Globaal bekeken
Bij het proefschrift van dr. S. D. Post 'Pieter Boddaert en Rutger Schutte, piëtistische dichters in de achttiende eeuw", verdedigd aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en in handelseditie uitgegeven bij Den Hertog, Houten, waren stellingen gevoegd, waarvan we de volgende overnemen:
• De meest kenmerkende eigenschap van piëtistische poëzie is het in de tale Kanaans weergeven van het dynamische leven des geloofs.
• Achttiende-eeuwse piëtisten hadden op literair gebied nauwelijks relaties met poëten uit het gevestigde circuit
• Middelburg was in de eerste helft van de achttiende eeuw het belangrijkste centrum van de piëtistische dichtkunst in de Republiek.
• De afwerende houding tegenover het zingen van gezangen in de eredienst in gemeenten uit de gereformeerde gezindte is beter te verklaren vanuit de traditie dan op principiële gronden.
• Beter een gram geloof dan een giga-byte geleerdheid.
• Een wetenschapper is bijna zo gevaarlijk als een journalist. Hij staat voortdurend aan de verleiding bloot het verleden of de toekomst ter wille van zijn onderzoek naar zijn hand te zetten.
• Onbetaalbare ideeën ontstaan helaas meestal buiten de offciële werktijd.
• Een goede conciërge is het halve werk.
• Een proefschrift op het gebied der letteren is pas geslaagd als de som van de tijd die de lezers eraan spenderen, minstens zo groot is als de tijd die het de auteur gekost heeft.
Uit de opnieuw uitgegeven dichtbundel van wijlen dr. Okke Jager 'Worden als een kind' (uitgave Kok, Kampen, Ie editie 1954), het volgende altijd weer aansprekende gedicht, getiteld 'Worden als een kind':
De meester had met haar nooit iets te stellen.
Zij was zes jaar en zat eerbiedig recht.
Hij had verteld. Zij moest terug vertellen.
Zacht werd zij door haar ogen voorgezegd.
Zij nam zijn woorden aan, zoals zij klonken,
Zij liet geen titteltje verloren gaan.
Zij zag, achter de mensen die verdronken,
De hond van Noach op de voorplecht staan.
'En God en Henoch waren kameraden.
Dus God kwam vaak bij Henoch op bezoek.
Nadat zij samen voor de kwaden baden,
Las God een stukje uit Zijn eigen boek.
Eens zei de Here op een mooie morgen:
"Zeg, Henoch, ga je mee een eindje om?
Je vrouw zal dan wel voor het eten zorgen."
En Henoch zei: "'t Is goed hoor. God, ik kom!"
Hij durfde wel zijn kinderen achterlaten.
Hij riep: "Tot straks!" en deed de deur op slot .
Zij hadden samen heel veel te bepraten.
Dus Henoch wandelde aldoor met God.
De vogels wisten wel, voor Wie zij zongen.
En alle bloemen kwamen nu aan bod.
De herten kwamen dichtbij met hun jongen.
En Henoch wandelde aldoor met God.
Totdat opeens - "o Heer!" zei hij geschrokken,
"Wij zijn al veel te ver: daar staat Uw Huis!
't Is lang geleden al, dat wij vertrokken...
Hoe kom ik ooit alleen weer veilig thuis? "
"Och Henoch", zei de Heer, "om tijd te winnen -
Je komt toch later bij Mij wonen, - zeg,
Ga nu dan maar gelijk met Mij naar binnen!"
En Henoch was niet meer: God nam hem weg.'
Hier volgen twee lezenswaardige passages uit historische geschriften.
• Kinderloosheid
'Op 23 mei 1828 trouwde mr. Guillaume Groen van Prinsterer (1801-1876) met Elisabeth Maria Magdalena van der Hoop (1807-1879). Het is een rijk gezegend huwelijk geworden, ook al is het kinderloos gebleven.
Aan haar vriendin jkvr Marianne van Hogendorp-van Hogendorp bekende Betsy, dat zij wel graag een kindje zou willen hebben. Het zou door zo'n voortreffelijke vader worden opgevoed! Zij hoopte echter nooit jaloers te worden op anderen, die wel kinderen kregen.
"Of kinderen altijd het geluk des levens vermeerderen, zal ik niet beslissen; dat behoef ik niet te weten, wanneer Gods liefde mij genoeg is; maar indien het bezit van kinderen waarlijk een zoo groot geluk is, dan zou ik het ook daarom niet meenen te mogen wenschen, wijl ik reeds zooveel heb en te groot geluk dikwijls eene zeer groote verzoeking is".'
Mevrouw Groen aan M. C. van Hogendorp, aangehaald door dra. J. L. van Essen in haar bijdrage in de bundel 'Een staatsman ter navolging' - Groen van Prinstere herdacht, (1876-1976).
• Koninklijke familie
'Na al de droefenis, die ons zwaarbeproefde Vorstenhuis keer op keer treffen moest, was de verloving (1878) van onzen ouden Koning met de jonge Prinses Emma van Waldeck-Pyrmont (1858-1934) voor mij, evenals voor talloos velen, eene oorzaak van geveinsde vreugde. Ik schreef den Koning een enthousiasten brief, was verrukt dat mijn vroegeren rector Dr. L R. Beynen (1811-1897) de Prinses Hollandsch ging leeren en heb den blijden intocht der Jonggehuwden (1879) met een enormen oranjestrik op mijn borst en nog grooter geestdrift er in, bijgewoond.
Ook den doop der jonge Prinses (= Wilhelmina, geb.1880), onze tegenwoordige Koningin, mocht ik in de Willemskerk bijwonen, en nog zie ik de grootmeesteres, of wie het dan ook geweest is, met zulk een diepe buiging het kleine kindje aan de gelukkige moeder aanbieden, dat ik vreesde dat beiden op den grond zouden tuimelen.
Ds. C. E. Koetsveld (1807-1893), de hofprediker heeft mij naderhand verteld, dat hij hier "voor 't eerst van mijn leven" zenuwachtig was geweest Door een vergissing van den koetsier was het hofrijtuig, dat hem moest afhalen, niet terstond naar de Molenstraat, waar vader van Koetsveld woonde, maar naar de Prinsengracht, naar 't huis van Ds. Moll, gered en alleen door ventre è terre (= met grote spoed) via Molenstraat naar de Willemskerk te rennen, kwam de eerwaarde dooper nog op de laatste minuut aan. Verbeeld u eens dat de vorstelijke personen er waren en... de dominee niet op tijd was geweest!'
Uit: Dr. J. H. Gunning JHzn. (1858-1940) - 'Herinneringen uit mijn leven' (1936).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1995
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's