De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers

16 minuten leestijd

Beroemd geworden zijn de regels waarmee de dichter J. C. Bloem het gedicht 'Insomnia' (= slapeloosheid) opent: Denkend aan de dood kan ik niet slapen. En niet slapend denk ik aan de dood. En het leven vliedt gelijk het vlood. En elk zijn is tot niet zijn geschapen.

Denken aan de dood

In het eerste nummer van de nieuwe jaargang van Wapenveld (jaargang 45 nr. 1, januari 1995) schrijft dr. P. Blokhuis een bijdrage onder de titel Denken en zingen bij de dood. Terecht geeft hij aan dat er de laatste jaren in het denken over de dood in onze samenleving heel veel veranderd is. In onze westerse maatschappij van de twintigste eeuw is de dood een lange tijd altijd verdrongen, weggehouden, er werd niet over gesproken. Maar na 1970 lijkt het taboe op de dood langzaamaan te vervallen. De dood wordt bespreekbaar, mag ook weer gezien worden. De hele euthanasiediscussie wordt in wezen bepaald door de gedachte dat doodgaan helemaal zo erg niet is.

In de samenleving worden we geconfronteerd met vrij jonge mensen die aan dodelijke ziekten lijden, met name kanker en aids, maar zich niet verbergen. Ze zijn vaak nog lange tijd gewoon onder ons en spreken over hun leven, hun op handen zijnde overlijden en de wijze waarop ze begraven of gecremeerd willen worden. De dood wordt niet verhuld en het overlijden wordt niet als iets afschrikwekkends voorgesteld. Minister Borst vertelde in een interview over haar aan kanker lijdende echtgenoot: 'Wat je dan meemaakt is dat dood zo vertrouwd wordt in zo'n gezin waar iemand al enige tijd weet dat hij doodgaat. Je zit te eten met elkaar en er wordt een opmerking over gemaakt. Zo van, dan en dan ben ik er waarschijnlijk niet meer. En dan nog met een redelijk vrolijk gezicht ook. Dus op een gegeven moment is dat doodgaan net zo gewoon als een geboorte'.

Opmerkelijk is dat een aantal van deze mensen op de televisie verscheen zodat velen van hun gedachten kennis konden nemen. Gelet op de ingezonden stukken in kranten, nemen weinigen er aanstoot aan. De meest uitzonderlijke televisiebeelden tot nu toe in dit genre lieten zien hoe een doodzieke man door zijn huisarts werd begeleid en ten slotte op eigen verzoek een dodelijke injectie kreeg. De vraag is al gesteld wat een dergelijke vertoning voor zin heeft (Willem Jan Otten). Woorden kan men overwegen maar het zien van beelden van een stervende is niet hetzelfde als een sterven meemaken. Er heeft dus iemand te kijk gestaan en meer niet. De vraag is of dat de bedoeling was van de overledene. Een klemmender vraag is of je iemand altijd te kijk mag zetten. Voor mij ging van de uitzending de suggestie uit dat doodgaan zo erg niet is. Toch konden de beelden daarover niets zeggen. Daarover zei de man iets. Doodgemaakt worden is niet erg als je de dood niet erg vindt.

Een andere ontwikkeling is de toename van ritueel rondom de dood met voorlopig als extreem het feest bij de begrafenis van Manfred Langer, eigenaar van een befaamde discotheek in Amsterdam. Eenvormigheid en soberheid zijn niet langer kenmerkend voor uitvaartplechtigheden. Ook dat getuigt van een andere kijk op de dood. Maar eensgezindheid is er niet. De visies lopen uiteen en mede daardoor de rituelen.

Dr. Blokhuis geeft een viertal ideeën aan die een rol spelen in die veranderende houding tegenover de dood. Als eerste noemt hij: de mens moet zelf over zijn leven en dus ook over zijn levenseinde kunnen beschikken. Wie wil sterven, moet daar vrij in gelaten worden. Een tweede gedachte is wat dr. Blokhuis noemt de 'naturalistische visie' op het leven: de dood hoort bij het leven. We zien het in de natuur om ons heen. Leven in de natuur is ondenkbaar zonder de dood. Of zoals de al geciteerde J. C. Bloem het in een ander kort gedicht heeft gezegd:

Het einde
Wat geeft het, of wij hier of elders sterven?
Leven is altijd: naar de dood toe gaan.
De haardgebondenen en die verzwerven
Vinden één graf aan 't eind van hun bestaan.

Dr. Blokhuis noemt ook de vervaging van de grens tussen hemel en aarde die ervoor zorgt dat mensen thans veel makkelijker over de dood lijken te spreken. De idee van de reïncarnatie geeft mensen het gevoel: wie sterft, komt in een volgend bestaan en daar worden we altijd beter van. Blokhuis constateert die vervaging van de grens tussen leven en dood trouwens ook onder christenen. Hij denkt dan aan het toenemend gemak waarmee wordt gezegd dat overledenen beter afzijn bij 'de lieve Heer'. Waar het besef wegvalt dat sterven betekent God ontmoeten, in het oordeel komen, daar vervaagt ook onder christenen de grens. Ik vind dat hij hierin gelijk heeft. Hij doet dan in zijn artikel een poging om aan te geven hoe we als christen in deze tijd over de dood hebben te denken.

Menselijk leven zonder einde, zonder dood is voor ons onvoorstelbaar. Mensen worden oud en dat betekent niet alleen dat ze lichamelijk steeds minder vitaal worden maar ook dat ze geestelijk uitdoven. In het heden van het leven denken we echter het einde niet. De toekomst van onszelf lijkt een eeuwig heden te zijn. De dood is daar vreemd aan en dat des te meer naarmate het heden beheersbaar lijkt zoals in onze samenleving het geval is.

De dood als vreemd aan het heden en tegelijk als noodzakelijk, een spanning die bij christenen geleid heeft tot het onderscheid tussen de dood als doorgang en als oordeel (K. J. Popma). Bij het leven hoort een doorgang naar een leven na de dood, maar die doorgang is ook een verschikking, een vijand die overwonnen moet worden (1 Kor. 15). In het begin van het boek Genesis wordt de dood van de mens echter getekend als vreemd aan het leven voor de zondeval. Pas na de zondeval ontnam God mensen de mogelijkheid eeuwig te leven. Dit paradijselijke leven is voor ons een onvoorstelbare mogelijkheid. Wij kunnen er alleen over spreken als over iets onvoorstelbaars na de dood.

Spreken over de dood als een bij het leven horende doorgang wordt gevoed door wat we in het Oude Testament vinden over het sterven van oude mensen: oud en der dagen zat, van het leven verzadigd. Er lijkt een bij het leven horende dood te zijn. De verschrikkelijke dood komt te vroeg en gaat met lijden gepaard. Zo spreken ook wij nog van een mooie dood: een snelle dood zonder lijden, zacht inslapen in de ouderdom. Maar een mooie dood is geen goed; mooi betekent slechts dat gegeven het moeten sterven, dit de minst slechte manier is.

In het Nieuwe Testament wordt de dood getekend als een vijand die overwonnen moet worden. En overwinning betekent opstanding, nieuw leven. Het heeft geen zin te proberen ons van het paradijselijke leven een voorstelling te maken. Ons leven is een leven met een vijand die dood heet. Aan die vijand kunnen we niet ontsnappen. De dood als doorgang is een door­ gang naar het oordeel. Mensen komen niet vanzelf in het licht, het paradijs, de hemel, een volgend leven of het niets. Was dat wel zo, dan kan men nog wel bang zijn voor de doorgang - men gaat alleen op reis - maar is de dood toch zo erg niet. Epicurus zei al: nee spiro, nee d-meo. Een christen weet zich in de dood van Christus afhankelijk. Er is genade nodig om aan het oordeel te ontkomen. Genade betekent niet dat er geen oordeel is. Bij kwaad horen schuldbesef en angst. Daar staat de hoop tegenover. Maar het is niet zo dat het ene tegenover het andere verdwijnt zodat de dood veel aan gewicht verliest. Schuldbesef en angst blijven staan tegenover de hoop op de genade.

De rooms-katholieke pastor Henri Nouwen schrijft in zijn Een brief van troost en bemoediging dat we de dood tot vriend moeten maken. Dat betekent voor hem echter niet dat de dood iets begerenswaardigs wordt. Het betekent dat we hem zo reeël mogelijk onder ogen moeten zien. De dood hoort niet bij God en bij het leven met God. Terwille van het leven ging Jezus door de dood en wij kunnen hem volgen. De dood als doorgang houdt een afscheid in. Het is de mens eigen dat hij afscheid neemt. Daarom is een plotseling sterven niet mooi. Een mens moet afscheid kunnen nemen van de mensen met wie-hij leefde. Hij moet de dingen waaraan hij hechtte, kunnen loslaten. Wie plotseling sterft, wordt weggegooid als een steen. Van aids-en kankerpatiënten is te leren dat in de aangekondigde dood een zegen gezien kan worden.

Dr. Blokhuis besluit zijn lezenswaardig verhaal met aandacht te vragen voor rituelen rond het sterven, regels voor het rouwgedrag. Onze tijd vraagt weer om meer ritueel. Daar steekt een positieve gedachte achter, vindt hij. Wie een overtuiging heeft met betrekking tot de dood, moet die ook kunnen leven als de dood er is. Liturgie binnen de gemeenschap der gelovigen is juist bij de dood gewenst. Het lied in verbondenheid met de kerk der eeuwen zingen tilt ons uit boven wat ons hier neerdrukt. Blokhuis' laatste regel luidt: 'Voor een christen eindigt het denken over de dood in liturgie'.

Hein als refrein

Belangstelling voor het levenseinde is misschien ook wel de achtergrond van het verkoopsucces dat het boek van de verpleeghuisarts Bert Keizer ten deel valt. Al een groot aantal weken prijkt in de Top-Tien non-fictie van de boekverkopers het boek 'Het refrein is Hein - dagen uit een verpleeghuis'. In Hervormd Nederland van 4 maart 1995 stond een gesprek met de auteur te lezen. Zijn boek wordt getypeerd met woorden als 'een literaire neerslag van ruim tien jaar ervaring als verpleeghuisarts, met bijzondere aandacht voor mensen die de dood al in de ogen kijken'. Bert Keizer keert zich via zijn personages tegen

... De misplaatste hoge verwachtingen, opgeroepen en gevoed vanuit het medisch bedrijf zelf, de falende kankerresearch, de schrijnende gevolgen van de bizarre verdediging van middelen in de gezondheidszorg, de leugentaal van de 'stappen voorwaarts', de bijziende dokter - 'zolang er biochemie is, is er hoop' - 'de even  halsstarrige als hooghartige weigering iemand een milde dood te gunnen, de ontkenning van eigen beperkingen, kortom Keizer ontmythologiseert de geneeskunde. Niet op een irritante manier, niet betweterig, maar door te laten zien hoe het anders kan.

Het is geen letterlijk en feitelijk dagboek. Dat zou het beroepsgeheim immers niet toelaten. Tien jaar verpleeghuiswerk heeft hij verdicht tot een boek. Hij heeft, aldus het gesprek in HN, geen sensatieboek willen schrijven maar wel een boek dat aandacht vraagt voor de precaire situatie in verpleeghuizen. Uit zijn verslag krijg je de indruk dat de geneeskunde toch nog veel te veel de suggestie wekt dat het leven maakbaar is. Hij spreekt over een 'fatale medische blikvernauwing met afleidingsmanoeuvres en schijnmogelijkheden als chemotherapieën en prednisonkuren'. Niet dat volgens hem deze medicijnen nooit zinvol zijn. Maar ze worden te vaak te pas en te onpas gegeven. Keizer spreekt ook over verwachtingen van christenen over dood en graf heen. Voor hem berust dat nergens op. Hij noemt zichzelf agnost. Dat is te merken aan het nu volgende citaat. Ik vond het toch te interessant om het niet over te nemen, ook al denken we inhoudelijk anders over de Schrift.

De mooiste literaire verwoording hiervan staat voor mij in het bijbelboek Genesis. We leefden in een paradijstoestand, we hadden het goed. Op een bepaald moment zijn we daaruit gestapt of gezet. Hoe en waarom is mij niet helemaal duidelijk, maar het is zo. Wat gebleven is, is het verlangen naar dat paradijs, naar een toestand waarin het ons aan niets ontbreekt. Ik geloof niet dat de mensheid in den beginne de weg is gegaan zoals het in Genesis staat beschreven. Maar het is wel een treffende verwoording van de psychologie op de bodem van onze ziel. Misschien, denk ik soms, is het verlangen naar meer er altijd geweest, was dat ook precies de reden dat we een achterwaartse beweging moesten maken, het paradijs uit. Want waarom wilde God niet dat mensen van de boom van goed en kwaad zouden eten? Omdat hij bang was dat mensen zouden worden zoals hij. Dat het zootje langszij zou komen. En daar houden goden niet van.

Dat verlangen naar meer dan het mooie, het goede is springlevend gebleven. Daarmee willen we ons bewijzen. De honderd meter binnen tien seconden, kunsthersens maken, een boek schrijven. En ook wie zich hieraan onttrekt, doet dat soms als zelffelicitatie.

In de geneeskunde heeft dit denken geleid tot een zich aaneenrijgende pogingen verder te springen dan de polsstok lang is.

De taal van Keizer klinkt mij tamelijk rauw in de oren. Maar misschien roept zijn vak dat wel vanzelf op.

Leed en doolhof

Dood en verdriet horen onafscheidelijk bij elkaar. Een moeder huilt soms in het kraambed. Maar zeker als ze staat bij het graf van haar kind. In De Reformatie van 11 maart 1995 schrijft ds. J. T. Oldenhuis uiterst gevoelvol over In de doolhof van het leed. Een passende bijdrage na het voorgaande over de dood.

Verdriet is een doolhof genoemd (Ter Horst). 'Men weet er de weg niet. De uitgang is moeilijk te vinden. En vaak komt men terug op plaatsen waar men al eerder is geweest.' Men spreekt over verwerking. Dat woord heeft iets afstotends. Het ruikt naar processen die men in gang zet om oud vuil te verbranden en onnutte dingen te laten verdwijnen. Alles moet opgeruimd. En ook nog schoon. We gebruiken ongemerkt veel woorden met pijnlijke bijbetekenissen. Want verdriet is iets dat niet 'verwerkt' wil worden. Het wil gekend worden, erkend. En alleen dan kan het worden gestild, misschien. Tsjechow vertelt het verhaal van Potapow, de oude koetsier in Leningrad. Hij vervoert met zijn slee voor enkele kopeken passagiers door de stad. En elke keer begint hij opnieuw te vertellen: weet u meneer, mijn zoon is deze week gestorven. Maar niemand wil zelfs maar luisteren. Hij moet het vertellen. Hij moet het kwijt. Hij moet alles vertellen. Het wordt een obsessie. Tenslotte vertelt hij het 's avonds in de stal aan zijn paardje. Dat luistert.

Deelneming

In de doolhof van het verdriet is het goed iemand tegen te komen. Het moet niet vreemd gevonden worden, als je elkaar daar voor een tweede keer treft. Hoort dat niet bij een doolhof? De uitgang is niet zomaar gevonden. Soms is men ook helemaal niet direct op zoek naar de uitgang. Jobs vrienden zwegen zeven dagen. En toen ze hun mond opendeden ging het juist helemaal niet goed. Wij betuigen onze deelneming. Zo zeggen we dat. Ieder heeft dat wel eens gedaan. We formuleren een goede wens. We wijzen op de troost die God geeft. We spreken over de opstanding der doden. Maar het zou ons niet vreemd moeten voorkomen, als er net zo gereageerd wordt als Marta deed toen Jezus haar zei dat haar broer zou herrijzen: 'Dat weet ik wel', zei ze, en daarmee was haar verdriet niet 'verwerkt'. We zeggen 'sterkte'. Er zijn er die dat woord niet meer kunnen horen na een tijd. Hoe nemen we eigenlijk deel aan iemands verdriet? Alleen door het woord deelneming te gebruiken? Deel-néming veronderstelt deel-géving. Daarvoor is nodig dat er wat gezegd kan worden. Iets van het onzegbare, omdat het verlies onvervangbaar is. Dé taal is een medicijn genoemd. Taal vraagt tijd. Tijd die gegeven wordt. Deelneming zonder investering van tijd is onmogelijk. Rouw wordt zo gauw gestroomlijnd. De maatschappij geeft er vaak niet meer plaats voor dan voor wat door de begrafenispolis is gedekt en in de werkroosters van het personeel past.

Ds. Oldenhuis geeft aan hoeveel verdriet er wordt verwoord in de psalmen. Wat een tijd wordt ervoor uitgetrokken: dagen en nachten zelfs.

Troost kan alleen beginnen als er tijd gegeven wordt voor tranen. Ze bestaat niet in het zo spoedig mogelijk wegwerken van het leed. Troosten kost tijd. Tijd om te luisteren. En vervolgens ongeveer evenveel tijd om iets te zeggen. Te proberen althans. Om samen de weg te zoeken uit de doolhof, waarin men vaak langs dezelfde plaatsen zal komen voor men de uitgang vindt. Zelfs als de richting waarin gezocht moet worden al lang bekend is. God die geen van de zijnen verliest. Nooit. Oren heeft. Zijn oor neigt (Ps. 116). Hulp heet en herder is. Achter Hem aan komt een mens uit bij heil en goedertierenheid (Ps. 23). Echt.

Ik kan het niet laten om tenslotte nog een citaat door te geven, ook al wordt daardoor deze rubriek dit keer wellicht te lang. Het is uit een bijdrage van Hilde Burger in Interpretatie, tijdschrift voor bijbelse theologie, 3e jaargang nr. 2, 95-2 in de rubriek 'Bijbelse grondwoorden' Over het huilen van God. Ze geeft commentaar bij het Hebreeuwse werkwoord 'bacha' (= huilen).

Huilt God? Het wordt in de bijbelse verhalen enkele keren aan God toegeschreven bij monde van zijn profeten. Zo kan men zeggen dat het ook God is die kan huilen als we Psalm 137 : 1 lezen waar de kinderen Israels aan Babels stromen zaten; ook weenden wij, zeggen de Statenvertalers en de Nieuwe Vertaling, want ze hadden reden tot treurnis. Het 'ook' in deze tekst wordt in die vertalingen beschouwd als een voegwoord tussen zitten en huilen, maar er is nog een andere interpretatie aan te geven. Zo heeft het Hebreeuwse woord gam de betekenis van 'ja' of 'ook' als voegwoord, waardoor men kan zeggen: wij zaten, ja, wij huilden, of: wij zaten, ook huilden wij zoals boven is omschreven. Maar door middel van ditzelfde gam kan eveneens gelezen worden: wij zaten, ook wij huilden en dit houdt in dat niet alleen 'wij' huilden, maar dat er ook nog een ander is die huilt. Midrasjiem staan er om bekend dat de rabbijnen oog hebben voor de woordspelingen van het Hebreeuwse taaieigen en de midrasj gaat daarop in als de vraag wordt gesteld wie er wordt bedoeld met het woord 'ook' in de zinsnede: ook wij huilden. Het antwoord luidt: God. Want de kinderen van Israël brachten de Heilige, gezegend zij hij, ertoe om te huilen met hen.

Gesuggereerd wordt dus dat niet alleen de kinderen Israels huilden, daar aan Babels stromen, ook God huilt. Ze huilden beiden. Deze midrasjiem, ontstaan in een tijd waarin joden in de diaspora in toenemende mate werden geconfronteerd met beperkende maatregelen jegens hun bestaan, willen vertroostend zijn. God gaat mee in de diaspora, in de verdrukking. God en Israël zijn elkaar een deelgenoot in het lijden, dus ook in het huilen, dat is het wat de midrasj wil zeggen. Het verdriet wordt gepeild, het lijden gewogen. Maar er worden geen verklaringen gegeven die naar een alomvattende waarheid tenderen. Juda en Israël hebben zelf hun deportaties ervaren als straffen van God. In hun ogen waren ze het gevolg van hun misstappen. Maar de straffende God is wèl dezelfde als die meelijdt aan de verschrikkingen.

Ze schrijft in haar bijdrage ergens: 'Wanneer het gaat om de zich erbarmende God, is in het geloof van Israël elke afstandelijkheid vreemd'. Temidden van het denken over de dood, maar ook als de dood zich aandient in ons leven of als een schaduw dagelijks valt over onze levensweg" in een proces van rouwverwerking kan de slotregel van Hilde Burgers studie ons tot steun zijn: 'De herkenning van Gods tranen in een dieptepunt van Israels bestaan doet overleven'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1995

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1995

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's