Is het redelijk om in de opstanding te geloven?
De Grieken van Van Gennep
Wanneer Paulus op de Areopagus het Evangelie verkondigt (Hand. 17), treft hij voor zijn boodschap bij de Griekse filosofen aanvankelijk een welgemeende belangstelling aan. Paulus' spreken over de schepping, over Gods alomtegenwoordigheid, zijn aankondiging van het laatste oordeel en zelfs zijn oproep tot bekering - dat alles horen de Grieken welwillend aan. Maar zodra Paulus over Christus' opstanding begint, haakt een groot deel van zijn publiek onmiddellijk af Dat een mens die eenmaal gestorven is weer tot leven zou kunnen komen - die gedachte is naar Grieks besef te onzinnig om over door te praten. Men acht het volslagen onredelijk om zoiets in alle ernst te geloven.
Enkele jaren geleden wees prof. F. O. van Gennep het geloof dat Christus lichamelijk uit de dood is opgestaan op een enigszins vergelijkbare manier van de hand. Van Gennep vond de voorstelling van een lichamelijke opstanding zo absurd, dat hij deze niet in begrijpelijke taal aan buitenkerkelijke mensen meende te kunnen uitleggen. Er zijn uiteraard vele en grote verschillen tussen het denken van de Griekse wijsgeren enerzijds en dat van Van Gennep anderzijds. Toch zien wij in hun benadering van Christus' opstanding een onmiskenbare overeenkomst. De Grieken en Van Gennep vormen als het ware een vroeg en een laat station op een lijn die met tussenpozen door de hele kerkgeschiedenis heen zichtbaar is. Het is de lijn van de afwijzing van het geloof in Christus' lichamelijke opstanding als zijnde onredelijk.
De onredelijkheid van het opstandingsgeloof
Hoe moeten wij hier nu over denken? Is het inderdaad onredelijk om in de Opstanding te geloven? Het eerste antwoord dat op die vraag gegeven moet worden is: ja! De Amerikaanse godsdienstwijsgeer Stephen T. Davis geeft in zijn prachtige apologie van het opstandingsgeloof (Risen Indead, Grand Rapids 1993) een verhelderend voorbeeld. Stel dat het gerucht zou opduiken dat volgens een groepje mensen Napoleon Bonaparte nog altijd in leven is. Hij zou zich op de leeftijd van 226 jaar ergens op een afgelegen plaats schuilhouden. Wij zouden het ongetwijfeld volstrekt onredelijk vinden om aan dit gerucht ook maar enig geloof te hechten, ook al zou het bericht vergezeld gaan van een foto van een stok-en stokoude man. We weten immers op grond van betrouwbare historische bronnen dat Napoleon op 5 mei 1831 op St. Helena is overleden. En nog veel zekerder weten we dat mensen geen 226 jaar oud worden, omdat dat gegeven de aard van ons huidige lichaam biologisch eenvoudig onmogelijk is.
Welnu, biologisch is het om zo te zeggen nog veel onmogelijker dat een mens die eenmaal overleden is weer tot leven komt. Hoevelen hebben dat laatste niet hartstochtelijk gewild, en de gedachte gekoesterd dat ze hun geliefden weer in dit leven terug zouden kunnen krijgen! Maar ieder weldenkend mens weet: dat kan gewoon niet.
Het is in dit licht bezien ook geen wonder dat wanneer de vrouwen bij het graf het Opstandingsevangelie horen, zij niet zozeer met vreugde, alswel met beving en ontzetting bevangen worden (Mark. 16 : 8). En het hoeft ons ook niet geheel te verbazen dat Thomas het allemaal eerst wel eens wil zien (Joh. 20 : 25). Wie het Opstandingsverhaal al jarenlang, vaak al van kinds af aan, gehoord heeft, kan deze schrik en deze aarzeling soms maar moeUijk goed invoelen. Geheel anders dan de vrouwen bij het graf denken wij vaak: natuurlijk is Jezus opgestaan!', en we houden het misschien zelfs voor onredelijk om dat te ontkennen. Maar 'natuurlijk' is de Opstanding nu juist niet! Ze gaat immers dwars tegen de wetten van cle natuur in, en staat haaks op alles wat wij normaal gesproken in dit ondermaanse voor redelijk en mogelijk houden.
Het is goed om ons dit telkens weer te realiseren. In onze reactie op het Opstandingsevangelie dient immers ook iets van de ontzetting van de vrouwen aanwezig te blijven. Het gaat hier om een ongehoord verstrekkende boodschap. Het Opstandingsevangelie is menselijkerwijs gesproken haast te mooi om waar te zijn. Juist als we daarvan doordrongen zijn, gaan we ons er des te meer over verwonderen wanneer we beseffen dat het waar is! We gaan de Heere er des te meer om prijzen, dat Hij door de opwekking van Zijn zoon zo krachtdadig heeft ingegrepen in de doodscirkel van ons menselijk bestaan. En in het geloof gaan we ook in ons eigen leven de kracht van Christus' opstanding des te sterker ervaren.
De redelijkheid van het opstandingsgeloof
Maar als het opstandingsgeloof dan in het bovengenoemde opzicht onredelijk is, hoe kunnen we er dan niettemin van overtuigd zijn dat het waar is? Daar kunnen wij onder andere van overtuigd zijn doordat het opstandingsgeloof in een ander opzicht juist wèl redelijk is. Het is namelijk gebaseerd op buitengewoon betrouwbare bronnen. Hier bevindt zich een beslissend verschil met het bovengenoemde voorbeeld van Napoleon. In het geval van Napoleon wijzen de historische bronnen immers duidelijk op diens einde in 1831. In het geval van Christus wijzen alle beschikbare bronnen erop, dat Hij na Zijn sterven op Golgotha in een verheerlijkt lichaam uit de dood is opgestaan.
Die bronnen vinden we in het Nieuwe Testament. Over de exegese ervan is veel discussie mogelijk, en gegeven de variëteit in de berichten is het niet eenvoudig tot een precieze historische reconstructie te komen. Maar een aantal dingen staan zonder meer vast, en worden ook door vrijwel alle geleerden erkend: (1) Joden uit de eerste eeuw verwachten wel een Messias, maar niet één die zou sterven en opstaan; Jezus' opstanding lag dus niet in de lijn der verwachtingen. (2) Jezus is gestorven en begraven. (3) Zijn volgelingen waren na Zijn dood bedroefd en ontmoedigd. (4) Enkele dagen na Jezus' dood werd beweerd dat Zijn graf leeg was (een bewering die niet weerlegd kon worden), en hadden Zijn discipelen ervaringen die ze unaniem uitlegden als ontmoetingen met hun Meester. (5) Op grond van deze ervaringen kwamen ze tot het geloof dat Hij in een verheerlijkt lichaam was opgestaan. (6) Dit geloof werd de grondslag van de christelijke gemeente, waaruit blijkt dat grote groepen mensen het relaas van de discipelen geloofwaardig achten.
Welnu, al deze gegevens bewijzen natuurlijk niets, zoals het geloof sowieso niet te bewijzen valt (dan zou het trouwens geen gelóóf meer zijn). Wie wil, kan altijd onder de conclusie van de opstanding uit; men hoeft daarvoor niet eens per se een andere theorie te bedenken, maar kan ook eenvoudig zijn oordeel opschorten. Maar tot op de dag van vandaag is het in elk geval een buitengewoon redelijke verklaring van het geheel, dat Christus inderdaad lichamelijk uit de dood is opgewekt. Die verklaring doet immers op de meest ongekunstel de manier recht aan alle genoemde gegevens. Daar komt bij, dat tot nog toe niemand die de Opstanding van Christus afwees in staat is geweest om een algemeen overtuigende theorie te ontwerpen van wat er dan wél gebeurd zou zijn in de dagen na de kruisiging.
Wie een gesloten wereldbeeld heeft, waarin voor God, Zijn Woord en Zijn handelen in schepping en geschiedenis principieel geen plaats is, zal zich door de opstandingsberichten wellicht niet laten overtuigen. Dat zou immers een regelrechte bekering vergen. Het is dan veel gemakkelijker om de Opstanding zonder al te nauwkeurig onderzoek van de bronnen af te wijzen, omdat men deze nu eenmaal niet wil geloven. Men kan zich bovendien altijd beroepen op de onredelijkheid van het opstandingsgeloof zoals we die boven omschreven. Voor wie echter gelooft dat God er is, dat Hij aan het begin en aan het einde van de geschiedenis staat, dat Hij Zich geopenbaard heeft enz., liggen de zaken beduidend anders. In dit geval is het immers nog veel redelijker om het Opstandingsevangelie wel aan te nemen. Daarom is het zo onbegrijpelijk dat ook in de kerk de (lichamelijke) Opstanding van Christus ontkend wordt.
Consequenties
Kortom: enerzijds is het niet redelijk om in de Opstanding te geloven, want de Opstanding staat haaks op heel onze menselijke werkelijkheidservaring. Daardoor is het Opstandingsevangelie altijd weer een bron van verbazing, diepe verwondering en aanbidding. Anderzijds is het wel redelijk om in de Opstanding te geloven, want nog altijd is de werkelijke opstanding van Christus ook objectief gezien de meest bevredigende verklaring van de verschijningsberichten.
Tot slot. We hebben ons beperkt tot één van de vele vragen die rondom de Opstanding gesteld kunnen worden. Maar het zal duidelijk zijn dat er nogal wat mee samenhangt. Ik denk aan 'de waarheid van het christelijk geloof temidden van de vele religies en stromingen die zich vandaag in onze cultuur manifesteren, en in verband daarmee aan de betrouwbaarheid van het bijbels getuigenis. Maar ook het geloof dat Jezus de Kurios is, de Heere van deze wereld en van ons leven is hier in het geding. En tenslotte het uitzicht van het geloof op ónze zalige opstanding, waarvan die van Christus een zeker pand is (H.C. zondag 17). Dankzij de Opstanding is de dood voor de gelovige niet meer het allerergste wat hem kan overkomen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1995
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1995
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's