De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geloofsbelijdenis en handoplegging (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geloofsbelijdenis en handoplegging (1)

12 minuten leestijd

In tal van gemeenten vond afgelopen weken de openbare belijdenis van het geloof plaats. Een feestelijk gebeuren, waarvoor we de levende God niet genoeg kunnen danken. Immers, dat spreekt allerminst vanzelf. Wie de statistieken en de onderzoeken een beetje volgt, kan zich daarover alleen maar verwonderen. De kranten meldden het dezer dagen weer zwart op wit. De kaalslag gaat in veel kerken gestaag door. De kerkverlating is nog lang geen halt toegeroepen. In 1994 verloren de Gereformeerde Kerken in Nederland ruim 10.000 leden. Een ongekend hoog percentage. De Nederlandse Hervormde Kerk zag in datzelfde jaar niet minder dan 57.000 leden verdwijnen. En opnieuw moest worden aangetekend, dat het vooral de jongeren waren, die de kerk de rug toekeerden.

Wie zulke berichten leest, kan zich alleen maar verwonderen als er in de eigen gemeente nog jongeren zijn, die de goede keus van het geloof willen maken. Waaraan is dat te danken? Kunnen ouders dat op rekening van de opvoeding schrijven? Hebben prediking en catechese dat kunnen bewerken? Het staat er allemaal niet los van. Maar ten diepste kunnen we alleen maar zeggen: Dat is te danken aan Gods trouw. Hij houdt Zijn kerk in stand. Hij maakt de belofte waar dat zelfs de poorten van de hel Zijn gemeente niet kunnen overweldigen. Hij weet door Zijn Geest harten van jongeren en ouderen om te buigen en in te winnen, ook vandaag in onze ontkerstende en oververzadigde cultuur. Daarom vormt zo'n groep belijdeniscatechisanten voor in de kerk telkens weer een hoopvol teken. Een duidelijk signaal van Gods aanwezigheid. Hun ja-woord onderstreept nog weer eens dat Hij doorgaat, ondanks alles.

Een nieuw gebruik

Wie geen vreemdeling op het kerkelijk erf is, zal het niet ontgaan zijn, dat hier en daar de vorm van de openbare geloofsbelijdenis veranderd is. Althans, in een aantal gemeenten is daar een opmerkelijk element aan toegevoegd. Steeds meer predikanten hebben de gewoonte om de catechisanten die hun ja-woord hebben uitgesproken, te laten neerknielen en namens God een persoonlijke zegen mee te geven. Handoplegging, wordt deze ceremonie ook wel genoemd. Zoals een bruidspaar dat in Gods huis een zegen komt vragen, op de knielbank plaatsneemt en de handen opgelegd krijgt, zo gebeurt dat ook in de dienst van openbare geloofsbelijdenis. Meestentijds werd en wordt alleen een collectieve zegen meegegeven. Nadat de laatste catechisant zijn ja-woord heeft gegeven, wordt de formule uitgesproken ter opneming onder de belijdende leden. Bij de laatste woorden heft de dienaar van het Woord zijn hand(en) zegenend op: 'De God van alle genade, die u in Christus geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid, Hij zal u volmaken, bevestigen, sterken en grondvesten. Hem zij de kracht in alle eeuwigheid'. Deze gemeenschappelijke zegen nu wordt de laatste jaren in diverse gemeenten verwisseld voor een persoonlijke zegen, de handoplegging.

Een verzoek van catechisanten

Waarom deze verandering? Alleen een kwestie van vernieuwingsdrang? Een moderniteit die we zonder meer naast ons neer kunnen leggen of afwijzen? Om eerlijk te zijn heb ik er ooit weleens zo over gedacht. En vermoedelijk ben ik niet de enige die met enig wantrouwen naar het oprukken van deze gewoonte onder ons heeft gekeken. Nooit vergeet ik het moment dat ik voor het eerst met het probleem werd geconfronteerd. Als jong predikant had ik het goede dorp Poederoijen met zijn 360 hervormde zielen verwisseld voor de bruisende vissersstad Vlaardingen, waar de hervormde gemeente niet minder dan acht wijkgemeenten van zeer uiteenlopende 'kleur' telde. Hier werd ik met vragen en uitdagingen geconfronteerd, waarvan ik voorheen volstrekt geen notie had. Eén daarvan kreeg ik naar me toe tijdens een belijdeniscatechisatie-avond. Een grote groep gemotiveerde en zeer betrokken jongeren. Een vreugde om een jaarlang met ze op te trekken. Maar toen de zondag van de belijdenis naderde, kwamen ze met een vraag: 'Mogen we na onze geloofsbelijdenis ook de handoplegging ontvangen'? Nog nooit had ik over deze ceremonie nagedacht en een beetje verbouwereerd vroeg ik hen hoe ze erbij kwamen en wat voor argumenten ze ervoor hadden. Wat bleek? Men had het ergens anders gezien en het zeer indrukwekkend gevonden.

Nu ben ik zelf opgevoed in een klimaat, waarin het gevoel en de ervaring een bijzonder grote rol speelden. Niet zelden werd datgene wat een mens moet meemaken als een voorwaarde gezien om te kunnen vluchten naar het krïais van Golgotha. Het lezen van Kohlbrugge en Calvijn was in later tijd balsem voor mijn ziel, omdat ik van hen leerde dat geloven leven uit Gods beloften is. Het betrouwbare Woord Gods, dat het gewaad is waarin Christus Zelf onder ons komt, is de enige ankergrond waarin het wankele en aangevochten geloof houvast en zekerheid vindt. De ervaring is wel wezenlijk voor het geloof; niet als voorwaarde echter, maar als vrucht. Vermoedelijk heeft deze achtergrond wel meegespeeld in mijn reactie op de vraag van de Vlaardingse catechisanten. Een zekere huiver voor een te grote nadruk op het gevoelsmatige, het emotionele zal zeker hebben bijgedragen aan mijn afwijzende antwoord. De discussie binnen deze groep en later binnen de kerkeraad heeft me echter nooit losgelaten. En in de loop der jaren is mijn mening ten aanzien van de handoplegging gewijzigd. In onze jonge wijkgemeente in de Zuidplas van Waddinxveen werd dit jaar voor het eerst een dienst met openbare geloofsbelijdenis gehouden. Een hoogtepunt. De acht catechisanten die hun ja-woord gaven, hebben persoonlijk Gods zegen meegekregen onder handoplegging. Niet omdat het zo ontroerend of indrukwekkend overkomt, maar omdat er bijbelse en historische argumenten zijn om deze oude gewoonte in ere te herstellen. In een tweetal artikelen wil ik een paar momentopnamen laten zien van de zoektocht, die ik ten aanzien van dit onderwerp gemaakt heb.

De bijbelse gegevens

Wie de Schrift raadpleegt, ontdekt tot zijn verrassing welke belangrijke rol de handoplegging daarin speelt. Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament komen we het verschijnsel herhaaldelijk tegen. In navolging van een Duits commentaar op de brief aan de Hebreeën geef ik een kort overzicht van de verschillende gelegenheden waarbij in de Bijbel de handoplegging wordt vermeld.

1. In het Oude Testament wordt de handoplegging vooral gepraktizeerd bij de offerhandeling. Heel vaak wordt deze ceremonie vermeld in samenhang met de priesterwijding. In Exodus 29 wordt gesproken over de aanstelling van Aaron en zijn zonen tot priesters en Levieten. In één adem wordt er in dit hoofdstuk aan toegevoegd, dat deze dienstknechten van God hun handen zullen leggen op de kop van het offerdier (vgl. vs. 10, 15, 19). Zowel voor het brandoffer (Lev. 1 : 4) als bij het dankoffer (Lev. 3 : 2, 8, 13) en het zondoffer (Lev. 4 : 4, 15, 24, 29, 33) was de handoplegging als verplicht ritueel voorgeschreven. Tijdens de Grote Verzoendag moest de hogepriester na belijdenis van zonden, zijn beide handen op de kop van de 'zondebok' leggen (Lev. 16 : 21).

2. Op slechts één plaats in het Oude Testament wordt gesproken over handoplegging tijdens de bestraffing van een Godslasteraar. In Leviticus 24 : 13, 14 kunnen we daarvan lezen. Hier wordt de handeling gebruikt om iemand te vervloeken. De vloeker moet buiten de legerplaats gebracht worden en allen die het gehoord hebben moeten hem de handen opleggen, waarna hij door de hele vergadering gestenigd wordt.

3. De handoplegging als gebaar van zegening komen we zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament regelmatig tegen. We herinneren ons de oude aartsvader Jakob die zijn kleinzoons Efraïm en Manasse zegent terwijl hij zijn handen kruiselings op hun hoofd legt (Gen. 48 : 14). Ook van de Heere Jezus wordt verteld dat Hij zegende: de kinderen die tot Hem gebracht werden (Mark. 10:16) en de discipelen toen Hij opvoer vanaf de Olijfberg (Luk. 24:50).

4. Het Oude en Nieuwe Testament hebben eveneens gemeenschappelijk de handoplegging wanneer mensen door God in dienst worden genomen. We kunnen denken aan de Levieten, wanneer zij geroepen worden tot hun plaatsvervangende dienst voor Israël (Num. 8 : 10) en aan Jozua die wordt aangewezen tot opvolger van Mozes (Deut. 34 : 9). Ook bij de aanstelling van de zeven armenverzorgers in de eerste christengemeente van Jeruzalem (Hand. 6 : 6) en bij de uitzending van Paulus en Barnabas voor het zendingswerk is er sprake van deze ceremonie (Hand. 13 : 3). In 1 Timotheüs 5 : 22a wordt melding gemaakt van de oplegging der handen, dit keer in ver­ band met het aanstellen van ouderlingen. De apostel waarschuwt ervoor om niet lichtvaardig te werk te gaan en niemand te haastig de handen op te leggen.

5. Vooral in de Handelingen der Apostelen komen we de handoplegging tegen in relatie tot de doop. We horen daar meer over in Handelingen 8 : 14-17 en Handelingen 19 : 1-7. In beide gedeelten vindt de handoplegging plaats na de doop en wordt ze verbonden met het ontvangen van de Heilige Geest: Toen legden zij hun de handen op en zij ontvingen de Heilige Geest'. In Hebreeën 6 : 2 worden doop en handoplegging in één adem genoemd.

6. In de Pastorale Brieven wordt gesproken over de handoplegging om daarmee bijzondere geestelijke gaven mee te delen. Paulus schrijft aan zijn geestelijke zoon Timotheüs dat hij niet moet verzuimen de gave die in hem is, die hij ontvangen heeft door de profetie, met oplegging der handen van het ouderlingschap (1 Tim. 4 : 14). Ook wordt Timotheüs aangespoord om de gave Gods die in hem is op te wekken, de gave die hij ontving bij de oplegging der handen door de apostel zelf (2 Tim. 1 : 6).

7. Handoplegging ter genezing van zieken komen we in het Oude Testament alleen via indirecte aanwijzingen op het spoor. In de geschiedenis van de genezing van Naaman komt deze zijdelings ter sprake, maar het is niet zeker of de handoplegging bij de genezing van zieken ook werkelijk in Israël is gepraktizeerd. Des te duidelijker zijn d»berichten uit het Nieuwe Testament. Hoe vaak heeft de Heere Jezus niet zieken de handen opgelegd? Zo gebeurde het bij het dochtertje van Jaïrus (Mark. 5 : 23); bij de doofstomme uit Markus 7 : 32; bij de blinde man te Bethsaïda (Mark. 8 : 23, 25); bij de gebogen vrouw die achttien jaar ziek was geweest (Luk. 13 : 11). In Nazareth botste Jezus op een muur van ongeloof, waardoor hij slechts weinig zieken de handen op kon leggen en hen genezen (Mark. 6:5). De handoplegging hoorde wezenlijk bij de taak en de roeping van de discipelen, toen zij de wereld werden ingezonden (Mark. 16:18).

Samenvattend kunnen we zeggen, dat de handoplegging in de Bijbel in minstens viervoudige betekenis wordt vermeld: voor het overdragen van schuld, voor het meedelen van Gods zegen, voor de wijding tot Gods dienst en voor mededeling van de krachten en gaven van de Heilige Geest. Wij beperken ons hier tot de handoplegging als specifieke vorm van zegenen en tot de relatie die in het Nieuwe Testament gelegd wordt tussen de doop en de handoplegging. Dat dit verband er is, staat als een paal boven water. Maar kan en mag deze lijn ook worden doorgetrokken naar de openbare geloofsbelijdenis en wat is in dit kader dan de betekenis van de handoplegging?

Martin Bucer

De hervormers hebben intensief over deze vragen nagedacht. In Straatsburg was Martin Bucer de grote pleitbezorger voor het invoeren van deze handeling. Wellicht kan men hier de invloed vermoeden van de zogeheten Boheemse Broeders, die de handoplegging ook heel bewust en frequent gebruikten. Bucers stellingname kan evenmin los worden gezien van de confrontatie met de Wederdopers. Met name de verwijten van Caspar Schwenckfeldt, een gedreven spiritualist, hebben Bucer tot diepgaande bezinning op dit punt gebracht. De doperse kritiek op de kinderdoop, die een persoonlijke geloofskeuze van de catechisanten zouden belemmeren, deden de reformator zoeken naar een vorm voor de openbare belijdenis, waarin het persoonlijke, het geloofsmatige, het emotionele voldoende ruimte zou kunnen krijgen. We herkennen daarin op en top de persoon van de Straatsburgse prediker. Steeds heeft hij de Dopers serieus genomen. Hij wees hun argumenten niet hooghartig van de hand, maar probeerde hen te overtuigen van hun misvattingen, terwijl hij ondertussen de waarheidselementen in hun kritiek op de reformatie probeerde te verwerken in zijn eigen denken en kerkelijke praxis. Zo bleef hij overtuigd voorstander van de kinderdoop, maar gaf hij tegelijk een maximale invulling aan de catechese en als afsluiting daarvan de confirmatie in de vorm van de handoplegging. Hij deelt het doperse argument dat het geloof gepaard gaat met een persoonlijke keuze. Geen beslissing echter die opkomt uit de mens zelf, maar een ootmoedig antwoord op Gods spreken tot ons in de doop. Het verbond speelt een beslissende rol in het denken van Bucer. God is de eerste. De geloofskeuze is onmisbaar, maar het moment waarop deze gedaan wordt, is niet van doorslaggevend belang. Het maakt geen verschil of dat voor of na onze doop gebeurt. In de confirmatie ziet Bucer een goede mogelijkheid om dat beamen van de doop, die persoonlijke aanvaarding van het verbond gestalte te geven.

Een belangrijke schakel

In zijn Kürtzer Catechismus van 1543 legt Bucer verantwoording af van zijn gedachten omtrent deze plechtige ceremonie. Hij ziet haar als een belangrijk moment opgenomen in de keten, die begint met de doop van de kinderen der gemeente en die uitloopt op het moment dat zij deelnemen aan het sacrament van het heilig avondmaal en zich onderwerpen aan de kerkelijke tucht. Daartussenin wordt plaats ingeruimd voor grondige catechese, een onderzoek van de geloofskennis en het afleggen van de openbare geloofsbelijdenis waarna de catechisanten de handen worden opgelegd. In vraag en antwoord-vorm legt Bucer zijn gedachten neer.

'Wat beduidt het teken van de handoplegging? ' 'Dat de kinderen daarmee onder de genadige hand van God, de Almachtige, aangenomen en hen daarmee Zijn bescherming, hoede en zalige geleiding beloofd en verzekerd worden.'

'Wie moeten de kinderen de hand opleggen en hen zegenen? ' 'De geordende dienaren van de kerk namens de gehele gemeente in wier midden dit alles gebeuren moet.'

'De Heere heeft ons het gebruik van dit teken toch niet bevolen? ' 'Omdat Hijzelf echter en Zijn heilige apostelen dit teken wel gebruikt hebben, past het ons ook dit in Zijn Naam toe te passen. En de Heere Zelf wil met Zijn Geest en werk erbij zijn en zulke kinderen in Zijn Rijk genadig bevestigen, zoals de kerk Hem op grond van het Woord daarom vraagt.'

Niet alleen in zijn eigen gemeente Straatsburg heeft Bucer geijverd voor een optima­ le invulling van de openbare geloofsbelijdenis. Ook op andere plaatsen waar hij vanwege zijn kerkrechtelijke inzichten en organisatorische kwaliteiten om hulp gevraagd werd, heeft hij gepleit voor invoering van de confirmatie. Het zal hem verdriet gedaan hebben, dat zijn gedachten elders meer ingang vonden dan iii zijn eigen gemeente. In Straatsburg ondervond hij sterke tegenwerking van de overheid, terwijl hij in andere steden meestentijds open deuren vond om zijn ideeën over de openbare geloofsbelijdenis te vertalen in de praktijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Geloofsbelijdenis en handoplegging (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's