs als 'een terugkeren tot de wereldgeesten', waartegen Paulus waarschuwt in Col. 2(114). Het heeft wel de schijn van godzaligheid, maar in wezen is het uiterst oppervlakkig. Om een voorbeeld te noemen: Ouweneel vindt het 'triest', als 'het broekendragen door vrouwen' als kenmerk van insluipende wereldgelijkvormigheid wordt gezien. Afgezien nog van het feit, dat dit verbod berust op een volstrekt willekeurige uitleg van de Schrift ('het is puur natte-vingerwerk'), en dat een vrouwenbroek een heel ander kledingstuk is dan een mannenbroek (vrouwenpantalons, waar geen man in zou willen rondlopen') is het tegelijk een bewijs, dat men niets verstaan heeft van wat Paulus schrijft in Romeinen 12: Wordt deze wereld niet gelijkvormig, maar wordt vernieuwd in uw denken' (N.V.: 'gemoed')! Zo noemt Ouweneel nog enkele (mislukte en mislukkende) pogingen om God weer binnen bereik van de kerk en de christenen te brengen.
Het fnuikend dualisme
Aan het eind ervan komt hij nog weer terug bij de scholastiek, die hem kennelijk dwars zit. Daarin heeft niet alleen een rationali sering van het geloof plaatsgevonden, waarin de levende God niet meer te vinden is. Ook heeft in deze scholastiek het dualisme toegeslagen. Daardoor is er een scheiding opgetreden tussen het geestelijke en het stoffelijke, tussen schepping en genade, tussen het algemene en het bijzondere. Ouweneel spreekt van 'het scholastische natuur/genade-dualisme' (133). Het is een duplex ordo, een dubbele orde, die gegrond is in de opvatting, dat er een dubbele openbaring is, een algemene en een bijzondere. De boedelscheiding, die daardoor is opgetreden binnen het christelijk geloof, heeft een kloof doen ontstaan tussen het geloof om tot zaligheid te komen èn de roeping tot vernieuwing van het gewone, aardse, maatschappelijk en culturele leven. Dit dualisme is funest geweest voor de Godservaring. Men meende God nog wel in de ziel te kunnen ervaren, maar in het gewone bestaan werd Hij de grote Afwezige. En Zijn afwezigheid werd niet eens gemist.
Gods ene en universele openbaring in Christus
Ouweneel wijst daarom deze tweedeling, die met name door heel de orthodoxie heenloopt, radicaal af 'Wanneer zullen christenen eens beginnen met de erkenning van de ene scheppingsopenbaring in Christus? Dat wil zeggen: wanneer zullen zij het bijbels getuigenis aanvaarden dat letterlijk alle dingen, zonder enige beperking, door God geschapen zijn in, door en tot Christus, éai alle dingen in Christus hun bestaan hebben en dat alle dingen door Hem verzoend zullen worden met God? ' (134). 'Gods openbaring omvat het geheel van de geschapen werkelijkheid, waarin de Schrift (...) het uitstralend en richtinggevend centrum vormt'.
Dat zijn ingrijpende uitspraken. Ik moet erkennen, dat zij me veel te denken geven. Omdat dit zicht op de eenheid van de goddelijke openbaring ook het zicht op de eenheid van het christenleven mogelijk maakt. Terwijl het omgekeerde evenzeer geldt. Het sprak mij ook daarom aan, omdat Ouweneel op dit punt zich opnieuw kritisch tegenover mij opstelt. Hij waardeert het, wanneer ik in mijn studie over de Godsverduistering deze eenheid en heelheid van het leven vanuit de reformatorische rechtvaardigingsleer tracht af te leiden. Maar hij maakt er bezwaar tegen, wanneer hij merkt, dat ik hierin toch niet radicaal genoeg ben geweest.
Hij meent, dat ook ik nog te 'bevindelijkgereformeerd' ben gebleven (159 v.). Te eenzijdig heb ik me op de vraag gericht, hoe de mens tot geloof komt ('toeleidende weg'). Teveel nadruk heb ik gelegd op de ellende en te weinig op de dankbaarheid, in een totale levensheiliging. Ook ik heb nog te weinig de ruïnerende gevolgen van de gereformeerde scholastiek onderkend. Ouweneel merkt dat o.a. daarin op, dat ik de leer van de dubbele predestinatie, die hij volstrekt afwijst, niet 'echt' onder kritiek heb gesteld (139 v.).
Dat alles stemt mij tot nadenken. Het verwijt wordt me niet zo vaak gedaan. Eerder oordeelt men het tegenovergestelde. Maar hoe dat ook zij, Ouweneel geeft hier een aantal behartigenswaardige inzichten aan ons door, die van wezenlijk belang zijn voor ons gereformeerde leven en denken in deze tijd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1995
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1995
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's