Gisbertus Voetius (Gijsbert Voet) (3)
Hoogleraar-predikant te Utrecht
G. Voetius werd op 12 juni 1634 benoemd tot hoogleraar aan de Utrechtse Illustere School. Hij werd toen aangewezen om in de theologie en in de Hebreeuwse en oosterse talen te doceren.
De predikant heeft op 20 augustus 1634 afscheid genomen van zijn gemeente in Heusden. Hij koos daarvoor als tekst Filippensen 1 : 27: Alleenlijk wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uwe zaken moge hooren, dat gij staat in éénen geest, met één gemoed, gezamenlijk strijdende door het geloof des Evangelies.' Deze afscheidspreek is anno 1635 in druk verschenen.
Voet was in het kerkelijk leven al een man van grote invloed geweest. Reeds in 1613 heeft hij een beroep van de gemeente in Sprang ontvangen. Voorts werd hij beroepen door de kerken van Dordrecht, 's-Gravenhage, Haarlem en Rotterdam (tweemaal). Gijsbert kon geen vrijheid vinden om toen zijn gemeente in de stad Heusden te verlaten.
Aurelius Augustinus (354-430) en Johannes Calvijn (1509-1564) worden scheppende geesten genoemd, terwijl Thomas van Aquino (1225-1274) en Voetius (1589-1676) de ideeën van hun grote voorgangers zouden hebben afgerond en toegespitst.
Op 21 augustus 1634 aanvaardde Voetius zijn ambt aan de School te Utrecht met een rede, getiteld: De pietate cum scientia conjungenda (Over de godzaligheid met de wetenschap te verbinden).
Te Utrecht woonde Gijsbert Voet in de 'Poelenburch steege'.
Hij wees de academische jeugd, aldus dr. C. Steenblok (1894-1966), in zijn boekje over 'Gijsbertus Voetius. Zijn leven en werken : op de hoge noodzakelijkheid van de praktijk der godzaligheid bij de studie, op de relatie van de godzaligheid met de wetenschap.
Een dag later maakte de hoogleraar een begin met zijn onderwijs, verdeeld over acht colleges per week. Twee morgenuren op maandag/dinsdag werden gebruikt voor dogmatiek en ethiek, alsook voor kerkrecht o.m. omtrent de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Heidelberger Catechismus. Op twee andere uren op de morgen van de donderdag en vrijdag kwam de exegese van het Nieuwe Testament aan de orde.
Voorts werd op de middagen van genoemde dagen telkens één uur bestemd voor de grondtekst en exegese van de Psalmen en andere gedeelten van het Oude Testament. Daarnaast werden publieke colleges en privatissima gegeven. Spoedig kwam het zaterdagse dispuutcollege meest op de voorgrond (zie genoemd boekje van C. Steenblok).
Utrechts Illustere School verheven tot Academie
Professor Gisbertus Voetius hield op zondag 13 maart 1636 zijn Sermoen van de nutticheyt der academiën ende scholen. Dit is in druk uitgegeven naar aanleiding van Lukas 2 : 46: En het geschiedde, na drie dagen, dat zij hem vonden in den tempel, zittende in het midden der leeraren, hen hoorende, en hen ondervragende.' De inwijding van de Academie vond plaats op woensdag 16 maart d.o.v. Ds. G. Voetius was de eerste rector van de Utrechtse universiteit.
Op 13 augustus 1636 promoveerde Voetius aan de universiteit van Groningen eershalve tot doctor in de theologie. Zijn promotor was Franciscus Gomarus, geboren 30 januari 1563 te Brugge en overleden 11 januari 1641 te Groningen, waar hij hoogleraar was vanaf 1618. Gomarus werd in 1586 predikant bij een Nederlandse gemeente in Frankfurt a/M. Begin 1594 is hij benoemd tot hoogleraar te Leiden. In 1611 verhuisde Gomarus als predikant naar Middelburg, waar een 'collegium theologicum' werd opgericht tot handhaving en uitbreiding van de contra-remonstrantse gevoelens. De hogeschool te Saumur ontving hem van 1615-1618.
Voet was Gomarus' leerling, die tot de meest onopvallende leden van de Nationale Synode behoorde, aldus prof dr. Otto J. de Jong in Nederlandse Kerkgeschiedenis (Nijkerk 1972).
Gijsbert was een trouw volger van het calvinisme en tevens een bewonderaar van Gomarus. Spoedig na zijn promotie is Voet met zijn zoon Paulus (1619-1667), die hoogleraar wijsbegeerte en rechten is geweest, naar Engeland gereisd om daar enkele universiteiten en bibliotheken te bezoeken. Voetius had veel belangstelling voor de geschriften van de Engelse en Schotse puriteinen.
Kort na zijn terugkeer in Utrecht is Gisbertus aangezocht de gemeente daar te dienen als medepredikant. Een vacature bij de Utrechtse gemeente is op 24 juni 1636 ontstaan door het overlijden van ds. Cornells Dunganus (Egbert van Dungen). Deze was in 1593 kandidaat geworden. De gemeente in Baarn en Ter Eem werd zijn eerste, gevolgd in 1612 te Eemnes-Buiten. Die van Arnhem heeft Dunganus in 1617 in haar midden ontvangen. In 1619 nam hij een beroep aan naar Utrecht. Daar was hij een jaar later scriba van de synode.
G. Voet heeft zich in het najaar van 1636 tegenover kerkeraad en vroedschap bereid verklaard om een beroep als medepredikant aan te nemen.
Hij vroeg om nóg een Utrechtse hoogleraar als medepredikant te beroepen, zodat zij samen in de vacature-Dunganus zouden kunnen worden aangewezen.
Voetius was op 25 februari 1637 beroepen en op 12 maart d-o.v. bevestigd.
Prof Meinardus Schotanus (1593-1644) aanvaardde op 7 mei 1637 het ambt als medepredikant. In het prachtige boek '100 Portretten van Godgeleerden in Nederland uit de 16e, 17e, 18e eeuw' (Den Hertog B.V. 1982, Houten/Utrecht) las ik van dr. H. Florijn over Schotanus: Vriend van Theodorus a Brakel en ambtgenoot van G. Voetius die een lijkrede op hem hield. Ook een kundig Bijbelvertaler die echter vooral als kanselredenaar grote gaven had. J. van Lodenstein merkte over hem op: 'Hadt gij ds. Schotanus gekend, dan zoudt gij eerst een predikant gekend hebben.'
M. Schotanus is predikant geweest te Britsura, Franeker en Leeuwarden. Voordat hij naar Utrecht kwam, was hij hoogleraar te Franeker.
Voetius hield op maandag en dinsdag catechisaties. Op zondag werd de weeskinderen godsdienstonderwijs gegeven. Ook anderen behoorden tot de 'catechiseermeesters', .zoals de professoren Franciscus Burman (1628-1679), Andreas Essenius (1618-1677), Johannes Hoornbee(c)k (1617-1666), Carolus de Maets (1597-1651) en M. Schotanus.
Gijsbert Voet heeft als hoogleraar ook goed kunnen samenwerken met Mattheüs Nethenus (1618-1686). Deze had theologie gestudeerd in Harderwijk en werd predikant te Deventer, Utrecht en Kleef In laatstgenoemde plaats was hij tevens rector. Van 1654 tot zijn ontslag in 1662 is Nethenus professor in Utrecht geweest. In Hernborn was hij als zodanig van 1669 tot zijn overlijden.
Tot de intieme vrienden van Voetius behoorden o.m. Essenius, Cornells Gentmen (1617-1696), Daniël van Hengel of van den Henghel (1618-1689), leerling van Voet, Jodocus van Lodenstein (1620-1677), Johannes Teellinck (ca. 1614-1674), zoon van Willem, en Abraham van de Velde (1614-1677). Laatstgenoemde werd in 1660 uit Utrecht verbannen en is een jaar later predikant geworden te Arnemuiden. In 1663 werd hij in Middelburg bevestigd. Aldaar werd in 1668 zijn werk 'De wonderen des Alderhooghsten' gepubliceerd.
Reeds toen G. Voet aangewezen was op de theologische studie als bursaal in het Statencollege, heeft hij al vriendschap gesloten met de latere remonstranten:
- Bernardus Dwinglo, afkomstig uit Delft en overleden na 1648,
- Simon Episcopius of Bisschop (1583-1643),
- en Cornells Geesteranus (1588-na 1648). Zijn boezemvriend, die reeds de Academie had verlaten, was Johannes Cloppenburch (1592-1652), die van 1618-1621 predikantin Heusden is geweest.
Voetius is jarenlang nauw bevriend geweest met Anna Maria van Schurman. Zij is geboren op 5 november 1607 te Keulen en op 14 mei 1678 te Wieuwerd (Fr.) heen gegaan. Dr. K. M. Witteveen te Utrecht heeft op de bladzijden 396-399 in deel 2 van het Biografisch Lexicon (Kampen 1983) een artikel over Van Schurman geschreven. In het St. Lucasgilde te Utrecht is zij ingeschreven als 'kunstschilderesse, beeldhouwster en graveerster'. Zij heeft colleges van Voetius in Utrecht op een beschutte plaats mogen volgen. Later is zij onder invloed gekomen van Jean de Labadie (1610-1674), die volgelingen in zijn huisgemeente rond zich had vergaderd.
Enige geschriften van en over G. Voetius
Voetius heeft steeds blijk gegeven van grote interesse voor de wetenschap. Een vlugschrift verscheen in 1627 onder de titel Lacrymae crocodili abstersae, d.w.z. 'Afgewischte krokodillentranen'. Hierin schreef hij ter verdediging van Willem Teellinck (1579-1629) tegen ds. Jacob Burs (Bursius; 1589-1650) te Tholen. Diens werkje was getiteld: Threnos of Weeclage.
Voet publiceerde in 1627/8 zijn Proeve van de cracht der godtsalicheyt. Dat geschrift richtte hij tegen de eerder genoemde Daniël Tilenus (1561-1633).
Gijsbert had in 1626 een meditatie uitgegeven over Jacobus 2:12, genoemd: De ware practycke der Godtsalicheyt of der goeder wercken. Anno 1634 schreef hij een dissertatie in briefvorm: De termino vitae (Over den levensduur).
Prof dr. D. Nauta (1898-1994) heeft op de pagina's 443-449 van het Biografisch Lexicon deel 2 (Kampen 1983) een artikel over Voetius geschreven.
Voorts zijn van Voet o.m. bekend geworden de Catechisatie tegen de Remonstranten, vele Tractaten over den Sabbath en de Komedie.
In 1653 verscheen te Utrecht een omvangrijke Catechisatie, waarin eerst de naam van Cornells Poudroyen Poederoijen), predikant op het fort Crèvecoeur bij het Noordbrabantse Empel (toen behorend tot de classis Gorkum) werd verbonden. Hij had daar een 'moeyelicken dienst'. Zijn verzoek om het fort voor het predikantstraktement in te delen bij de 'cleyne steden' werd voor een bepaalde tijd ingewilligd. Het boek van Poudroyen (overleden vóór 4 juli 1662 te Crèvecoeur, waar hij reeds vóór 7 juli 1642 predikant werd) was (mede) bestemd voor catechiseermeesters. Eigenlijk was het een catechisatie van Gijsbertus Voetius. Abraham Kuyper (1837-1920) zegt, dat Poudroyen feitelijk niets dan een knappe klerk is geweest, die voor Voetius de moeite van het schrijven op zich nam, maar het werk is en blijft het werk van Voetius' Catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus (zie J. C. Rullmann, Kuyper-Bibliografie, deel III 1891-1932, Kampen 1940, blz. 9).
Dr. Arnoldus Cornells Duker (1837-1915) heeft drie delen over Voetius' werken openbaar gemaakt, welke tot in de kleinst mogelijke bijzonderheden en met zeldzame getrouwheid werden beschreven. In 1897 verscheen het eerste deel. Het tweede volgde in 1914. Een jaar later zijn de registers uitgegeven.
Aan den eindpaal van de tijden
Nadat Gisbertus Voetius een periode van grote invloed had gekend, is hij in de jaren 1660-1670 terrein gaan verliezen. In het Rampjaar 1672 werd Utrecht bezet door troepen van Lodewijk XIV (1638-1715). De Dom werd gebruikt voor de r.k. eredienst. Ook werden weer processies gevoerd.
O.m. door inspanning van Oranjestadhouder Willem II Hendrik (1650-1702), keerde het tij. Nadat de Fransen waren vertrokken en de Dom weer geschikt was gemaakt voor de protestantse eredienst, kon Voet op 13 november 1673 preken over Psalm 126. Hij kon zeggen: De strick is los ende wy sijn vry.
C. Steenblok vermeldde, dat Voetius op 16 november 1673 in de Catharijnekerk zou voorgaan. Echter viel hij op de kansel onder het preken door de felle kou bevangen, in zwijm en moest hij naar huis worden gebracht.
Hij heeft na een kort herstel nog wel zijn werk aan de universiteit kunnen voortzetten. Op 1 november 1676 viel zijn laatste uur. Hij is op zijn 88e jaar in vrede ontslapen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1995
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1995
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's