De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Taaie sleur...

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Taaie sleur...

9 minuten leestijd

Is er eigenlijk wel één mens, die op den duur niet aan sleur lijdt en achteruit gaat? De watersnood van deze dagen heeft het weer duidelijk geleerd. Het is een eigenschap, die doorgaans niet aan één persoon alleen is te verwijten — neen, er is een complex van factoren. Neem nu dat water. Een bekend weekblad gaf een uitnemend overzicht van de oorzaken van de ramp in het rivierengebied. Het artikel is nogal mild gestemd. Maar het wordt toch niet verbloemd. Hoe kon een natie vergeten haar dijken te versterken? We dachten, dat we het water te slim af waren. We hebben ons vergist. De oude vijand van de Nederlanden bleek nog springlevend te zijn en woedend op zijn prooi bedacht.

Er waren milieubewusten, elkaar bevechtende ministeriële instanties, daarnaast was er de stille waarschuwende stem van de hoogheemraadschappen, de opgeheven vinger van de dijkgraven. Kortom, het was een knoedel van verwarring, een breiwerk van de ingewikkeldste bevoegdheden — en heel diep daaronder de zwijgende meerderheid van het gewone volk, dat ook zeker zijn gevolgtrekkingen maakte. Dat ook goed rondkeek en ook wel het zijne dacht, maar dat nu eenmaal geen stem kan laten horen.

En toen kwam daar ineens het water — en juist het gekakel van elkaar de bal toespelen bewijst maar al te zeer, dat ergens een fout zit. Het is de oude waarheid: men dronk een glas, men deed een plas en liet de zaak zoals ze was. Het is de wet van de traagheid, die het gevaar niet meer ziet vanwege de vele deftige bedoeningen, waarin men gewikkeld is geraakt. Zo ontstaat verblinding voor de werkelijkheid, verschemering van een heldere kijk op het leven met zijn eisen en geboden. Het is de oude wijsheid van eeuwen, die men eenvoudig in een roes vergeet. Wij merken wel eens op, dat in een algehele jacht naar steeds wat nieuws en altijd wat anders de oude waarheid wordt vergeten, bepaalde zekerheden worden verloren. Dat gaat dan een tijd goed, het bekoort ook menigeen, het maakt anderen jaloers — maar de rekening ligt in de zak.

Wij waren lang geleden eens in gesprek met een oude boer. Bijna honderd jaar lang had hij op dezelfde plaats gewoond, in hetzelfde dorp. 't Was een nadenkelijk man. Wij raakten vanzelf aan de praat over de levenservaringen, over het gaan en komen van de geslachten, over de dwaasheden van de mensen en de wijsheid van God. Dominee, zei hij, veel gereisd heb ik niet, veel gestudeerd evenmin, maar wel veel in het Woord gelezen, 't Komt aan op de oude wetten. Voorzichtigheid, eenvoud, spaarzaamheid, nuchterheid. Wij moeten niet alleen leren te sterven door de genade Gods, maar ik heb ook opgemerkt, dat je moet leren leven. De mensen denken maar, dat je, als je het leven hebt, vanzelf weet hoe je moet leven. Maar dat is niet waar. Ik heb van vader deze boerderij geërfd en er mijn leven lang op gezeten. Maar dacht u nu dat ik wist, hoe je zo'n boerderij en zo'n land moet beheren? Dat wist ik niet. Dat heb ik geleerd door de raad en het voorbeeld van vader en moeder. Welnu, zo moet een mens leren, hoe je leven moet.

Dat gesprek in die oude boerenkamer met de ouderwetse meubelstukken is nooit uit de herinnering verdwenen. Het vergeten van de levenslessen uit het Woord — dat is de oorzaak van de ondergang van vele geslachten, van een land, van een volk, van een familie en... van een kerkelijke gemeente. Onze gastheer van die middag zei dat nog met nadruk erachter. En daar hebben we lang over na moeten denken.

Er kan ook een gemeente zijn, die de eerste liefde heeft verlaten. Alles is wel in die gemeente, kerken, predikanten, verenigingen, instituten in grote hoeveelheid. Zo'n gemeente heeft een druk bedrijf en gedoente. Het is precies een locomotief— wat een geblaas en gefluit! Maar de stoom is er aan ontsnapt, de trein stuwt haar nog voort, hij doet haar wielen nog snel omwentelen en zo kan het nog een geruime tijd gaan, maar het ogenblik nadert, wanneer de gang al minder en minder wordt, en eindelijk alles stilstaat. Het werk, dat zo'n gemeente heeft ingericht houdt haar nog aan de gang, het is eenmaal in beweging en zo moet de gemeente zelf wel mee. En ze gaat ook mee. Haar plicht, haar roeping is het, mee te gaan, te arbeiden en te dulden als het zo zijn moet. Maar hoe geheel anders staat ze temidden van die arbeid dan te voren.

Er komt een tijd dat zo'n gemeente zich veel voorstaat op hetgeen zij verricht heeft. Het is haar genoeg geenszins, dat de Heere al die arbeid en die moeite kent, zij kent die ook zo goed en zij is er op uit, die voor anderen niet te verbergen. Zo'n gemeente gaat zich voelen, ze geeft indruk. Ze acht zich gewichtig en verspreidt een zeker gewicht om zich heen. En de leden van die gemeente — krijgen een tik mee van de algehele geest. Let eens op uzelf als lid van die gemeente. Waar u verschijnt, geeft u indruk. Wij achten ons mensen van gewicht en wij drukken dat ook op de kring, waar wij binnenkomen. Het is een gevoel van verademing voor jongere mensen, wanneer wij eens niet in hun kring komen. Zij achten ons hoog om de wille van ons werk en toch hebben zij een gevoel van beklemdheid tegenover ons, dat zij tegenover anderen niet hebben. In ons werk is het ook zo. Wij zijn daar lichtgeraakt, wrevelig. Als er iets niet vlot, als er een kleine bekommering is, zetten wij ons terstond in postuur. Wee, die het durft om tegen te spreken.

Wee, de valse apostel, die ons in de weg komt. Wij gevoelen zelf wel, dat er iets aan ons ontbreekt, maar wij willen het ons niet bekennen, dat het is, wat het is: de eerste liefde. Die liefde welke alle dingen licht maakt, welke de geest der onderscheiding niet omneveld, maar in het oordelen zachtmoedig maakt, welke telkens naar nieuwe wegen en middelen doet uitzien, om ten zegen te zijn.

Hoe kwam het duister? Hoe werd het zo doods? In onze bedrijvigheid, in onze arbeid aan anderen begonnen wij de Heere uit het oog te verliezen. Ons werk, onze arbeid nam ons geheel in beslag. Het werk al meer óns werk, ónze arbeid. Wij begonnen onszelf zo in dat alles te zien. Wij gingen om onszelf heendraaien. Het werd zelfaanbidding. Het weerkaatste alles onze ijver, onze trouw, onze volharding, ons inzicht. Het zelfbehagen drong al dieper in ons in. Ons werk begon in ons oog de perfectie vrijwel nabij te komen. Het ging ons als de kunstenaar, die met een hoog ideaal zijn loopbaan begon en die fris vooruitstreefde zolang dat ideaal nog hoog boven hem stond, maar die zodra hij meent, het nu niet verder te kunnen brengen, en de hoogte van zijn talent bereikt te hebben, begint af te takelen. O, ja — hij heeft nog wel de geroemde technische vaardigheid, de stukken die hij bewerkt getuigen van zijn vaste hand, van zijn breed penseel, maar de ziel is er uit. Het is een copieëren geworden van eigen werk, het zijn altijd dezelfde effecten, dezelfde composities, dezelfde verdeling van licht en schaduw. Monotoon, dood — om er naar van te worden.

Wel, zo kan het ons ook gaan. Zolang de liefde van Christus ons dringt is er bij ons geen tevredenheid over wat wij bereikten, is er een open oog voor wat er telkens nog aan onze arbeid onbreekt, staat het ideaal hoog, waarnaar wij ons met hart en ziel uitstrekten. Maar wanneer de eigenliefde de plaats der liefde begint in te nemen, drogen de levenssappen op en wordt de arbeid al meer sleurwerk. Wij hebben dan ónze roem op te houden, wij mogen ons niet laten overvleugelen, en zo arbeiden wij zonder moe te worden. Maar onderwijl is de drijfkracht een andere geworden; voor de liefde tot de Heere is de eigenliefde ingeslopen, en zo zal ons werk ook allengs een ander stempel krijgen. In de veelheid trachten wij te vergoeden, wat er aan diepte ontbreekt.

Zijn er middelen om die uitdoving tegen te gaan? Wis en zeker — het eerste middel is inkeer. Toezien hoe het zo droevig minder is geworden, wat de oorzaken van het verval waren. Zichzelf geen krimp geven in het ontleden van de factoren, die tot het inzinkingsproces leidden al maar meer. En dan, amkeer — u kunt ook zeggen bekering is nodig. Wederkeer tot de Heere. Laat dat maar eens in een stille omgeving gebeuren. In een hartgrondige kritiek op ons leven en ons werk. Leg het maar voor de Heere neer. Hij blijft bereid, om ieder, die de eerste liefde vergat, weer in genade aan te nemen.

Dan zullen de eerste werken weer worden gedaan. Dat zal niet zijn een overdoen van hetzelfde, maar een doen van zulke werken als de eerste waren, wat hun strekking en geest aangaat. Wij zullen dan ook dubbel waakzaam zijn om de schittering te vermij­ den, om het succes niet te hoog aan te slaan, om de slang van de eigenliefde de mond te stoppen. Juist bij het nadenken over de sleur moeten wij overwegen om steeds de normen van de hoogste waarde aan te leggen. Om het maar eens heel werelds te zeggen: zichzelf iets beloven en dan zijn belofte niet houden is de naaste weg tot karakterloosheid. Hetgeen ge uzelf beloofd hebt, zij u heiliger dan elke andere belofte. Een derde weet zich wel recht tegenover u te verschaffen; maar de plicht die u tegenover uzelf op u nam, kan nimmer tot een afgedwongen plicht worden. Beschouw deze dus als een ereschuld, dieu te bewaken hebt aan uzelf Eenvoudig: de snelste weg tot de sleur is zichzelf maar te laten gaan. Bijbels gezien is er maar één middel om de sleur te ontgaan en dat staat in de langste psalm, het drieëntachtigste couplet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1995

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Taaie sleur...

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1995

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's