Boekbespreking
J. F. L. Bastiaanse, De jodenzending en de eerste decennia van de Hervormde Raad voor Kerk en Israël 1925-1965, uitgave Boekencentrum, Zoetermeer, 1165 pag., prijs f 150, - .
De auteur, die 25 jaar betrokken was bij het onderwijs, is op dit werk in 1994 gepromoveerd aan de theologische faculteit van de Rijksuniversiteit te Leiden. Het proefschrift is zo omvangrijk dat het in twee delen moest worden uitgegeven, waarbij het tweede deel geheel bestaat uit het notenmateriaal, de bronvermelding en de naamregisters, met ter afsluiting een samenvatting van de inhoud van het proefschrift in vier talen (Nederlands, Duits, Engels en Frans).
Dit werk is al als een naslagwerk getypeerd en laat zich als zodanig slechts summier bespreken. 'Een generatie in dienst van de joodschristelijke toenadering' luidt de ondertitel. Daarmee wil gezegd zijn, dat in de veertigjarige periode, waarin de relatie van de Hervormde Kerk tot de joden nog in termen van 'zending' werd opjgevat en uitgewerkt, deze benadering die toenadering van de kerk tot het joodse volk heeft bevorderd. De Hervormde Kerk heeft daarin ook een voortrekkersrol vervuld, die in de verdere voortgang voor-beeldig was voor andere kerken, zowel in Nederland als ook buiten de grenzen.
In het inleidende hoofdstuk toont de auteur aan dat de middeleeuwse vijandigheid van de kerk ten opzichte van het joodse volk werd ingetoomd door Calvijns eerbied voor het Oude Testament en voor het volk van de Bijbel, waardoor het voornaamste beletstel voor de jodenzending werd weggenomen. De voorwaarden voor die zending werden vervolgens geschapen door de Nadere Reformatie met haar ontdekking van zending als kerkelijke opdracht en 'haar geloof in Israels bekering'.
De jodenzending zelf kwam vervolgens op in de laat achttiende-eeuwse Engelse Revival, een beweging die ook naar Nederland oversloeg en daar wat zending aan de joden betreft vaste voet kreeg in zendingsverenigingen en - bewegingen als 'Vrienden Israels' in de kring van het Reveil. In het proefschrift worden zo o.a. de activiteiten van ds. W. ten Boom beschreven, die eind 1925 werd ingeleid als zendeling van de Amsterdamse N.V.V.I., opgericht in 1868. In de oorlogsjaren werd allerlei verenigingsarbeid ondergebracht in de Nederlandse Hervormde Kerk. Op 17 juni 1942 werd zo een Raad voor Kerk en Israël opgericht, met mensen als Dekker, Ten Boom, Grolle, Kraemer en Kijne. Om joden niet te kwetsen heeft men toen (al) afgezien van de benaming 'zending'. Later werd de naam van de Raad, 'Raad voor de verhouding van Kerk en Israël.
Het is al met al indrukwekkend wat de schrijver nu op tafel heeft gelegd inzake de activiteiten binnen de Hervormde Kerk jegens Israël. Maar die bezinning binnen de kerk op zich is dan ook indrukwekkend geweest. Zeker ook rondom de invoering van de kerkorde van 1951, toen de Hervormde Kerk als eerste kerk in de wereld haar betrokkenheid op en relatie tot Israël vastlegde in haar bekende apostolaatsartikelen. De namen van velen passeren de revue: Grolle, Kraemer, Van Ruler, Miskotte, Tabaksblatt. De gigantische problematiek in de oorlogsjaren, de vragen die zich aandienden na de Tweede Wereldoorlog, o.a. in verband met de vestiging van de staat Israël, de bewustwording van het feit, dat de kerk in een andere relatie staat tot Israël dan die van zending inzake de andere volkeren.
De auteur komt fot de conclusie dat de jodenzending, 'ondanks bepaalde uitwassen in methoden en in gedragingen van sommige gedoopte joden, allerminst de vorm van anti-judaïsme en nog minder van anti-semitisme zijn geweest, waarvoor zij soms zijn gehouden, maar na eeuwenlange vrijandschap de enige manier van de christenen om aan de joden hun liefde te betuigen'.
De Hervormde Raad heeft er vervolgens in belangrijke mate toe bijgedragen, dat de kerk Israël heeft ontdekt. Met belangstelling namen we ook kennis van de positie die de Gereformeerde Bond in deze ontwikkeling innam. Op p. 403 wordt gewag gemaakt van het feit, dat in 1951 de synode van 'de Bond' het verzoek ontving de 'van kleur verschoten' ds. Moerenhout te vervangen door ds. W. L. Tukker. Na twee jaar kwam in plaats van ds. Tukker ds. W. Bousema. In 1957 moest de Raad zich bij de synode verontschuldigen voor het feit, dat men in de vacatures Bousema en Moerenhout 'slechts de naam van C. Graafland te Ameide kon aanbieden'. Ook Graafland bleef maar twee jaar. Daarna kwam S. Gerssen, 'die bewezen had dat de opvattingen van de Raad, inclusief zijn theologische interpretatie van de staat Israël te delen en die in 1965 Grolles functie zou overnemen'. Maar de studie van Bastiaanse eindigt, dan ook met het jaar 1965.
Een belangrijke rol in de aarzelende houding van 'de Bond' heeft gespeeld de inbreng in de Raad van ds' K. H. Kroon, die 'iedere confrontatie van Israël met Christus uit den boze achtte'.
Tot zover een korte aanduiding van dit boek. Ik sluit af met wat de Raad in 1948 formuleerde: 'De Bonders vertegenwoordigen een belangrijk deel van onze kerk en verschillende van hun predikanten beginnen open te staan voor de arbeid onder Israël. Israël is het enige terrein waarop het nog niet tot een scheiding is gekomen'. Hoe zou de vervolggeschiedschrijving na 1965, er dan ook uitzien?
We maken de auteur van dit standaardwerk intussen onze complimenten voor deze doorwrochte studie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's