De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

9 minuten leestijd

De heer Jac. Overeem te Voorschoten zond mij het volgende schrijven, waarvan de inhoud voor zichzelf spreekt onder de titel 'Eerbied in Gods Huis':

"k Heb lang de gewoonte gehad om belangrijke artikelen uit bladen die ik verder verwaarloosde, uit te knippen en te bewaren in een map of brievenordner. Maar zelden kwam ik ertoe deze map open te slaan en de stukken die toen mijn aandacht trokken opnieuw te lezen. Totdat ik hoorde dat er predikheren van Herv. Geref. huize waren, die de kansel beklimmen en de eredienst beginnen met een amicale begroeting: "Goede morgen gemeente! Blij dat u er bent!" (Het "goed geslapen? " ontbreekt dan nog). Soms denkt een serieuze kerkganger: Ik zit toch niet bij de buren? Of een pientere jongen vraagt zich af: Ik zit toch niet in een café, hoop ik?

Het krante-artikel waar ik op doelde vond ik eens in het dagblad "Trouw". Het was van de hand van een bekwame Amsterdamse dominee, Nico ter Linden. Hij had een ontmoeting met een oude roomse hoogleraar, prof. Bouwmeester. Hij schreef dan als volgt: De professor had een droevige ervaring achter de rug.

Naar zijn gewoonte was hij de voorgaande zondag naar een studenten-ecclesia geweest waar een van zijn vroegere leerlingen voorging en het was 'rampzalig' geweest; niet de preek, die was wel goed maar de rest Om duidelijk te maken wat zo teleurstellend was geweest vroeg de professor zich al onderwijzend af: 'Hoe begin je een eredienst? Het is de dag des Heeren, wij zijn uit onze huizen gekomen, wij betreden het huis van God, wij verschijnen voor het aangezicht des Heeren. Eigenlijk zouden wij onze schoenen van de voeten moeten doen, want dit hier is heilige grond. "De Heere is in zijn heilige tempel, zwijg voor Hem gij ganse aarde." In stilte doen wij een gebed... Het koor zingt de introïtus, de priester treedt naar voren, in het heilige van de liturgie om middelaar te zijn tussen God en mensen... Maar wat deed deze priester? Hij stapte naar voren en ik zag al meteen dat het mis was. Zijn kleed was drie maten te kort en hij wilde kennelijk de indruk wekken dat hij een gewone jongen gebleven was. En in plaats van de aloude woorden te zeggen waarmee de eeuwen door op alle plaatsen waar de Christus verkondigd wordt de eredienst een aanvang neemt: "Onze hulp" is in de naam van de Heere..., in plaats van die woorden te spreken bestond deze vlegel het te zeggen... (de oude man haalde diep adem, maar hij was vastbesloten nu, hij zou het zeggen. Hoe afschuwelijk het ook was, het moest er uit) hij zei...: Goede morgen, broeders en zusters.' Ds. Ter Linden verhaalt dat de man geruime tijd roerloos bleef zitten, terwijl de verbijstering niet van zijn gezicht week. Daarna maakte hij een moedeloos gebaar in de lucht 'Begrijpt u het? ', vroeg hij. Als men de ontboezeming van ds. Ter Linden leest, denkt men onwillekeurig aan de Vlaamse dichter Guide Gezelle die dichtte het bekende: Gij bad op enen berg alleen...

De devotie van de oude hoogleraar is Ter Linden altijd bijgebleven, zo schrijft hij Een zeer erudiet man, ene die alles wist van liturgie, maar daarin ook leefde. Eerbied in Gods huis. Je zit niet bij de buren en niet op een gewone vergadering. Je zit niet op een camping of in de schouwburg. Je bent in een tempel. Voor 's Heeren aangezicht sta je en niet jij bent gastheer, maar de Onzienlijke Zelve.'

Tot zover het krante-artikel. Ook naar de kant van kerkgangers kan er echter het een en ander gezegd worden. Ik maakte het mee in een orthodoxe kerkdienst, dat, voorde wijding begon, er hardop gepraat en gelachen werd door jong volk. Het was bij het banale af. De predikant bij wie beklag was ingediend, heeft er een keer vóór de dienst begon op gewezen dat eerbied in Gods huis een eerste vereiste voor elke kerkganger is.

Ik dacht er goed aan te doen deze attentie ook aan de lezers van "de Waarheidsvriend" door te geven. Eerbied in Gods huis. Daar waar Gods Woord verkondigd wordt, begint de predikant niet met zichzelf maar met de lofprijzingen. En wat het publiek betreft, is het een goede oplossing dat er psalmen worden gezongen voor de dienst begint'

De heer A. H. J. Schwartz te Rijswijk zond mij een door hem geschreven brochure 'Hoe wij de hongerwinter overleefden'. Hier volgt wat hij schrijft over de 'Tweede hongertocht van 23 februari tot 10 maart 1945' vanuit Rotterdam:

'Hoewel we elke dag over drie maaltijden konden beschikken, 's morgens drie droge boterhammen, 's middags gaarkeukensoep en 's avonds roggepap, was de honger niet geweken.

Wij kregen 's morgens allemaal drie droge boterhammen, de groten iets dikker dan de kleintjes. Op een gegeven moment hadden de kleintjes dat in de gaten. Ze pikten het niet langer dat wij meer kregen dan zij. Bij de groentewinkels waren zo nu en dan suikerbieten te koop. Die kochten wij. Ik sneed die dan in plakken en at ze rauw op. In het begin smaakte dat nog wel, maar later stond het mij tegen. Ook werd er stroop van gekookt Van de overgebleven pulp maakte men dat met bijmenging van wat bloem een soort bietenbrood of - koekjes. Ook werden suikerbieten wel in blokjes gesneden en gekookt en als een soort pap gegeten.

Van tulpebollen werden in die tijd allerlei gerechten, tot aan taarten toe, gebakken, gekookt of gepoft. Gelukkig zijn wij hiervan verschoon gebleven.

In die tijd werd jacht gemaakt op honden en katten. Geen hond of kat was meer veilig. Ook de eigen kat of hond liep gevaar om te worden opgegeten. Wij hebben ons niet aan deze dieren vergrepen.

Wel hebben wij konijnen gehouden in een hok op het balkon. Hun dagelijks voedsel bestond uit door ons geplukt gras. Het ene konijn groeide als kool: het andere bleeft daar ver bij achter. Kwam kennelijk niet voldoende voor zichzelf op. Toen het zover was, wilde mijn moeder de door ons opgefokte konijnen niet laten slachten en opeten. Ze kon het niet over haar hart verkrijgen. Er zat niets anders op dan ze te verkopen. Dit lukte redelijk snel. Later kwam de koper terug. Een van de konijnen was dood gegaan. Hij eiste een deel van de koopsom terug.

Dankzij de hongertochten konden wij beschikken overeen derde maaltijd. Dit feit kon echter niet verhinderen dat ook wij vermagerden en last kregen van hongeroedeem. Dat waren opzwellingen aan de benen die op zweren leken en maar niet wilden genezen. Mijn gewicht daalde in die tijd tot beneden de zestig kilo.

Enig soelaas bood het door het "Zweedsche Roode Kruis" ter beschikking gestelde voedsel. Op 27 februari 1945 kon aan allen die vier jaar of ouder waren een (spier)witbrood van 800 gram en 125 gram margarine worden uitgereikt. Dit betekende na zoveel ontberingen een waar feest! Deze uitreiking werd tot aan de bevrijding enige malen herhaald. Ook kon door de kleintjes gebruik worden gemaakt van de warme maaltijden die - driemaal per week - bij het abattoir aan de Boezemstraat werden verstrekt door het Interkerkelijk Bureau. Intussen ging de verarming van ons gezin door. Op het laatst zaten we op de kale vloer (met gebeitste planken) en hadden we geen lakens meer op de bedden. Om niet te spreken over de kleren en het schoeisel dat we droegen.'

In aansluiting op het bovenstaande een gedeelte uit een 'Kamppreek', gehouden in het concentratiekamp te Amersfoort door ds. D. A. van den Bosch over 'Honger' n.a.v. Mt. 4:1 - 4:

'Het Bijbelverhaal, dat ik u heb voorgelezen, spreekt ons in de omstandigheden waarin wij thans verkeren wel zeer aan. Dit zal ons helpen het wellich t beter dan vroeger te begrijpen. Misschien hebben wij er al te vaak toch eigenlijk overheen gelezen. Nu pakt het ons opeens. Laat ons dan trachten er samen goed naar te luisteren, opdat dit Woord goed in ons kan doorwerken. Reeds het eerste vers heeft ons veel te zeggen. Jezus wordt door den Geest de woestijn ingedreven om daar verdocht te worden, op de proef te worden gesteld, door den duivel.

De woestijn in: die woorden bevatten een diepe levenswaarheid; God gebruikt telkens weer de woestijn, de barre, meedogenloze eenzaamheid en ontbering die haar heersen, om een mensenleven te vormen.

Van vrijwel alle grote mannen, alle geloofshelden, van wie de Bijbel ons verhaalt, lezen wij dat zij vroeger of later de woestijn in werden gedreven. Abraham, de vader van alle gelovigen zoals hij wordt genoemd, kreeg bevel om weg te trekken uit het rijke en vruchtbare land waar hij het zo goed had en rustig woonde, en de woestijn in te gaan, een onbekende toekomst tegemoet (Gen. 12). Daarheen riep God hem, daar lag zijn roeping. Ook Jacob moest de woestijn in, nadat hij zijn vader en zijn broeder zo gruwelijk bedrogen had, om tot inkeer en bezinning te komen; hij zou er waartijk God vinden - want God was juist aan die plaats en hij had het niet geweten (Gen. 28:16) Zo werd ook Jozef uit het huis van zijn vader weggevoerd de woestijn in; maar zoals hij zelf veel later getuigt tegenover zijn broers die hem hadden verkocht: at zij ten kwade hadden gedacht, dat had God ten goede gedacht (Gen. 50:20) Die woestijnreis was ook voor hem onmisbaar om gevormd te worden voor zijn levenstaak. Dat kon straks ook gezegd worden van hun nakomelingschap, van het grote volk Israël, dat 40 jaren lang door de woestijn rondzwierf nadat het uitgeleid was uit het diensthuis, uit Egypte. Telkens en telkens weer grijpen de profeten terug op dit geweldige gebeuren, omdat het volk daar geleerd had God den Heer te dienen. Hem alleen te aanbidden en geen andere goden voor zijn aangezicht te hebben. Mozes, de grote leider op deze zwerftocht, was voor deze zware taak eveneens voorbereid doordat God ook hem eerst de woestijn ingezonden had, om Zich daar in het brandende braambos aan hem te openbaren (Exodus 3:1, 2)

Zo zouden wij kunnen doorgaan de gehele Bijbel door. Het is heus de moeite waard eens na te gaan wie er al niet in de woestijn werden geleid, en wat zij daar leerden. Alle profeten trokken zich daarheen terug als zij zich wilden voorbereiden voor hun taak. Ook Johannes de Doper. En nu ten slotte lezen wij hier van Jezus dat Hij door den Geest de woestijn in werd gedreven. (...)'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's