Leid ons niet in verzoeking... (1)
Het Onze Vader
Lopen over de rand van een smal muurtje. Dat vonden we als kind een prachtig spelletje. Heel spannend was het om te zien of je er niet afviel.
We vertrouwden er vaak zó op, dat we ons evenwicht wel konden bewaren, dat we er heel overmoedig overheen liepen. Totdat het opeens toch niet ging. We vielen met een smak op straat en kwamen soms lelijk terecht. In de meeste gevallen was de schade echter nog te overzien.
Ouder geworden blijken velen het nog steeds spannend te vinden over de rand van een muurtje te lopen. Nu niet een muurtje van steen, maar het smalle muurtje, dat staat op de grenslijn tussen goed en kwaad.
Er bestaat een soort ingeboren neiging om uit te proberen hoe wij nog net christen kunnen zijn en toch tegelijk met zoveel dingen kunnen meedoen, dat wij in ieder geval niets tekort komen. Ook dat is een vorm van balanceren op het randje, maar wanneer we nu van het muurtje afvallen, is de schade vaak heel wat groter dan wanneer het spelletje in onze kinderjaren uit de hand liep.
Hoe komt dat toch, dat uitproberen, die neiging tot balanceren?
De belangrijkste oorzaak is, dat we vaak nog zo weinig kennis van onszelf hebben èn van de macht van het boze. Van nature zijn wij dan ook niet zo geneigd de zesde bede van het 'Onze Vader' serieus te nemen.
'Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze'.
Is het niet wat overdreven om zo bang te zijn voor verzoeking en voor de boze? Zo denken we van nature. Wij kennen onszelf niet en we kennen de werkelijkheid niet, zoals die er in Gods oordeel — en dat is de ware werkelijkheid — uitziet. Maar ook als christen, als gelovige, als wedergeborene onderschatten we nog vaak schromelijk de machten van het boze en overschatten we onze eigen vermogens. Misschien is dat gevaar voor een christen nog des te groter. Het is in ieder geval niet moeilijk in dit verband vele voorbeeldfiguren uit de bijbel te noemen.
Zelfoverschatting
Ik denk aan Simson. Zijn hele leven is eigenlijk balanceren op het randje van de afgrond. Hoe kwam dat? Misschien juist omdat hij Nazareeër was, iemand met een heel bijzondere levensbestemming en roeping. Het zijn sterke benen, die de geestelijke weelde kunnen dragen. Simson, een man met zoveel gaven, zoveel kracht. Is het gevaar niet groot, dat hij gaat denken: ik kan beter dan anderen risicovolle situaties aan? Ik kan wel trouwen met een meisje uit de Filistijnen. Voor anderen is dat wellicht te gevaarlijk, maar ik kan dat wel aan. Mij zal het wel lukken om trouw te blijven aan Isrels God. Zie Simson levensgevaarlijk balanceren op de smalle muur. Zie hem kinderlijk overmoedig spelen met de machten van de vernietiging. Zie hem levensgevaarlijk spelen met het geheim van zijn kracht.
Wanneer je mij vastbindt... wanneer je mijn haren vastbindt... wanneer je mijn haren afknipt...'
Bij Simson is op dit moment noch zelfkennis, noch kennis van de macht van de boze. Juist de gelovige loopt zo het risico, dat de rechte zelfkennis verduisterd worddt. Het gevaar is, dat hij gaat vertrouwen op z'n gelovig zijn, alsof dat een kwaliteit zou zijn, die aan zijn natuurlijk mens-zijn is toegevoegd, waardoor hij min of meer immuun geworden zou zijn voor de macht der duisternis.
Hij vergeet, dat hij in zichzelf slechts een zwak en zondig mens is. Hij vergeet, dat het geloof een gave is, die elke keer opnieuw weer geschonken moet worden. Het geloof is geen bezit, in onze eigen macht, met behulp waarvan wij de boze wel eens even zullen verslaan.
De boze lacht om onze gelovigheid, onze dapperheid. Wanneer onze gelovigheid onze sterkte is, kan hij ons gemakkelijk aan.
Ik denk aan Petrus. Ook iemand, die zo goed van zichzelf wist, dat hij een bijzondere gave, een bijzondere roeping en een bijzondere verlichting ontvangen had. Had Jezus zelf het na zijn geloofsbelijdenis niet uitgesproken: Vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is.' (Matth. 16 : 17) Maar juist tot hem ook richtte Jezus het woord: Simon, Simon, zie, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe'. (Luc. 22:31).
Op dat moment zit Petrus er wat glimlachend bij. Zo'n vaart zal het niet lopen. De satan kan het wel proberen, maar het zal hem niet lukken. Petrus is bereid met Jezus mee te gaan tot in de dood. Maar even later heeft hij Hem tot driemaal toe verloochend. Satan lacht om Petrus' gelovigheid. Petrus kent zichzelf nog zo slecht. Hij weet bij lange na nog niet hoe zwak hij is in zichzelf. Hij beseft bij lange na niet, dat alleen het gebed van Christus zelf hem redden kan.
Wat van Petrus geldt, geldt ook van al de andere discipelen. Ze zijn zo weerloos en zo klein. E. L. Smelik dichtte van hen en van ons:
'Hier zijn wij. Heer, een afgeweken schare wij, die zo zorgeloos, zo ontrouw waren.'
Allen slapen in de hof. Dit zijn nu de keurtroepen van het geloof, de strijders voor Jezus. Met hun kracht is 't niets gedaan. Die gaat alras verloren.
Daarom leert Jezus zijn gelovigen bidden: 'Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze'. De catechismus zegt in dit verband (antw. 127): 'Dewijl wij van onszelf zó zwak zijn, dat wij niet één ogenblik zouden kunnen bestaan...
De Heere Jezus weet beter hoe zwak wij zijn dan wij dat zelf weten. Moeten wij niet eerlijk belijden, dat wij onszelf vaak schromelijk overschatten? Voor we er erg in hebben, zijn we gevallen en wanneer God zelf ons dan niet wéér op zou rapen, zou er geen hoop meer voor ons zijn.
Onderschatting van de boze
Wij overschatten onszelf en wij onderschatten de macht van de boze. Wij den ken vaak, dat wij toch zelf baas zijn over wat we doen en laten. We zijn er toch zelf bij? Maar dit is slechts zeer ten dele waar.
Luther heeft over deze belangrijke kwestie een diepgaand gesprek gevoerd met Erasmus. Erasmus meende, dat de mens de vrijheid heeft om te kiezen voor het goede en tegen het kwade. Uiteindelijk is de mens zelf baas over zichzelf Luther meende, dat dit mensbeeld van Erasmus veel te optimistisch was. Sinds de zondeval heeft de mens nog wel een zekere vrijheid, maar het is de vrijheid van een paard, dat gestuurd wordt waarheen de berijder wil.
De menselijke wil is als een paard, dat óf bereden wordt door God óf door de duivel. Veel mensen draven heel hard als een paard, springen zelfs over allerlei hekken heen en denken daarmee te demonstreren, hoe vrij ze wel zijn.
Intussen heeft de boze hen het bit in de mond gelegd en stuurt hen, waarheen hij wil.
'Verlos ons van de boze'. Vanuit de grondtekst kun je ook vertalen 'het boze'. Sommige mensen hebben vandaag moeite met de voorstelling van 'het boze' als een persoon. Dat is ook wel begrijpelijk. Er zit een reactie in op al te persoonlijke, realistische, middeleeuwse voorstellingen van de boze. Heeft de boze ook niet te maken met de donkere kant van onszelf? Dat zal zeker wel zo zijn.
De catechismus heeft het over onze drie doodsvijanden: de duivel, de wereld en ons eigen vlees. Dat zijn geen drie verschillende vijanden. Dat is één vijand in drie gestalten. 'De wereld' kunnen we gelijk stellen met 'het boze'.
Het kwaad komt niet alleen op persoonlijke wijze op ons af maar heeft ook iets bovenpersoonlijks, het bovenpersoonlijke van een macht en machten, die de hele goede schepping van God doortrokken hebben. Dit bovenpersoonlijke van het kwaad •maakt, dat we niet alleen schuldig zijn, maar ook slachtoffer. Het onderstreept ook onze weerloosheid tegenover het kwaad. Een persoon kun je nog in het aangezicht weerstaan. Met onpersoonlijke machten is dat veel moeilijker.
'Ons eigen vlees' kunnen we gelijk stellen met wat vandaag wel genoemd wordt de donkere schaduw van ons 'Zelf. Dit is de vijand binnen de poort, die juist omdat hij e, binnen de poort is, zo buitengewoon moeilijk te bestrijden is.
Toch moeten we over de macht van het kwaad niet alleen op bovenpersoonlijke wijze spreken en ook niet alleen met beelden, die aan de dieptepsychologie ontleend zijn, hoe waardevol op zichzelf ook. Het heeft ook een diepe zin, dat de bijbel over de macht van het kwade spreekt als een persoon: de boze, de satan, de duivel. Het heeft te maken met het ervaringsfeit, dat we door het kwade ook als door een persoon worden aangesproken, dat we met het kwade als met een persoon vaak in gesprek zijn. Daarom is er ook sprake van schuld wanneer we het kwade doen. Ten opzichte van bovenpersoonlijke machten zijn we slachtoffer. De donkere kant van ons Zelf kunnen we ook niet zomaar van ons afschudden. Maar luisteren naar de stem van de boze, die met ons in gesprek treedt, dat maakt ons schuldig. Zonde is ook schuld, heeft te maken met verkeerde
keuzen. We worden op persoonlijke wijze aangesproken en verleid. Verlos ons, o God, van deze verleider, want we zijn zo zwak.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's