Godsverlichting versus Godsverduistering (4)
De Geest is er wel maar niet Zijn kracht
Het boek van prof. Ouweneel is ook daarom zo inspirerend, omdat het ondanks de kritische opmerkingen toch een positieve sfeer ademt. Hij peilt niet alleen de diepte en de ernst van de Godsverduistering, hij is er tegelijk van overtuigd, dat er een weg is, die brengt tot de Godsverlichting. Dit positieve besef rust in de diepe zekerheid, dat Gods Woord en Gods Geest er ook nu nog in de gemeente zijn (142 v.). God is ook nu nog in de gemeente aanwezig. Daarvan is Ouweneel overtuigd. Wel brengt hij een zekere gradatie aan in deze aanwezigheid van God. Hij meent, dat de persoon van de Heilige Geest ook in de christelijke gemeente woont. Dat kan ook niet anders, als wij mogen geloven in de belofte van Christus, dat Zijn Geest nimmer van zijn gemeente zal scheiden. Maar al is de persoon van de Geest aanwezig, dat geldt niet van Zijn kracht (148 v.). Het licht en de warmte van de Geest zijn verdwenen. Dat is onze Godsverduistering.
Vooral de jongeren zijn het, die dat opmerken en eronder lijden. Zij zijn het ook, die op den duur uit de gemeente wegtrekken en op zoek gaan naar andere gemeenten of groepen, waar de 'Sjechina' wel is (150 v.). Want ze is er nog wel. De Geest laat zich ook nu ervaren. Je moet Hem alleen nu gaan zoeken. Dat doen de jongeren vooral. Zoals de jongeren van Jezus dat ook al deden: Wat zoekt gij? En zij zeiden tot Hem: abbi!, waar woont Gij? ' (Joh. 1 : 39).
Verootmoediging een begin van opwekking
Toch maakt deze constatering Ouweneel niet somber. Omdat de Geest zelf er nog is, blijft er immers reden om te hopen. 'De vonken onder de as moeten slechts aangeblazen worden'. Als dat gebeurt, komt er een opwekking. Ouweneel ziet dat niet in de vorm van een massale opwekking (152 V.). Het gaat er juist om 'de dag der kleine dingen' op te merken en niet te verachten. Misschien is nu al zo'n opwekking aan de gang. Ouweneel wijst dan weer naar de evangelische gemeenten. In ieder geval wil de Geest ook onszelf erbij betrekken door om een opwekking te bidden. Gods werk sluit ons werk immers niet uit.
De verootmoediging over onze Godsverduistering is zelf al een vorm van Godsverlichting, omdat ze een weg is naar Godservaring (184 V.). Opwekking begint met verootmoediging, soms heel in het klein. Maar dan is ook nodig om Gods vergeving en vernieuwing te aanvaarden.
Ouweneel ziet deze opwekking vooral plaatsvinden in de samenkomst van de gemeente. Die is nu vaak uitgehold, leeg van de kracht van de Geest.
Als de Geest in Zijn kracht terugkeert, is dat dan ook in het midden van de gemeente (148 V.). Dit brengt Ouweneel ertoe om sterk de nadruk te laten vallen op de opbouw van de gemeente. Hij noemt zelfs tien kenmerken daarvan. Het zwaartepunt valt echter op de eredienst, want dat is het hart van het gemeenteleven.
Een verschraalde prediking en eredienst
Hier constateert hij opnieuw het tekort van de (bevindelijk) gereformeerde erediensten. Zij fungeren meestal als (verkapte) evangelisatiediensten, in die zin, dat de samengekomen gemeente wordt gezien als een schare, die tot bekering en geloof moet komen. Daarom staan in de prediking de vragen rondom de toeëigening van het heil centraal, waarbij nogal eens vaste schema's worden toegepast (161 v.v.). Met name het zichzelf als zondig (moeten) kennen om genade te (kunnen) ervaren. Ouweneel wil de betekenis daarvan niet ontkennen, maar hij ziet de eenzijdigheid ervan toch als een oorzaak van ingezonkenheid. De Schrift is zoveel rijker en daarom kan het geloof ook zoveel rijker zijn. Ook kan de eredienst veel rijker, veel feestelijker zijn. Dat wordt nu doorgaans gemist, en dat geeft aan de gemeentesamenkomst, en dus ook aan de gemeente zelf, een arm karakter. De uitbundigheid en de vreugde van de lofprijzing worden er niet in gevonden. In dat licht ziet Ouweneel ook het alleen psalmen zingen als een geestelijk tekort. Afgezien nog van het feit, dat het niet bijbels is (Efeze 5), zit achter dit eenzijdig oud-testamentisch karakter van de eredienst ook een geestelijke oorzaak. De psalmen zijn mooi en diep, maar als in de prediking over de evangeliën de naam van Jezus ronduit en voluit wordt verkondigd, kan de gemeente er niet van buiten om die naam ook te prijzen in haar lied. Dat dit in vele bevindelijk-gereformeerde gemeenten niet kan en zelfs niet mag, wijst erop, dat er een ernstig te kort is aan de kracht en de volheid van de Geest (195).
Lofprijzing en aanbidding
Ouweneel schrijft uitvoerig en uitbundig over de lofprijzing in de eredienst (189 v.v.). Lofprijzing en aanbidding: zij maken als antwoord op het spreken van God de samenkomst van de gemeente tot een heerlijk en heilzaam gebeuren. 'God verlangt naar de aanbidding van zijn volk' (254). Dit is zo belangrijk, voor de gemeente zelf en voor haar uitstraling naar buiten. Zij heeft immers ook een profetische roeping naar buiten toe. Zij mag anderen jaloers maken. 'Kom ga met ons en doe als wij...'. Elke opwekking ging dan ook gepaard met zang en muziek.
Voor Ouweneel is dit een gerede aanleiding om óok over de wijze, waarop wordt gezongen, te spreken. Er groeit een steeds grotere kloof niet alleen tussen wat, maar ook tussen de manier, waarop er met name door jongeren gezongen wordt in de zondagse kerkdienst en in de door-de-weekse samenkomsten. Nieuwe liederen vragen om nieuwe melodieën. 'Zing de Heere een nieuw lied!'. Maar waarom dan ook niet de oude psalmen op nieuwe, eigentijdse melodieën? Zij zijn er, en ze worden met enthousiasme gezongen. Maar ook alleen weer door-de-weeks. Zo wordt de afstand ten opzichte van de zondag al maar groter.
Ouweneels 'ideale gemeente'
Dit brengt Ouweneel ertoe om in het laatste hoofdstuk van zijn boek een beschrijving te geven van wat hij noemt 'zijn ideale gemeente' (214 v.v.). Van die gemeente droomt hij. Ze is namelijk (nog) geen werkelijkheid. Maar hij verlangt er intens naar.
Hij heeft aan die gemeente een mooie naam gegeven: katholiek-gereformeerd-evangelisch. Daarmee wil hij aangeven, dat wat nu nog zo droevig uit elkaar ligt, in wezen bij elkaar hoort. En als er een echte opwekking van de Geest komt, zal die eenheid er zeker ook komen.
Of die gemeente een officiële belijdenis zal hebben? Ouweneel vindt dat niet zo belangrijk. In ieder geval geen belijdenis, die dwingend wordt opgelegd (223 v.v.). De gemeente zal altijd open blijven staan voor toetsing en correctie vanuit de Schrift. Dat wel. Geen sectarisme dus en ook geen biblicisme of confessionalisme. Wel een gemeente, die voluit leeft van de woorden van God en tegelijk middenin haar tijd staat. Zij is erop gericht om haar tijd te verstaan, zodat zij weet, waar het in elke nieuwe situatie op aankomt. Er is een relatie zowel tot de traditie als tot de eigentijdse cultuur (233 V.V.).
Het zal geen grote grote gemeente zijn. Hooguit een honderd leden, liever nog vijftig. De predikers hoeven geen academische opleiding te hebben, maar wel het charisma van de levende verkondiging. Daarbij zal vooral worden toegezien op de wijze waarop het Woord wordt verkondigd. Want niet alleen wat er gepredikt, maar ook hoe er gepredikt wordt, is van het grootste belang.
Verder zal er niet te veel vastgelegd worden. Niet een wettische regelgeving maar de wet van Christus, die door de liefde wordt vervuld, zal er van kracht zijn (246). Ook hier wijst Ouweneel op het eenzijdig plichtmatige in het reformatorische gemeenteleven. Maar dat laat ik nu verder liggen.
Wat doen wij ermee?
Ik hoop met de weergave van enkele hoofdgedachten van Ouweneels boek u een indruk te hebben gegeven, wat u hierin kunt vinden. Misschien bent u geneigd om een aantal vragen en bezwaren in te brengen. Dat kan ik me voorstellen. Maar misschien is het tegelijk zo, dat u ernaar verlangt het boek zelf te gaan lezen. Ik zou dat inderdaad doen, als ik u was.
Wel, tenslotte, nog dit. Ik noemde het al: als Ouweneel spreekt over zijn 'ideale' gemeente, heeft hij het over een droom. Het is een droom van verlangen. Het is nog geen werkelijkheid. Dat beseft hij zelf ook.
Daarin zie ik hem toch ook weer heel dicht bij mij. Toen ik zelf over deze thematiek schreef, heb ik diep gevoeld, dat wij wel de diagnose kunnen stellen, ook geneesmiddelen kunnen aanwijzen, vanuit de Schrift en ook wel vanuit de traditie van de kerk. Maar een echte genezing en vernieuwing bewerkstelligen, dat gaat onze macht te boven. Ook die van Ouweneel. Daarin is zijn boek niet anders dan het mijne en dan dat van anderen. Dat is echter geen verwijt aan Ouweneel. Dat is alleen een erkenning van onze feitelijke en gezamenlijke nood, die de Heere zelf alleen kan vervullen. Maar dat hij daarvoor boeken als van Ouweneel als een middel in Zijn hand zou kunnen/ willen gebruiken, dat hoop ik van harte. Natuurlijk wilt u nu nog de volledige titel van het boek weten. Het luidt: Godsverlichting, Een weg tot spiritualiteit en gemeenteopbouw. De evocatie van de verduisterde God. Het is uitgegeven bij Buijten & Schipperheijn te Amsterdam. De prijs weet ik niet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's